Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4358

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-10-2015
Datum publicatie
30-10-2015
Zaaknummer
F 200 166 889_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

bewind

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2015/322
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 29 oktober 2015

Zaaknummer: F 200.166.889/01

Zaaknummer eerste aanleg: 3596179 CU VERZ 14-99

in de zaak in hoger beroep van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. P.G.C.P. Smits,

tegen

[de zuster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de zuster,

en

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de moeder

beiden bijgestaan door advocaat: mr. S.H. Oosterhuis-Broers.

Als belanghebbende kan worden aangemerkt:

- Alpha Bewind B.V., hierna te noemen: de bewindvoerder.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, Team Toezicht, zittingsplaats Roermond, van 22 december 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 maart 2015, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 4 mei 2015, hebben de zuster en de moeder verzocht de man in zijn beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans het beroep van de man af te wijzen als ongegrond, althans onvoldoende gemotiveerd, met veroordeling van de man in de kosten van de procedure.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 september 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Smits;

  • -

    de zuster, bijgestaan door mr. Oosterhuis-Broers;

  • -

    Alpha Bewind B.V., vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van Alpha Bewind B.V.] .

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V6-formulier met daarbij gevoegd het procesdossier in eerste aanleg van de advocaat van de man d.d. 31 maart 2015;

  • -

    de brief met bijlagen van Alpha Bewind d.d. 3 augustus 2015;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 2 september 2015;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de zuster en de moeder d.d. 8 september 2015.

2.5.

De moeder is niet ter zitting verschenen. Als productie 24 is door de advocaat van de moeder de akte van volmacht d.d. 18 juni 2015, die de moeder heeft verleend aan de zuster, overgelegd. Bij brief van 8 september 2015 heeft de advocaat aangegeven dat de moeder derhalve niet ter zitting aanwezig zal zijn.

3 De beoordeling

3.1.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, verder te noemen: de kantonrechter, voor zover thans van belang, het aandeel van de man in de nalatenschap van zijn vader, de heer [de vader van de man] , overleden op 10 oktober 2014, wegens zijn lichamelijke of geestelijke toestand onder bewind gesteld, zulks met ingang van 16 januari 2015, met benoeming van Alpha Bewind B.V. tot bewindvoerder.

3.2.

De man kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.3.

De man voert - kort samengevat - het volgende aan.

De kantonrechter heeft aan zijn oordeel om de man wegens zijn lichamelijke of geestelijke toestand onder bewind te stellen ten grondslag gelegd dat de man achterdochtig is en paranoïde wanen heeft jegens zijn zuster en zijn moeder. Echter de feiten en omstandigheden wijzen uit dat de man op goede gronden jegens zijn familie argwanend is geweest. Zo heeft hij na het overlijden van zijn vader vastgesteld dat diens boedel ten dele was verdwenen en dat zijn zuster contacten had met de buren omtrent de verkoop van de woning van zijn vader. Na bezwaren van zijn kant daarover, werd hij door zijn zuster en zijn moeder naar de PAAZ-afdeling gebracht, alwaar men hem, ondanks aandringen van zijn zuster, niet wilde opnemen. De man concludeert dat het de bedoeling van zijn zuster en zijn moeder was dat zijn aandeel in de nalatenschap van zijn vader niet bij hem terecht zou komen.
De man wenst in plaats van een bewindvoerder een vereffenaar (ex artikel 4:211 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW)) te laten benoemen.

3.3.1.

Nadat ter zitting is besproken dat de kantonrechter, hoewel om een ondercuratelestelling was verzocht, ambtshalve een bewind over het aandeel in de nalatenschap van de man mag bepalen, heeft de advocaat van de man ter zitting de hierop betrekking hebbende grief ingetrokken, zodat deze geen verdere bespreking behoeft.

3.4.

De zuster geeft in het verweerschrift - kort samengevat - het volgende aan.

Wegen zijn psychische gesteldheid - de man lijdt aan schizofrenie en is ernstig psychotisch - weigerde de man zijn medewerking te verlenen aan de vereffening van de nalatenschap van hun beider vader, bestaande uit onder andere een woning en een aanzienlijke beleggingsportefeuille met een zeer hoog risicoprofiel waarin zich complexe optieconstructies bevinden. De man laat na aan te tonen dat de kantonrechter ten aanzien van zijn geestelijke of lichamelijke toestand een onjuiste voorstelling van zaken heeft gehad. Hij schetst in hoger beroep een te positief beeld van zijn gezondheid en de voorafgaande ziektehistorie, zonder daarvan (medisch) bewijs te leveren. Dit is kenmerkend voor de wijze waarop de man zijn ziekte doormaakt in slechtere periodes: ontkenning van de ziekte en structurele overschatting van zijn eigen kunnen en kennen.

De zuster heeft zich in de periode van 23 oktober 2014 tot eind januari 2015 zo goed mogelijk gedragen als zaakwaarnemer ter behoud van de nalatenschap en ter beperking van schade aan de nalatenschap, zoals ook blijkt uit de boedelbeschrijving en onderschreven is door de bewindvoerder. Voor de benoeming van een vereffenaar in plaats van een bewindvoerder is in hoger beroep geen plaats.

3.5.

De bewindvoerder voert in voormelde brief d.d. 3 augustus 2015, kort samengevat, aan dat zowel de man als de zuster bij aanvang een ander beeld had van het te voeren beleid van het bewind, waardoor de bewindvoerder zich voortdurend in een driestrijd bevindt tussen de man, de zuster en het kanton Limburg. Partijen zijn het op nagenoeg alle facetten van de afwikkeling niet met elkanders visie eens. In de periode van het bewind is het de bewindvoerder niet gelukt om het vertrouwen van de man te winnen.

3.6.

Het hof overweegt het volgende.

3.6.1.

Het hof zal het verzoek van de man tot benoeming van een vereffenaar, nu dit verzoek door de man voor het eerst in appel is gedaan, afwijzen.

3.6.2.

Indien een meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand kan de kantonrechter een bewind instellen over een of meer van de goederen, die hem als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren (artikel 1:431 lid 1 onder a BW).

De kantonrechter kan, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat, het bewind ambtshalve opheffen (artikel 1:449 lid 2 BW)

3.6.3.

Het hof is van oordeel dat de kantonrechter terecht en op goede gronden, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, (i) voldoende aannemelijk heeft geacht dat de man, in elk geval tijdelijk, niet in staat was zijn vermogensrechtelijke belangen ten aanzien van zijn aandeel in de nalatenschap van zijn vader, overleden op 10 oktober 2014, behoorlijk waar te nemen en (ii) dit aandeel onder bewind heeft gesteld.

Dit leidt er toe dat het verzoek in hoger beroep van de man om de beschikking van de kantonrechter te vernietigen dient te worden afgewezen en de beschikking van de kantonrechter in zoverre in stand blijft.

Inmiddels is er enige tijd sinds de uitspraak van de kantonrechter verstreken. Blijkens de door de man overgelegde verklaring van [psychiater] , psychiater, d.d. 8 augustus 2015, is er op de datum van onderzoek, te weten 22 juli 2015, geen sprake van een psychotische stoornis, dan wel een ander psychiatrisch toestandsbeeld en is de huidige medicatie en de structuur van het leven van de man voldoende om voor een langdurige stabiliteit zorg te dragen. De heer [psychiater] verklaart vanuit psychiatrisch oogpunt dat de man in staat is om zijn financiële belangen te behartigen, ook ten aanzien van zijn erfenis. Hoewel het hof, mede gezien de stellingnamen van de man, zoals hij deze ook ter zitting van het hof naar voren heeft gebracht, aanneemt dat het voor partijen niet eenvoudig zal zijn gezamenlijk tot beslissingen te komen aangaande de nalatenschap van hun beider vader, bestaat er thans, gelet op de verklaring van de heer [psychiater] , onvoldoende grond voor het bewind. Het hof neemt daarbij ook in aanmerking dat de man al sinds jaren rond komt van een kleine WAO-uitkering en zijn eigen daarmee samenhangende financiële aangelegenheden kennelijk naar behoren regelt en er tot aan het moment van overlijden van zijn vader geen reden was om tot een beschermingsmaatregel over te gaan.

3.7.

Op grond van het vorenstaande zal het hof met ingang van de datum van deze beschikking het bewind opheffen.

Proceskosten

3.8.

De zuster heeft verzocht de man in de proceskosten te veroordelen omdat hij, wetende dat de vereffening van de nalatenschap reeds bijna geheel is voltooid en de door haar en de bewindvoerder genomen beslissingen onomkeerbaar zijn, geen enkel belang heeft bij deze procedure.

3.8.1.

Uit de hierna te volgen beslissing, waarbij de man deels in het gelijk wordt gesteld en het gegeven dat de nalatenschap nog niet in zijn geheel is afgewikkeld, volgt dat de man belang heeft bij de uitkomst van deze procedure. Het hof zal gezien de aard van de procedure de proceskosten in hoger beroep compenseren.

4 De beslissing

Het hof:

wijst af het verzoek in hoger beroep van de man tot vernietiging van de bestreden beschikking;

heft op met ingang van de datum van deze beschikking het bewind over het aandeel van de man in de nalatenschap van zijn vader, de heer [de vader van de man] , overleden op 10 oktober 2014;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, J.H.J.M Mertens-Steeghs en E.A.M. Scheij en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2015.