Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4347

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-10-2015
Datum publicatie
28-10-2015
Zaaknummer
HD 200.165.620_01
Rechtsgebieden
Europees civiel recht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

tussentijds appel, toepasselijk recht, artikel 4 EVO

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2016, afl. 1, p. 32
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.165.620/01

arrest van 27 oktober 2015

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. T. Dohmen te Valkenburg,

tegen

[geïntimeerde] t.h.o.d.n. [naam] ,

wonende te [woonplaats] , België,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. E.H.J. van der Heijden te Maastricht,

op het bij exploot van dagvaarding van 10 februari 2015 ingeleide hoger beroep van het tussenvonnis van de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 17 december 2014, gewezen tussen [appellant] als gedaagde in verzet en [geïntimeerde] als eiser in verzet in vervolg op een verstekvonnis van genoemde kantonrechter van 28 mei 2014 tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als niet verschenen gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 3301449 \ CV EXPL 14-8645)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. [appellant] heeft in augustus 2002 van de familie [opdrachtgever] de opdracht gekregen om een natuurstenen tegelvloer aan te leggen in de woning van [opdrachtgever] in [plaats 1] .

  2. [appellant] heeft dit werk in onderaanneming uitbesteed aan [geïntimeerde] in privé.

  3. [appellant] leverde de natuursteen en [geïntimeerde] heeft de vloer gelegd in de woning van [opdrachtgever] . Partijen hebben hiertoe een mondelinge overeenkomst gesloten. Zij hebben destijds slechts een meterprijs afgesproken en wat verder vakgebruikelijk is.

  4. Begin 2013 zijn [appellant] en [geïntimeerde] samen gaan kijken bij de vloer van [opdrachtgever] , nadat [appellant] [geïntimeerde] er van op de hoogte had gebracht dat [opdrachtgever] had geklaagd over de vloer. [appellant] heeft uiteindelijk de vloer opnieuw vast laten zetten en voegen door een derde.

3.2.1.

[appellant] heeft in de verstekprocedure gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde] en [naam] BVBA te veroordelen om aan [appellant] te voldoen ten titel van schadevergoeding een bedrag van € 12.000,-, alsmede een bedrag van € 1.425,- ten titel van schadevergoeding, een bedrag van € 575,01 ten titel van onderzoekskosten en een bedrag van € 895,- ten titel van buitengerechtelijke incassokosten, alle bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 25 oktober 2013 en [geïntimeerde] c.s. te veroordelen in de kosten van de procedure en nakosten.

3.2.2.

Bij verstekvonnis van de rechtbank Limburg van 28 mei 2014 zijn de vorderingen van [appellant] toegewezen met dien verstande dat de rente over de buitengerechtelijke kosten is toegewezen vanaf de dag der dagvaarding en de nakosten zijn toegewezen tot een bedrag van € 100,- te vermeerderen, indien de betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van de betekening van het vonnis.

3.2.3.

[geïntimeerde] c.s. vorderen in het verzet dat het verstekvonnis wordt vernietigd en dat de vorderingen van [appellant] alsnog worden afgewezen met veroordeling van [appellant] in de proceskosten en nakosten. Zij hebben hieraan primair ten grondslag gelegd dat [appellant] een overeenkomst met [geïntimeerde] in privé heeft gesloten en dat Belgisch recht van toepassing is op deze overeenkomst. Naar Belgisch recht is de vordering inmiddels verjaard, aldus [geïntimeerde] .

3.2.4.

[appellant] heeft gevorderd voor recht te verklaren dat het Nederlands recht van toepassing is op de onderhavige rechtsverhouding tussen partijen.

3.3.

De kantonrechter heeft bij het beroepen vonnis overwogen dat Belgisch recht van toepassing is en in de beslissing omtrent de toepasselijkheid van Belgisch recht aanleiding gezien de mogelijkheid van tussentijds hoger beroep tegen dat vonnis open te stellen.

3.4.

[appellant] heeft in hoger beroep één grief aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank dat Belgisch recht van toepassing is op de rechtsverhouding tussen [appellant] en [geïntimeerde] . [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis, te verklaren voor recht dat Nederlands recht van toepassing is in het geschil met [geïntimeerde] en [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten te vermeerderen met de nakosten.

3.5.

Zijn stelling dat op de overeenkomst Nederlands recht van toepassing is, onderbouwt [appellant] als volgt. De vraag welk recht van toepassing is op de overeenkomst tussen [appellant] en [geïntimeerde] wordt beheerst door het Verdrag van de EEG inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome, 19 juni 1980; hierna: het EVO). Uit de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) van 6 oktober 2009, C-133/08 inzake Inter Container Frigo/Balkenende volgt dat krachtens het EVO op de overeenkomst het recht moet worden toegepast van het land waarmee de overeenkomst het nauwst is verbonden en dat bij de beantwoording van de vraag met welk land de overeenkomst het nauwst is verbonden het vermoeden van artikel 4 lid 2 EVO slechts geldt in de grensgevallen, waarin niet duidelijk blijkt met welk land de overeenkomst het nauwst is verbonden. In dit geval is er, gezien de door [appellant] opgesomde feiten en omstandigheden, geen sprake van een grensgeval, maar is de overeenkomst het nauwst verbonden met Nederland, zodat Nederlands recht van toepassing is. Voor toepassing van het vermoeden van artikel 4 lid 2 EVO is dus geen aanleiding, aldus [appellant] .

3.6.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.7.

Het hof overweegt als volgt.

3.7.1.

Aangaande de bevoegdheid van de Nederlandse rechter geldt het navolgende.
De Brussel I- Verordening (EEX-Vo, 44/2001/EG) blijft ingevolge artikel 66 lid 2 Brussel I-bis Vo (Herschikte EEX-Vo) temporeel van toepassing ook op het na 10 januari 2015 ingestelde hoger beroep van de beslissing van de rechtbank van 17 december 2014, nu voorts zowel appellant als geïntimeerde in een verschillende lidstaat van de Europese Unie zijn gevestigd en dit ook ten tijde van de aanvang van de procedure in eerste aanleg waren.
Het hoger beroep betreft immers “een beslissing gegeven inzake rechtsvorderingen die zijn ingesteld vóór 10 januari 2015 en die onder die verordening [zijnde Brussel-I Vo] vallen” als bedoeld in artikel 66 lid 2 voornoemd. Voor een nader onderzoek naar de hoedanigheid van [geïntimeerde] als bedoeld in artikel 26 lid 2 Brussel I-bis Vo is dan ook geen grond.

Evenals de kantonrechter is het hof voorts van oordeel dat de Nederlandse rechter en meer specifiek het bevoegde gerecht te Maastricht (en in hoger beroep dit hof) op grond van artikel 5 aanhef en lid 1 sub a en sub b van de Brussel I-Verordening bevoegd is kennis te nemen van het geschil, aangezien [geïntimeerde] kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar de overeenkomst, die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd. De plaats van uitvoering van de dienst, het leggen van de tegelvloer, is [plaats 1] . Bovendien heeft [geïntimeerde] door te verschijnen en op het punt van de bevoegdheid geen verweer te voeren ingevolge artikel 24 Brussel I –Vo de bevoegdheid van de hiervoor genoemde Nederlandse rechter aanvaard.

3.7.2.

Aan de vordering ligt een overeenkomst ten grondslag. Deze is gesloten in augustus 2002. Het op de vordering toepasselijke recht dient derhalve te worden bepaald aan de hand van het EVO. Van een rechtskeuze als bedoeld in artikel 3 van het EVO blijkt niet.

Ingevolge artikel 4 lid 1 van het EVO wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waarmee zij het nauwst is verbonden. Dit is – zo wordt in artikel 4 lid 2 van het EVO vermoed – het recht van het land waar de partij, die de kenmerkende prestatie moest verrichten, op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst haar gewone verblijfplaats had, dan wel – wanneer het een vennootschap, vereniging of rechtspersoon betreft – haar hoofdbestuur heeft.

Partijen zijn het er over eens dat de kenmerkende prestatie bestond uit het leggen van een natuurstenen tegelvloer in de woning van [opdrachtgever] in [plaats 1] . De kenmerkende prestatie diende te worden verricht door [geïntimeerde] , op dat moment zijn gewone verblijfplaats hebbende in België, zodat op grond van artikel 4 lid 2 van het EVO Belgisch recht op de rechtsverhouding tussen partijen van toepassing is.

3.7.3.

Ingevolge artikel 4 lid 5 tweede volzin van het EVO geldt het vermoeden van lid 2 niet wanneer uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de overeenkomst nauwer is verbonden met een ander land.


Naar aanleiding van prejudiciële vragen gesteld door de Hoge Raad heeft de grote kamer van het Hof van Justitie in het arrest van 6 oktober 2009, C-133/08 inzake Inter Container Frigo/ Balkenende onder meer als volgt geoordeeld:

“59 Uit het rapport Giuliano en Lagarde vloeit aldus voort dat artikel 4, lid 5, van het verdrag tot doel heeft tegenwicht te bieden aan het stelsel van vermoedens van dit artikel, door de vereisten van rechtszekerheid, waaraan artikel 4, leden 2 tot en met 4, beantwoordt, en de noodzaak van een zekere soepelheid bij de bepaling van het recht dat daadwerkelijk de nauwste band met de betrokken overeenkomst heeft, met elkaar te verzoenen.

60 Aangezien het hoofddoel van artikel 4 van het verdrag er immers in bestaat ervoor te zorgen dat op de overeenkomst het recht wordt toegepast van het land waarmee zij het nauwst is verbonden, moet artikel 4, lid 5, in die zin worden uitgelegd dat het de rechter toestaat in alle situaties het criterium toe te passen waarmee het bestaan van dergelijke banden kan worden aangetoond, onder afwijking van de ‘vermoedens’ indien deze niet het land aanwijzen waarmee de overeenkomst het nauws is verbonden.

61 Derhalve moet worden vastgesteld of deze vermoedens enkel niet gelden wanneer zij geen reële aanknopingswaarde hebben dan wel ook reeds wanneer de rechter vaststelt dat de overeenkomst nauwer is verbonden met een ander land.

62 Blijkens de letterlijke bewoordingen en het doel van artikel 4 van het verdrag moet de rechter steeds op basis van die vermoedens, die beantwoorden aan het algemene vereiste van voorzienbaarheid van het recht en dus van rechtszekerheid in de contractuele verhoudingen, bepalen welk recht toepasselijk is.

63 Wanneer echter uit het geheel der omstandigheden duidelijk blijkt dat de overeenkomst nauwer is verbonden met een ander land dan het land dat wordt aangewezen op basis van de in artikel 4, leden 2 tot en met 4, van het verdrag genoemde vermoedens, staat het aan die rechter om dat artikel 4, leden 2 tot en met 4, buiten toepassing te laten.

64 Gelet op een en ander dient op de vijfde vraag te worden geantwoord dat artikel 4, lid 5, van het verdrag in die zin moet worden uitgelegd dat wanneer uit het geheel der omstandigheden duidelijk (onderstreping: hof) blijkt dat de overeenkomst nauwer is verbonden met een ander land dan het land dat wordt bepaald op basis van een van de criteria van artikel 4, leden 2 tot en met 4, van het verdrag, de rechter die criteria buiten toepassing dient te laten en het recht dient toe te passen van het land waarmee die overeenkomst het nauwst is verbonden.”

3.7.4.

Gezien hetgeen in rov. 62 en 63 van het arrest van het Hof van Justitie is opgenomen geeft [appellant] een onjuiste uitleg aan het arrest van het Hof van Justitie door te stellen dat alleen in grensgevallen het vermoeden uit de leden 2 tot en met 4 dient te worden gevolgd. Ook de uitleg van voornoemd arrest door [geïntimeerde] is onjuist waar hij stelt dat alleen aan lid 5 toegekomen wordt indien op basis van de vermoedens van de leden 2 tot en met 4 geen land wordt aangewezen waarmee de overeenkomst het nauwst verbonden is.

3.7.5.

Het hof zal hierna beoordelen of uit het geheel der omstandigheden duidelijk blijkt dat de overeenkomst nauwer is verbonden met Nederland dan België, het land dat op basis van lid 2 van artikel 4 van het verdrag is aangewezen. [appellant] heeft de navolgende – niet betwiste – omstandigheden naar voren gebracht:

  1. de hoofdopdrachtgever, de familie [opdrachtgever] , is woonachtig in Nederland;

  2. de hoofdaannemer, [appellant] , is gevestigd in Nederland;

  3. onderdeel van de aan [appellant] gegeven opdracht betreft het leggen van een natuurstenen tegelvloer in de woning van de familie [opdrachtgever] in Nederland;

  4. andere onderdelen van het werk, waaronder een deel van de plinten, toiletwanden en andere afwerkingen zijn uitgevoerd door [appellant] ;

  5. [appellant] heeft het leggen van de natuurstenen tegelvloer uitbesteed aan [geïntimeerde] ;

  6. [geïntimeerde] was ten tijde van de totstandkoming en uitvoering van de overeenkomst woonachtig in België, alwaar hij zijn gewone verblijfplaats had;

  7. de natuursteen voor de door [geïntimeerde] te leggen tegelvloer is door [appellant] in Nederland bij de familie [opdrachtgever] in Nederland geleverd;

  8. de uitvoering van de overeenkomst heeft plaatsgevonden in de woning van de familie [opdrachtgever] in Nederland;

  9. [appellant] en [geïntimeerde] hebben elkaar ontmoet op een werk te [plaats 2] , welk werk door zowel [appellant] als [geïntimeerde] werd uitgevoerd voor een andere firma. [geïntimeerde] plaatste de bij dat werk door [appellant] geleverde granieten vloer;

  10. de basis van de opdracht is in Nederland, tijdens de uitvoering van een werk voor een Nederlandse opdrachtgever, tot stand gekomen;

  11. [geïntimeerde] is bij [opdrachtgever] in Nederland geweest om het werk op te nemen en om een offerte uit te brengen.

Dat de finetuning en dagelijkse afspraken in het werk gedaan werden door de familie [opdrachtgever] en [geïntimeerde] onderling wordt door [geïntimeerde] betwist.

3.7.6.

Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat de door [appellant] geschetste omstandigheden geen aanleiding geven om van het rechtsvermoeden van artikel 4 lid 2 EVO af te wijken.

De wetgever heeft in het verdrag bepaald dat vermoed wordt dat de overeenkomst het nauwst is verbonden met het land waar de contractant woont die de meest kenmerkende prestatie moet verrichten. Die omstandigheid wordt door de wetgever zwaarder gewogen dan de plaats waar de karakteristieke prestatie moet worden verricht. In het kader van lid 3 van artikel 4 EVO (overeenkomsten met betrekking tot onroerend goed) wordt in het Rapport Giuliano en Lagarde (pagina 21) opgemerkt: “Tenslotte dient tevens te worden beklemtoond dat overeenkomsten tot het bouwen of herstellen van onroerend goed niet onder het derde lid vallen. Het voornaamste onderwerp van een dergelijke overeenkomst is immers niet het onroerend goed zelf, doch weleer zijn dat de bouw- en herstellingswerkzaamheden”. Oftewel: de plaats van uitvoering van bouwwerkzaamheden werd bewust niet als rechtsvermoeden gehanteerd.

De omstandigheid dat de vloer moest worden gelegd in Nederland – de kenmerkende prestatie – is op zichzelf derhalve niet voldoende om van het rechtsvermoeden van artikel 4 lid 2 EVO af te wijken. De meeste door [appellant] genoemde feiten hangen hiermee samen (de opdrachtgever woont in Nederland, de tegels zijn in Nederland bij de familie [opdrachtgever] geleverd, de overeenkomt is in Nederland uitgevoerd, het was onderdeel van een grotere opdracht in Nederland) en kunnen derhalve niet bijdragen aan het afwijken van het rechtsvermoeden. Wat resteert is dat partijen elkaar in Nederland hebben ontmoet, hetgeen onvoldoende is om in afwijking van het rechtsvermoeden te concluderen dat de overeenkomst het nauwst met Nederland is verbonden. Het beroep op artikel 4 lid 5 EVO faalt. Aldus is op de overeenkomst tussen partijen Belgisch recht van toepassing.

3.8.

Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van hoger beroep veroordelen. [geïntimeerde] heeft daarnaast veroordeling van [appellant] gevorderd in de proceskosten in eerste aanleg. Daartoe zal het hof niet overgaan nu de zaak naar de kantonrechter wordt verwezen voor verdere behandeling van het geschil en niet vooruit gelopen dient te worden op de uitkomst van die procedure.

3.9.

Gelet op het voorgaande dient het beroepen vonnis te worden bekrachtigd en dient op navolgende wijze te worden beslist.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het beroepen vonnis;

verwijst de zaak naar de kantonrechter ter verdere behandeling van het geschil;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op € 311,- aan verschotten en op € 894,- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.T. Begheyn, R.R.M. de Moor en J.J. Verhoeven en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 27 oktober 2015.

griffier rolraad