Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4259

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-10-2015
Datum publicatie
26-10-2015
Zaaknummer
F 200 161 760_01 & F 200 161 465_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

partneralimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 22 oktober 2015

Zaaknummers: F 200.161.465/01 en F 200.161.760/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/273145 / FA RK 14-43

in de zaken in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in zaak F 200.161.465/01,

verweerster in zaak F 200.161.760/01,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J. Klopstra.

t e g e n

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in zaak F 200.161.760/01,

verweerder in zaak F 200.161.465/01,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. J.J.M.H. Stevens,

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 23 september 2014.

2 De gedingen in hoger beroep

F 200.161.465/01

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 17 december 2014, heeft de vrouw verzocht de bestreden beschikking te vernietigen uitsluitend voor zover het de partneralimentatie betreft en, opnieuw rechtdoende, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud vast te stellen op € 5.000,= per maand met ingang van de datum van indiening van het verzoek in eerste aanleg, althans dat het hof een zodanige bijdrage vastlegt met ingang van een zodanige datum die het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 29 januari 2015, heeft de man verzocht de vrouw in haar hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar dit te ontzeggen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, voor wat betreft de onderdelen die de vrouw heeft bestreden.

F 200.161.760/01

2.3.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 22 december 2014, heeft de man verzocht voormelde beschikking partieel te vernietigen voor zover deze ziet op:

  1. de berekening van het gemiddeld inkomen van de man over de jaren 2011, 2012 en 2013 alsmede

  2. de daaraan gekoppelde berekening van de behoefte van de vrouw;

en, opnieuw rechtdoende, op dit punt te beslissen dat het gemiddelde bruto jaarinkomen van de man over de jaren 2011, 2012 en 2013 een bedrag van € 124.857,88 bedraagt, als ook dat dit resulteert in een netto besteedbaar inkomen van de man à € 5.755,01, hetgeen op zijn beurt resulteert in een behoefte aan de zijde van de vrouw ten bedrage van € 2.733,01 netto per maand.

2.4.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 2 februari 2015, heeft de vrouw verzocht de man in zijn beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans de verzoeken van de man af te wijzen.

Voeging

2.5.

Bij zijn verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 29 januari 2015, heeft de man tevens verzocht de zaken onder nrs. F 200.161.760/01 en F 200.161.465/01 gevoegd te behandelen. Een dergelijk verzoek is eveneens gedaan door de vrouw bij V8-formulier, ingediend ter griffie op 30 januari 2015.

2.6.

Gelet op de bijzondere verknochtheid van beide zaken, heeft het hof voeging daarvan gelast, opdat zij gezamenlijk zullen worden behandeld en dat er in één beschikking op zal worden beslist.

2.7.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 september 2015. Bij die gelegenheid zijn partijen, bijgestaan door hun advocaten, gehoord.

2.8.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 19 augustus 2014;

  • -

    de V-formulieren d.d. 28 augustus 2015 en 8 september 2015 met bijlagen van de advocaat van de vrouw;

  • -

    het V-formulier d.d. 2 september 2015 met bijlagen van de advocaat van de man.

3 De beoordeling

in beide zaken

3.1.

Partijen zijn op 3 juni 1991 met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn geboren:

- [jongmeerderjarige] (hierna: [jongmeerderjarige] ), op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ;

- [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] .

[jongmeerderjarige] woont zelfstandig en [minderjarige] woont bij de man.

3.2.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 25 november 2014 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Voorts is bij deze beschikking, voor zover thans relevant, een partneralimentatie vastgesteld van € 2.264,= per maand met ingang van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand.

3.3.

Partijen kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

Ingangsdatum

3.4.

De ingangsdatum van de onderhoudsbijdrage, zijnde de datum waarop de echtscheiding wordt ingeschreven in de daartoe bestemde registers, is tussen partijen niet in geschil, zodat ook het hof die datum als uitgangspunt zal nemen.

Het hoger beroep van de man (F 200.161.760/01).

3.5.1.

Het appel van de man heeft betrekking op de door de rechtbank becijferde huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw ad € 3.354,60 netto per maand. De man kan zich er niet mee verenigen dat de rechtbank ter becijfering hiervan zijn gemiddelde inkomen over de jaren 2011, 2012 en 2013 als uitgangspunt heeft genomen. In het jaar 2011 was er sprake van een uitschieter vanwege incidentele inkomsten en volgens de man dienen deze inkomsten voor de berekening van de behoefte van de vrouw buiten beschouwing te blijven.

De vrouw verweert zich en stelt dat de behoefteberekening, zoals deze door de rechtbank is genomen, een juiste is geweest.

Het hof overweegt als volgt

3.5.2.

Het hof stelt voorop dat de man met zijn ingestelde hoger beroep geen wijziging van het dictum van de bestreden beschikking nastreeft. Ter zitting van het hof heeft de man toegelicht dat hij de hoogte van de vastgestelde partneralimentatie ad € 2.264,= per maand pijnlijk vindt, maar dat hij er, hetzij met de nodige moeite, mee kan instemmen. De man beoogt met zijn appel uitsluitend de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw, door de rechtbank becijferd op € 3.354,60 netto per maand, aan te tasten.

Het hof is echter, anders dan de man, van oordeel dat in zaken als de onderhavige de door de rechtbank – niet in het dictum – gegeven oordelen over de feiten en omstandigheden die de behoefte en draagkracht betreffen en die aan een alimentatiebeslissing ten grondslag liggen geen gezag van gewijsde toekomt, zodat het verzoek van de man een rechtens te respecteren belang ontbeert (vergelijk HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2109) Nu de man verder ook geen wijziging van het dictum in de bestreden beschikking beoogt, ontbeert het verzoek van de man in appel een rechtens te respecteren belang. Het hof zal het hoger beroep van de man dan ook afwijzen.

Het hoger beroep van de vrouw (F 200.161.465/01)

3.6.1.

De vrouw stelt dat de man over meer draagkracht beschikt dan door de rechtbank is becijferd en zij verzoekt het hof een partneralimentatie vast te stellen van € 5.000,= per maand.

inkomen van de man

3.6.2.

De vrouw voert aan dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van de actuele inkomsten van de man. De vrouw is van mening dat eerder genoten inkomsten in het kader van de gebruikelijke middeling over drie jaren voorafgaande aan het bepalen van de omvang van het genoten inkomen aan de zijde van de alimentatieplichtige dient te worden betrokken op de wijze zoals door de vrouw is gesteld. De rechtbank had de uitkering van de opties/aandelen ad € 200.000,= moeten middelen over de jaren waarop deze regelingen hebben gelopen (tien jaren) en vervolgens aldus bij het inkomen van de man moeten optellen, zeker voor zover het de drie jaren voorafgaande aan de datum van het verzoek tot partneralimentatie betreft.

De man verweert zich en stelt dat de vrouw ten onrechte suggereert dat de werkgever bedrijfsopties bovenop het gewone salaris aan werknemers zou toekennen als ware dit een bonus of een ander salariscomponent. Integendeel: de man heeft steeds moeten betalen voor de opties. Het gevolg hiervan is dat aan de man in 2011 incidenteel € 77.715,= is uitgekeerd. Van middeling, zoals de vrouw wenst, is in het onderhavige geval geen sprake, nu de man geen zelfstandig ondernemer is, maar uitsluitend werkzaam is in loondienst.

Het hof overweegt als volgt

3.6.3.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden die het hof overneemt en tot de zijne maakt het actuele inkomen van de man, zijnde een totaal loon van € 126.614,= bruto per jaar, als uitgangspunt heeft genomen. In tegenstelling tot wat de vrouw aanvoert, acht het hof het niet reëel om uit te gaan van een draagkracht gebaseerd op het gemiddelde inkomen van de man over de jaren 2011, 2012 en 2013, nu de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er in het jaar 2011 sprake was van een financiële meevaller vanwege incidentele inkomsten uit optierechten. Dit geldt temeer nu uit de inhoud van de stukken is gebleken dat de man de afgelopen jaren, met uitzondering van 2011, en ook thans, een jaarsalaris heeft verdiend vergelijkbaar met het bedrag waarvan de rechtbank is uitgegaan.

De eerste grief van de vrouw faalt.

Aftrekpost € 1.200,= per maand ten behoeve van [minderjarige] en [jongmeerderjarige]

3.6.4.

De vrouw stelt dat de rechtbank bij becijfering van de draagkracht van de man ten onrechte rekening heeft gehouden met de last van € 1.200,= per maand aan kosten die de man maakt ten behoeve van de twee meerderjarige dochters van partijen. [minderjarige] woont bij de man in en de man heeft als aftrekpost voor een inwonend minderjarig kind de bijstandsnorm zoals deze voor een éénoudergezin geldt. Door additioneel een bedrag van € 600,= per maand voor het inwonend kind als aftrekpost mee te wegen, dicht de rechtbank aan de man een zodanige extra aftrekpost van € 600,= toe dat zij voorbijgaat aan hetgeen in algemene zin als juist is te aanvaarden. Ten aanzien van de kosten van [jongmeerderjarige] , stelt de vrouw dat deze eveneens buiten beschouwing dienen te worden gelaten, nu de man deze kosten niet daadwerkelijk maakt.

De man verweert zich en stelt dat zowel [minderjarige] als [jongmeerderjarige] studeren en dat de kosten voor hun levensonderhoud en studie niet uit een studiebeurs kunnen worden gedragen. Het is de man die deze kosten volledig voor zijn rekening neemt. De man betwist verder dat hem een extra aftrekpost is toegedicht. Hij voert tot slot aan dat hij op structurele basis betalingen verricht aan [jongmeerderjarige] .

Het hof overweegt als volgt

3.6.5.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank bij becijfering van de draagkracht van de man terecht rekening heeft gehouden met de bijstandsnorm voor een alleenstaande, zoals genoegzaam blijkt uit de bestreden beschikking.

Voorts is het hof van oordeel dat de rechtbank terecht een bedrag van € 1.200,= per maand

(€ 600,= ten behoeve van [minderjarige] en € 600,= ten behoeve van [jongmeerderjarige] ) ten laste heeft gebracht van de draagkracht van de man.

Voor het jongste kind van partijen, de studerende [minderjarige] , heeft te gelden dat partijen in het echtscheidingsconvenant zijn overeengekomen dat zij een behoefte heeft van € 600,= per maand. Gesteld noch gebleken is dat de vrouw daar ook maar op enige wijze aan bijdraagt, hetgeen impliceert dat de behoefte van [minderjarige] volledig door de man wordt gedragen. Het enkele feit dat de man niet concreet, door middel van een uitgavenlijstje, heeft aangetoond op welke wijze de € 600,= per maand ten goede komt van [minderjarige] , doet daar niets aan af, nu onomstotelijk vaststaat dat de man de enige ouder is die zijn financiële verantwoordelijkheid neemt voor [minderjarige] , temeer nu [minderjarige] bij de man inwoont, zodat de kosten voor [minderjarige] hiermee zonder meer voor rekening van de man komen.

Ten aanzien van de kosten van de eveneens studerende [jongmeerderjarige] , overweegt het hof als volgt. Nu partijen omtrent de studie van [jongmeerderjarige] geen stukken hebben overgelegd, zal het hof in redelijkheid uitgaan van de WSF-norm van een uitwonende WO/HBO student waarmee partijen ter zitting hebben ingestemd en welke behoefte in 2015 gesteld kan worden op € 726,81 per maand (€ 1.012,96 verminderd met de basisbeurs van € 286,15) indien de student onder het oude systeem van studiefinanciering valt en een bedrag van € 1.016,71 per maand indien de student onder het nieuwe systeem van studiefinanciering valt. Ter zitting van het hof is gebleken dat [jongmeerderjarige] een bijbaantje heeft waarmee zij gemiddeld € 200,= per maand verdient, maar dat deze inkomsten tijdelijk zijn stopgezet, omdat [jongmeerderjarige] thans enkele maanden in Spanje verblijft en geen bijverdiensten genereert. Het hof stelt de bijverdiensten van [jongmeerderjarige] op gemiddeld € 150,= per maand.

Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 1:392 juncto 1:395a van het Burgerlijk Wetboek (BW) een verlengde onderhoudsplicht voor ouders jegens hun jongmeerderjarige kinderen van 18 tot 21 jaar geldt, ongeacht hun behoeftigheid. Alleen indien sprake is van substantiële (bij)verdiensten, wordt met deze eigen inkomsten bij de behoeftebepaling rekening gehouden. Het hof acht het redelijk om de eigen inkomsten van [jongmeerderjarige] , nu deze niet meer bedragen dan 25% van haar totale behoefte, buiten beschouwing te laten. Het hof is dan ook van oordeel dat er in ieder geval ook ten behoeve van [jongmeerderjarige] een behoefte resteert van ten minste € 600,= per maand, waarvan vast staat dat de man in deze kosten voorziet, nu de vrouw – ook ten behoeve van [jongmeerderjarige] – hierin niet bijdraagt. De man heeft naar het oordeel van het hof verder voldoende aannemelijk gemaakt dat hij ook daadwerkelijk

€ 600,= per maand voldoet in de kosten van levensonderhoud en studie van [jongmeerderjarige] .

Hiermee falen tenslotte ook de tweede en de derde grief van de vrouw.

3.6.6.

Ten overvloede merkt het hof nog op dat nu de grieven van de vrouw, welke betrekking hadden op de draagkracht van de man, falen, het hof aan het verweer van de man met betrekking tot de behoefte van de vrouw niet meer toekomt.

Conclusie

3.7.

Nu zowel het ingestelde hoger beroep van de man als van de vrouw faalt, ligt de bestreden beschikking voor bekrachtiging gereed.

4 De beslissing

Het hof:

in de zaken F 200.161.465/01 en F 200.161.760/01:

bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, E.A.M. Scheij en A.M.M. Hompus en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2015.