Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4257

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-10-2015
Datum publicatie
26-10-2015
Zaaknummer
F 200 175 795_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

gesloten uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Integraal jeugdbeleid 2019/687
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 22 oktober 2015

Zaaknummer : F 200.175.795/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/303317 / JE RK 15-1568

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

thans opgenomen en verblijvende in de gesloten accommodatie Icarus te [vestigingsplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. R.T.A.G. Keller,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest-Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

  • -

    [de moeder] en [de vader] (hierna te noemen: de ouders, respectievelijk de moeder en de vader);

  • -

    Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, de gecertificeerde instelling (hierna: de GI).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 19 augustus 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 31 augustus 2015, heeft [appellant] verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

primair: de raad niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek;

subsidiair: het verzoek van de raad af te wijzen als zijnde ongegrond c.q. onbewezen;

meer subsidiair: de duur van de machtiging gesloten jeugdhulp te beperken tot de datum waarop de beschikking in hoger beroep wordt gegeven.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 16 september 2015, heeft de GI verzocht het hoger beroep van [appellant] af te wijzen met bekrachtiging van de besteden beschikking.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 september 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    [appellant] , bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de raad] ;

  • -

    de ouders van [appellant] , bijgestaan door een (niet geregistreerde) tolk, mevrouw E. Elouan Saïdi, ambulant hulpverlener van de stichting Kompaan/De Bocht, ten behoeve van de moeder;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door de gezinsvoogd, de heer [vertegenwoordiger van de stichting] .

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 19 augustus 2015.

3 De beoordeling

3.1.

Uit het huwelijk van de ouders is – voor zover hier van belang – op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] [appellant] geboren.

3.2.

Uit de inhoud van de stukken is gebleken dat [appellant] bij beschikking van 21 mei 2015 voorlopig onder toezicht is gesteld voor de duur van drie maanden en dat hij een korte periode vrijwillig uithuisgeplaatst is geweest in een open setting.

Verder is tweemaal door de rechtbank een verzoek tot gesloten plaatsing afgewezen: de eerste keer bij beschikking van 21 mei 2015 en de tweede keer op 26 juni 2015.

3.3.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank [appellant] tot 19 augustus 2016 onder toezicht gesteld en een machtiging verleend aan de GI om hem met ingang van 19 augustus 2015 tot uiterlijk 19 februari 2016 uit huis te plaatsen in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp.

3.4.

[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. In zijn beroepschrift voert hij, kort samengevat, aan dat rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de situatie thans zodanig is gewijzigd dat de raad kan worden ontvangen in zijn verzoek. [appellant] is van mening dat er ten opzichte van de eerdere verzoeken zijdens de raad en zijdens de GI geen sprake is geweest van een relevante wijziging van omstandigheden.

Verder stelt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat gebleken is dat er in het kader van de voorlopige ondertoezichtstelling onvoldoende vooruitgang is geboekt waardoor de zorgen over [appellant] onverminderd aanwezig zijn. [appellant] is niet opnieuw met politie en justitie in aanraking gekomen en hij heeft wel degelijk zijn inzet en medewerking verleend aan de hulpverlening. [appellant] is zich gaandeweg de voorlopige ondertoezichtstelling beter gaan houden aan de afspraken thuis en er is sprake van een afname van zelfbepalend gedrag. Drugsgebruik is niet aan de orde en [appellant] heeft zijn bereidheid uitgesproken om mee te werken aan urinecontroles bij Novadic-Kentron

3.5.

De GI voert in het verweerschrift, kort samengevat, aan dat de gesloten plaatsing ervoor heeft gezorgd dat het lichamelijk beter gaat met [appellant] . Bij het eerste bezoek aan de gesloten setting heeft de moeder aangegeven dat [appellant] er beter uitziet en dat hij helder uit zijn ogen kijkt. Binnen de gesloten inrichting kan [appellant] afkicken van drugs.

Verder stelt de GI dat de ouders [appellant] zijn zin geven als hij agressief wordt. De ouders zijn bang voor [appellant] en zijn de autoriteit over hem kwijt. Vanuit de gesloten setting kan gewerkt worden aan het herstel van de gezagsrelatie. De voorwaarden hiervoor zijn dat [appellant] geen drugs meer gebruikt en dat de ouders leren [appellant] op een positieve manier te begrenzen. In het verleden hebben de ouders het negatief gedrag van [appellant] steeds positief beloond waardoor zijn gedrag steeds negatiever werd.

Voorts voert de GI aan dat [appellant] op de groep goed aan te sturen is, maar dat de groepsleiding aangeeft dat de regels binnen de gesloten inrichting duidelijk zijn en dat [appellant] niet kan weglopen; thuis heeft hij die ruimte wel. Verder kan hij thuis naar zijn ‘vrienden’ gaan waarmee hij in onveilige situaties komt. [appellant] is geen leider en is beïnvloedbaar. Wanneer [appellant] loskomt van het gebruiken van drugs, kan hij gaan leren om ‘nee’ te zeggen tegen situaties die voor hem onveilig zijn, hetgeen een onderdeel vormt van zijn behandeling.

3.6.

De ouders hebben ter zitting van het hof verklaard dat zij het liefst zouden zien dat [appellant] weer thuis komt wonen, maar dat zij zich realiseren dat dit op dit moment nog niet het geval kan zijn. [appellant] moet eerst leren naar hen te luisteren, te stoppen met zijn drugsgebruik, zijn schoolgang te hervatten, niet op te trekken met een bepaalde ‘vrienden’-groep en de huisregels te accepteren: daarvan is thans nog geen sprake. De ouders vrezen een terugval indien de gesloten plaatsing op dit moment zou worden beëindigd.

3.7.

De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat er grote zorgen waren over [appellant] en dat een gesloten plaatsing de enige optie was. [appellant] doet het goed op de groep, maar er is nog een lange weg te gaan en de termijn van een half jaar

– waarvoor de machtiging is afgegeven – is volgens de raad noodzakelijk.

Het hof overweegt het volgende.

3.6.1.

Het hoger beroep van [appellant] is niet gericht tegen de ondertoezichtstelling.

3.6.2.

Ingevolge artikel 6.1.1 lid 2 Jeugdwet (hierna Jw) is de minderjarige in zaken betrekking hebbende op jeugdhulp als bedoeld in artikel 6.1.2 Jw bekwaam om in rechte op te treden.

Op die grond komt aan [appellant] een zelfstandig recht van hoger beroep toe.

3.6.3.

Op grond van het bepaalde in artikel 6.1.2 lid 1 Jw kan de rechter op verzoek een machtiging verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven.

Gelet op artikel 6.1.2 lid 2 Jw staat ter beoordeling of:

  • -

    er bij [appellant] sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren, en;

  • -

    de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat [appellant] zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.

3.6.4.

Een machtiging kan op grond van artikel 6.1.2 lid 3 JW bovendien slechts worden verleend indien (a) de jeugdige onder toezicht is gesteld, (b) de voogdij over de jeugdige bij een gecertificeerde instelling berust of (c) degene die, anders dan bedoeld onder b, de wettelijke vertegenwoordiger is, met de opneming en het verblijf instemt.

3.6.5.

Ingevolge artikel 6.1.2 lid 5 Jw kan een machtiging voorts slechts worden verleend indien het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft, of de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert of de voogdij uitoefent, heeft bepaald dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp en verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder nodig is.

Tot slot behoeft het verzoek op grond van artikel 6.1.2 lid 6 Jw de instemming van een gedragswetenschapper die de minderjarige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht.

3.6.6.

Het hof stelt vast dat is voldaan aan de formele vereisten van artikel 6.1.2 lid 3 aanhef en sub lid 5 en lid 6 Jw.

3.6.7.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de hiervoor vermelde wettelijke vereisten van artikel 6.1.2 lid 2 Jw.

3.6.8.

Het hof voegt hier nog het volgende aan toe. Uit de inhoud van de stukken is gebleken dat de 15-jarige [appellant] zich in het verleden meerdere malen, met gebruik van verbaal en fysiek geweld, heeft onttrokken aan het ouderlijk gezag en dat hij verscheidene malen crimineel gedrag heeft getoond. Voor het hof staat zonder meer vast dat er bij [appellant] sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen worden in zoverre ook door [appellant] erkend. [appellant] heeft ter zitting van het hof verklaard dat hij een paar keer in aanraking met de politie is gekomen, vanwege onder andere diefstal, heling, joyriding en bezit van een verboden wapen (een tazer). Ten aanzien van zijn drugsgebruik heeft [appellant] verklaard dat hij twee à drie keer per week blowde, maar dat hij niet meer gebruikt sinds hij in Icarus verblijft.

3.6.9.

[appellant] heeft verder ter zitting nadrukkelijk verklaard dat hij gedurende zijn verblijf op Icarus (ten tijde van de mondelinge behandeling in hoger beroep: vijf weken) tot het inzicht is gekomen en dat hij het licht heeft gezien. Hoewel [appellant] ervan overtuigd is dat de gesloten plaatsing niet langer nodig is, deelt het hof deze overtuiging niet. Het hof overweegt daartoe dat de GI ter zitting heeft verklaard dat [appellant] ook binnen Icarus de strijd opzoekt met de groepsleiding en dat hij – vergeleken met de andere jongeren – tot op heden weinig beloningen heeft verdiend op de groep, hetgeen door [appellant] niet is betwist. Volgens de GI staat [appellant] nog maar aan het begin van zijn leerproces hoe om te gaan met autoriteit en overziet hij oorzaak en gevolg van zijn eigen handelingen nog onvoldoende. Het hof is van oordeel dat er vooralsnog een te groot risico bestaat dat [appellant] bij het wegvallen van de structuur die hem binnen Icarus wordt geboden, zal terugvallen in zijn eerdere gedragsproblemen, temeer gelet op de ernst en de duur van de zorgen en het feit dat de plaatsing in een open setting in mei jl. door [appellant] eigenmachtig is beëindigd. De structuur en de veiligheid die [appellant] thans wordt geboden, acht het hof noodzakelijk met het oog op [appellant] ’s ontwikkeling. De termijn van de afgegeven machtiging tot uithuisplaatsing, zijnde een half jaar, dient door [appellant] de komende tijd te worden benut om te stabiliseren en zich verder te ontwikkelen binnen de huidige setting van de gesloten plaatsing.

3.6.10.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, M.C. Bijleveld-van der Slikke en E.L. Schaafsma-Beversluis en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2015.