Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:425

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-02-2015
Datum publicatie
29-04-2016
Zaaknummer
HD 200.105.695-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

achterstallige pensioenpremies

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.105.695/01

arrest van 10 februari 2015

in de zaak van

1 [appellante 1] V.O.F.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

2. [appellante 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

3. [appellant 3] ,
wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

advocaat: mr. C. Staudt-Bos te Eindhoven,

tegen

Stichting Bedrijfspensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de weg,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.A. Trimbach te De Meern,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 19 juni 2012 en 4 maart 2014 in het hoger beroep van het door de rechtbank 's-Hertogenbosch, sector kanton, locatie Eindhoven onder zaaknummer 787025 rolnummer 11-10419 gewezen vonnis van 5 januari 2012.

9 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 4 maart 2014;

  • -

    de akte na tussenarrest van [appellanten] van 25 maart 2014 met producties;

  • -

    de akte na tussenarrest van de Stichting van 25 maart 2014 met producties;

  • -

    de akte uitlating van de Stichting van 22 april 2014 met producties.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

10 De verdere beoordeling

10.1.

Bij genoemd tussenarrest is de Stichting in de gelegenheid gesteld de producties als genoemd in rov. 7.4. van dat arrest in het geding te brengen, terwijl [appellanten] in de gelegenheid zijn gesteld zich nader uit te laten over de producties die door de Stichting bij memorie van antwoord zijn ingebracht.

10.2.

De Stichting heeft de hier bedoelde producties in het geding gebracht, terwijl [appellanten] hebben gereageerd op de producties die bij memorie van antwoord door de Stichting in het geding waren gebracht. Zelf hebben [appellanten] daarbij ook nog producties in het geding gebracht. De Stichting heeft zich vervolgens bij akte nader uitgelaten en heeft voorts ter nadere onderbouwing van haar reactie wederom een aantal producties in het geding gebracht.

10.3.

Partijen hebben in eerste aanleg, doordat [appellanten] niet tijdig van antwoord hebben gediend, een niet geheel volwaardige procedure gevoerd, zodat deze procedure is geëindigd met in wezen een verstekvonnis. Aldus is het debat tussen partijen, dat zich concentreert op de vraag naar de omvang van de betalingsverplichtingen van [appellanten] jegens de Stichting, in wezen eerst in hoger beroep gevoerd. Gezien de aard van het geschil ligt het voor de hand dat de stellingen van partijen vooral gestaafd zullen worden met stukken waaruit de betalingsverplichting voor [appellanten] kan blijken, maar evenzeer met stukken waaruit eventuele betalingen door [appellanten] kunnen worden afgeleid.

De Stichting heeft in haar laatste akte in reactie op de uitlatingen van [appellanten] aan de hand van facturen en betalingen een overzicht verstrekt van de door haar gepretendeerde (resterende) betalingsverplichting van [appellanten]

In het kader van het principe van hoor en wederhoor zullen [appellanten] (als in eerste aanleg de gedaagde partij) in de gelegenheid worden gesteld hierop nog nader te reageren.

10.4.

Het hof zal hiertoe de zaak wederom naar de rol verwijzen teneinde [appellanten] de gelegenheid te bieden te reageren op hetgeen door de Stichting in de akte van 22 april 2014 voorzien van bijlagen naar voren is gebracht. Het is alsdan niet de bedoeling dat de Stichting hier weer op reageert.

11 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van (3 weken na arrest) teneinde [appellanten] in de gelegenheid te stellen te reageren op hetgeen door de Stichting bij akte van 22 april 2014 naar voren is gebracht;

de Stichting kan hierop niet meer reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Chr. M. Aarts, M.J.H.A. Venner-Lijten en M. van Ham en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 februari 2015.