Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4204

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-10-2015
Datum publicatie
23-10-2015
Zaaknummer
F 200 174 199_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:4202
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:4203
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 22 oktober 2015

Zaaknummer : F 200.174.199/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/296759 / JE RK 15-548

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. W. Uitterhoeve,

tegen

Stichting Intervence,

gevestigd en mede kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de GI.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- de heer [de pleegvader] en mevrouw [de pleegmoeder] (hierna te noemen: de pleegvader respectievelijk de pleegmoeder, tezamen de pleegouders).

- de heer [ex-partner 2] (hierna: de vader van [minderjarige 2] ).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio: [regio] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 12 mei 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 20 juli 2015, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen ten aanzien van de beslissing omtrent de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van de hierna te noemen minderjarige [minderjarige 2] en bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de verlenging van de termijn van de uithuisplaatsing primair af te wijzen, subsidiair de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing toe te wijzen tot 9 augustus 2015, meer subsidiair de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing toe te wijzen tot 12 oktober 2015.

2.2.

Er is geen verweerschrift ingekomen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Uitterhoeve;

- de GI, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de stichting] ;

- de pleegmoeder.

2.3.1.

De raad is niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 12 mei 2015;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 23 juli 2015;

  • -

    de brief met bijlagen van de GI d.d. 10 september 2015;

  • -

    het V6-formulier met één bijlage van de advocaat van de moeder d.d. 18 september 2015.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de heer [ex-partner 2] is op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] , [minderjarige 2] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ) geboren.

3.2.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de heer [ex-partner 1] is op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] , [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ) geboren.

3.3.

Uit de huidige relatie van de moeder en de heer [huidige partner] (hierna te noemen: de heer [huidige partner] ), is [minderjarige 3] (hierna te noemen: [minderjarige 3] ) geboren, op [geboortedatum] 2014.

3.4.

[minderjarige 2] staat sinds 19 mei 2011 onder toezicht van de GI.

3.5.

[minderjarige 2] is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 5 juli 2013 uit huis geplaatst in een verblijf pleegouder 24-uurs.

Zij verblijft sedertdien, samen met [minderjarige 1] , in het huidige perspectief biedende pleeggezin.

3.6.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] met ingang van 19 mei 2015 tot 19 mei 2016 verlengd en de aan de GI verleende machtiging verlengd met ingang van 19 mei 2015 tot uiterlijk 19 januari 2016. De rechtbank heeft de beslissing op het resterende deel van het verzoek van de GI (betreffende de uithuisplaatsing van [minderjarige 2] tot 19 mei 2016) aangehouden.

3.7.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen voor zover het de machtiging uithuisplaatsing betreft en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.8.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting – kort samengevat – het volgende aan.

De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de moeder niet in staat is om [minderjarige 2] te bieden wat zij nodig heeft. Vanaf juni 2014 is het gezin van de moeder, op initiatief van Stichting Bureau Jeugdzorg Drenthe (thans: Jeugdbescherming Noord) intensief begeleid door de thuiscoach Eigen Kracht ten behoeve van de opvoeding en veiligheid van [minderjarige 3] . In december 2014 is geconcludeerd dat het goed ging en bij brief van 2 maart 2015 heeft Jeugdbescherming Noord bericht dat zij het dossier hadden gesloten. Op 2 juli 2015 heeft de thuiscoach de begeleiding beëindigd. Deze heeft geconcludeerd dat de situatie bij de moeder en haar zoon [minderjarige 3] stabiel en goed is. De moeder is van mening dat, na een korte periode van gewenning, deze rust en stabiliteit ook een positieve werking zal hebben op [minderjarige 2] . Uit het verloop en de positieve afsluiting van deze hulpverlening blijkt bovendien dat de moeder wel degelijk leerbaar is.

De GI kan geen gefundeerd beeld geven van de huidige thuissituatie van de moeder. Het maken van een afspraak met de gezinsmanager is om verschillende redenen zeer lastig geweest. Slechts eenmaal, bijna een jaar geleden, is de gezinsmanager bij de moeder thuis geweest. Er is niet of nauwelijks informatie ingewonnen bij Jeugdbescherming Noord, terwijl de GI daartoe wel was aangezet bij beschikking van de rechtbank van 11 november 2014. Tevens had moeten worden onderzocht of naar thuisplaatsing kon worden gewerkt, hetgeen de GI heeft nagelaten.

De GI baseert zich vooral op het relaas van de pleegouders, die niet als objectief kunnen worden beschouwd en [werkgever] , waar de pleegmoeder werkzaam is, alsmede op de reactie die [minderjarige 2] geeft rondom het contact met de moeder. In de afgelopen periode heeft slechts in beperkte mate omgang plaatsgevonden tussen de moeder en [minderjarige 2] . Dat deze omgang enigszins onwennig verloopt en dat [minderjarige 2] hierop na afloop reageert, is niet verwonderlijk. Het contact vindt niet plaats in een ontspannen setting, omdat de gezinsmanager continue over de schouder van de moeder meekijkt. Het gedrag en de houding van [minderjarige 2] en de moeder tijdens de contactmomenten wordt vaak op een negatieve manier uitgelegd, terwijl dit ook op een positieve manier zou kunnen gebeuren. Het zou bovendien kunnen zijn dat [minderjarige 2] de moeder mist en daarom zo heftig reageert rondom het contact en vermijdt om over de moeder te praten. Dit is nimmer onderzocht. [minderjarige 2] zou gebaat kunnen zijn bij meer contact.

De moeder kan vele kanttekeningen plaatsen bij de gezinsrapportage van de GI, waaruit blijkt dat de GI, anders dan Jeugdbescherming Noord, erg in het verleden blijft hangen. Ook de raad gaat hierin mee, zoals blijkt uit de conceptrapportage betreffende de verderstrekkende maatregel.

De moeder stelt dat de beschuldigingen jegens de heer [huidige partner] onterecht zijn. Als hiervan ook maar iets waar zou zijn, zou [minderjarige 3] niet bij hen wonen.

Indien het primaire verzoek van de moeder om [minderjarige 2] per direct thuis te plaatsen wordt toegewezen, kan Jeugdbescherming Noord de ondertoezichtstelling overnemen. Subsidiair stelt de moeder voor de overgang naar haar in de herfstvakantie van [minderjarige 2] te laten plaatsvinden.

Ter zitting heeft de moeder gemotiveerd uiteengezet dat de woonomgeving van de moeder, in praktische zin, zeer geschikt is voor [minderjarige 2] om verder in op te groeien.

3.9.

De GI voert ter zitting – kort samengevat – het volgende aan.

De GI verwijst naar de inhoud van de in het geding gebrachte rapportages, waaronder die van de raad. De moeder is van mening dat zij geen eerlijke kans heeft gekregen. De GI wijst er echter op dat [minderjarige 2] al eerder uit huis is geplaatst en dat de moeder keuzes heeft maakt die gevolgen hadden voor de mogelijkheden van thuisplaatsing en het contact met de moeder. De moeder is immers van Zeeland naar Drenthe verhuisd en zij heeft gedurende een half jaar na de geboorte van [minderjarige 3] het contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] afgehouden om vervolgens – op het moment dat zij haar leven naar haar mening voldoende op orde had gebracht – ervan uit te gaan dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weer bij haar konden komen wonen. De moeder had geen oog voor de belangen van deze kinderen, die de moeder al zo lang niet hadden gezien en bovendien veel spanningen ervaarden c.q. ervaren rondom de contactmomenten met de moeder, hetgeen zich uit in ernstige fysieke klachten en een stagnatie in de sociaal-emotionele ontwikkeling. De moeder kan zich niet verplaatsen in de belevingswereld van [minderjarige 2] , hetgeen de gezinsmanager ook signaleert bij de begeleide contactmomenten. De houding en de uitspraken van de moeder creëren bij [minderjarige 2] onrust. Zij ontleent geen veiligheid aan het contact, terwijl zij duidelijkheid nodig heeft over waar zij zal opgroeien. Dit dient te worden gezien in de context dat [minderjarige 2] met de moeder veel heeft meegemaakt. De GI laat zich niet alleen informeren door de gezinsmanager en de pleegouders, maar ook door de school, artsen en de pleegzorginstelling.

Het is volgens de GI belangrijk om te werken aan een andere rol van de moeder in het leven van [minderjarige 2] , waarbij [minderjarige 2] op een zo prettig mogelijke, onbelaste wijze contact heeft met de moeder. Als er duidelijkheid is gekomen over het perspectief van de kinderen, zal het leuke van het contact met de moeder veel meer op de voorgrond komen te staan.

Een ander punt van zorg is volgens de GI de wijze waarop de moeder met de zorgen omtrent de heer [huidige partner] omgaat. Deze schuift zij aan de kant. De zorgen bestaan welzeker, maar konden niet nader onderzocht worden. [minderjarige 1] is bang voor de heer [huidige partner] in een mate die de GI niet vaak ziet. De GI vraagt zich af hoe met die angst zou worden omgegaan bij een thuisplaatsing.

3.10.

De pleegmoeder heeft ter zitting het volgende verklaard.

Aanvankelijk werd op een kalender bijgehouden wanneer de bezoekmomenten met de moeder zouden plaatsvinden. Dit wekte bij de kinderen echter veel spanningen op, met als gevolg buikpijn en diarree. Voorts kon [minderjarige 1] op schooldagen niet functioneren in de groep. Zij liep achter in haar ontwikkeling. Op enig moment is ervoor gekozen voortaan pas op de dag zelf tegen de kinderen te zeggen dat zij naar de moeder gaan. Tussen de bezoekmomenten vragen de kinderen niet naar de moeder of een volgend bezoek.

Met behulp van het maken van tekeningen proberen de pleegouders de kinderen vooraf te laten nadenken over wat zij de moeder willen vertellen.

Tijdens de contactmomenten blijven de pleegouders op afstand, maar zorgen zij er wel voor dat de kinderen hen in het oog kunnen houden. [minderjarige 1] hecht erg aan de locatie. Zij vraagt of het weer zal plaatsvinden op dezelfde plaats als de vorige keren en of de pleegmoeder en de gezinsmanager erbij zullen zijn. Dat lijkt haar rust te geven. Het helpt beide kinderen om hen vooraf te vertellen hoe de dag zal verlopen.

Hoewel het gewicht van [minderjarige 2] toeneemt en volgens school en de kinderopvang de emotionele ontwikkeling van [minderjarige 1] een stijgende lijn laat zien, blijven de klachten rondom het contact met de moeder dezelfde. [minderjarige 2] praat er niet over, maar zij zegt soms wel dat zij geen zin in het bezoek heeft. De pleegouders proberen de kinderen wel steeds voor het contact te motiveren.

De pleegmoeder weet niet wat nog meer zou kunnen worden gedaan om het contact voor [minderjarige 2] meer ontspannen te laten verlopen. Ondanks de spanningen kan zij wel echt van het contact met de moeder genieten.

3.11.

Het hof overweegt het volgende.

3.11.1.

Het hoger beroep is niet gericht tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling.

3.11.2.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.11.3.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.11.4.

Het hof is van oordeel dat hiervan sprake is en overweegt daartoe het volgende.

3.11.5.

Het hof is van oordeel dat het in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] noodzakelijk is dat haar verblijf in het huidige pleeggezin wordt gecontinueerd. Het hof gaat bij dit oordeel van de volgende feiten en omstandigheden, zoals gebleken uit de stukken en het ter zitting verhandelde. [minderjarige 2] verblijft thans bijna tweeënhalf jaar in het pleeggezin. In de ontwikkeling van de kinderen is een stijgende lijn te zien. Sinds de frequentie van het contact met de moeder is verminderd, hebben zij minder vaak last van spanningsklachten als buikpijn en diarree. Op de dag van het contact en de dagen erna heeft [minderjarige 2] die klachten echter weer in alle hevigheid en stagneert haar ontwikkeling ook op andere gebieden. In de dagen na het contact eet [minderjarige 2] minder of helemaal niet. Thans ziet [minderjarige 2] de moeder enkel in de schoolvakanties, steeds gedurende drie uur, onder begeleiding van de gezinsmanager en in aanwezigheid van de pleegmoeder en/of -vader.

Reeds op grond van deze omstandigheden kan een thuisplaatsing van [minderjarige 2] bij de moeder thans of in de herfstvakantie van 2015 niet aan de orde zijn. Voor die thuisplaatsing zou een traject met een langere termijn nodig zijn, hetgeen de termijn van de huidige machtiging zou overschrijden, wat er ook zij van een verbeterde thuissituatie bij en de gestelde leerbaarheid van de moeder.

3.11.6.

Met de moeder is het hof wel van oordeel dat thans niet uit enig onderzoek is gebleken wat de oorzaak is van het gedrag en de klachten van [minderjarige 2] rondom het contact met de moeder en het feit dat zij niet over de moeder praat of naar haar vraagt, terwijl [minderjarige 2] wel in staat lijkt te zijn om te genieten van het contact met de moeder.

Het hof acht het voor de beoordeling van het resterende deel van het verzoek van de GI (betreffende de uithuisplaatsing van [minderjarige 2] tot 19 mei 2016), alsmede voor de beoordeling van het nog in te dienen verzoek om beëindiging van het gezag van de moeder, van zwaarwegend belang dat ter zake een objectief en professioneel onderzoek plaatsvindt. Ook voor de wijze waarop in de toekomst invulling zou moeten worden gegeven aan het contact tussen de moeder en [minderjarige 2] , zijn de resultaten van een dergelijk onderzoek van belang.

Met name dient de vraag te worden beantwoord of het gedrag van [minderjarige 2] en het niet praten over de moeder inderdaad te wijten is aan een gevoel van onveiligheid van [minderjarige 2] veroorzaakt door de moeder, dan wel voortvloeiend uit het belaste verleden van de moeder en mogelijkerwijs versterkt door het contact met de moeder en eventuele uitspraken die de moeder jegens [minderjarige 2] doet, of juist aan andere factoren, zoals bijvoorbeeld een loyaliteitsconflict, al dan niet in samenhang met een sterk gevoel van gemis van haar moeder bij [minderjarige 2] . De advocaat van de moeder heeft ter zitting aangegeven dat wanneer uit onderzoek zou blijken dat [minderjarige 2] deze onveiligheid werkelijk ervaart, de moeder de uithuisplaatsing van [minderjarige 2] beter zou kunnen accepteren.

3.11.7.

Het hof stelt vast dat binnen de resterende termijn van de machtiging uithuisplaatsing die thans ter beoordeling aan het hof voorligt, een dergelijk onderzoek niet meer kan worden uitgevoerd en afgerond. Het hof acht het evenwel van belang dat, zoals hiervoor reeds overwogen, nog vóór de beslissing op het resterende deel van het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] een dergelijk onderzoek plaats heeft.

3.12.

Het voorgaande leidt er toe dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 12 mei 2015, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, M.C. Bijleveld-van der Slikke en E.L. Schaafsma-Beversluis en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2015.