Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4200

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-10-2015
Datum publicatie
23-10-2015
Zaaknummer
F 200 164 047_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag

Ontheffing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 22 oktober 2015

Zaaknummer : F 200.164.047/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/282830 FA RK 14-4521

in de zaak in hoger beroep van:

de Raad voor de Kinderbescherming ,

regio Oost-Brabant, locatie [locatie] ,

appellant,

hierna te noemen: de raad.

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. K.L.M. Kremer,

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

  • -

    William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna te noemen: de stichting), namens Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant;

  • -

    de heer en mevrouw [pleegouders] (hierna te noemen: de pleegouders).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 5 november 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 3 februari 2015, heeft de raad primair verzocht voormelde beschikking te vernietigen en bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de moeder te ontheffen van het gezag van de hierna te noemen minderjarige [minderjarige] (naar oud recht, te weten artikel 1:268, eerste lid, sub a, van het Burgerlijk Wetboek (BW) zoals dat gold tot 1 januari 2015) dan wel subsidiair naar nieuw recht (artikel 1:266, eerste lid onder a van het BW) het gezag van de moeder over de genoemde minderjarige [minderjarige] te beëindigen nu de minderjarige zodanig opgroeit dat zij in haar ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 10 maart 2015, heeft de moeder verzocht, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet dat toelaat:

- de raad ten aanzien van het (primaire en secundaire) verzoek tot vernietiging van de beschikking d.d. 5 november 2014, alsmede ten aanzien van het verzoek tot

ontheffing, althans beëindiging van het gezag, niet-ontvankelijk te verklaren, althans dit af te wijzen als ongemotiveerd en ongegrond;

- de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 maart 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ;

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Kremer.

  • -

    de stichting, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de stichting 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de stichting 2] ;

  • -

    de pleegouders, bijgestaan door mr. H.M.S. Cremers.

2.4.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van 17 maart 2015 is de zaak door het hof pro forma aangehouden tot 11 juni 2015. Daartoe overwoog het hof dat er in het kader van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder een nader onderzoek is gelast door de rechtbank. Het hof achtte het in dat licht niet aangewezen om na de behandeling van 17 maart 2015 een beslissing te nemen over het onderhavige verzoek tot ontheffing en besloot daarom om de resultaten van het onderzoek af te wachten.

2.5.

Na het gereedkomen van bedoeld rapport (forensisch psychologisch onderzoek betreffende [verweerster] , in opdracht van de stichting opgemaakt door [gezondheidspsycholoog 1] en [gezondheidspsycholoog 2] , beiden gezondheidspsychologen en door hen ondertekend op 1 juni 2015), hebben alle belanghebbenden de gelegenheid gehad hierop schriftelijk te reageren en is de zaak opnieuw behandeld. De tweede mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 september 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ;

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Kremer;

  • -

    de stichting, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de stichting 1] ;

  • -

    de pleegouders, bijgestaan door mr. Cremers.

2.6.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de brief met bijlagen van de advocaat van de pleegouders d.d. 11 maart 2015;

  • -

    de brief van de advocaat van de moeder d.d. 16 maart 2015;

  • -

    de brief van de advocaat van de moeder d.d. 13 april 2015, met bijlage;

  • -

    het door de advocaat van de pleegouders op 3 april 2015 ingediende V6-formulier, met als bijlagen producties 7 tot en met 11;

  • -

    de brief van de stichting d.d. 5 juni 2015, met als bijlage voormeld rapport, getiteld 'forensisch psychologisch onderzoek betreffende [verweerster] ';

  • -

    het door de advocaat van de moeder op 19 juni 2015 ingediende V6-formulier, met bijlage;

  • -

    het door de advocaat van de pleegouders op 24 juni 2015 ingediende V6-formulier, met bijlage;

  • -

    de brief van de raad d.d. 4 augustus 2015, met als bijlage de bereidverklaring van de stichting;

  • -

    het door de advocaat van de pleegouders op 4 september 2015 ingediende V6-formulier, met bijlagen.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de heer [ex-partner] is op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ) geboren.

De vader heeft [minderjarige] erkend. De moeder oefent van rechtswege het gezag uit over [minderjarige] .

3.2.

[minderjarige] staat sinds 2 maart 2012 onder toezicht van de stichting. De ondertoezichtstelling is laatstelijk (bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 28 augustus 2015) verlengd tot 2 maart 2016. [minderjarige] is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds april 2012 uit huis geplaatst in een verblijf pleegouder 24-uurs.

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de raad tot ontheffing van de moeder van het gezag over [minderjarige] afgewezen.

3.4.

De raad kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De raad voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - aan dat er gegronde vrees bestaat dat de uithuisplaatsing van meer dan een jaar en zes maanden van [minderjarige] in het kader van een maatregel tot ondertoezichtstelling door de ongeschiktheid of onmacht van de moeder om haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen onvoldoende is om de dreiging dat [minderjarige] zodanig opgroeit, dat haar zedelijke of geestelijke belangen of haar gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen, af te wenden.

De raad stelt dat, hoewel de moeder een zeer positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt in haar leven, het de vraag of is zij [minderjarige] kan bieden wat zij specifiek behoeft. [minderjarige] reageert vanwege de voorgeschiedenis met de moeder met spanningen op de contacten met de moeder. Dit heeft geleid tot beperkingen van de contacten. In het rapport wordt benoemd dat de moeder het verleden ziet als iets dat zij achter zich wil laten, terwijl bij [minderjarige] zichtbaar is dat het verleden veel impact op haar heeft gehad en nog heeft.

De geboden duidelijkheid en veiligheid vanuit de huidige opvoedingsomgeving in het netwerkpleeggezin maakt dat [minderjarige] meer ruimte op emotioneel vlak overhoudt om de reeds geboekte vooruitgang in haar ontwikkeling verder voort te zetten en haar opgelopen trauma's te verwerken. Dat dient onverkort in haar huidige opvoedingsomgeving te geschieden, zonder dat naar thuisplaatsing wordt gestreefd, aldus de raad. De raad erkent de positieve ontwikkeling van de moeder, maar is desalniettemin van mening dat thuisplaatsing een gepasseerd station is en dat in het belang van [minderjarige] duidelijkheid moet komen over haar perspectief.

3.6.

De moeder voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - aan dat het belang van [minderjarige] zich verzet tegen de ontheffing van de moeder van het gezag. Daartoe stelt de moeder het volgende. Ten aanzien van de ontwikkeling van [minderjarige] wijst de moeder erop dat [minderjarige] sinds haar plaatsing bij pleegouders in een loyaliteitsconflict zit. Ook het Ambulatorium benoemt dit en heeft vermeld dat dit conflict forse impact heeft op de emotionele ontwikkeling van [minderjarige] . In dit kader is het de vraag of plaatsing in het huidige pleeggezin wel in het belang van [minderjarige] is en of een neutraal pleeggezin niet beter zou zijn geweest. Het Ambulatorium heeft aangegeven dat herstel van vertrouwen tussen de moeder en de pleegmoeder wordt gezien als voorwaarde voor een gezonde emotionele ontwikkeling van Diana. Het is van belang dat bemiddelingsgesprekken tussen de moeder en de pleegouders plaatsvinden. De stichting bevestigt dat de moeder hard heeft gewerkt om de relatie met de pleegouders te verbeteren. Herlaerhof heeft volgens moeder geconstateerd dat [minderjarige] geen posttraumatische stressklachten meer heeft en dat zij functioneert als een normaal kind. Inmiddels is duidelijk dat [minderjarige] goed op haar zusje [zusje van minderjarige] reageert. [zusje van minderjarige] is altijd aanwezig als de moeder omgang heeft met [minderjarige] , deze bezoeken verlopen ontspannen.

De door de raad geschetste spanningen die [minderjarige] laat zien wanneer zij een bezoek heeft gehad met de moeder, zijn volgens de moeder geen reden om de moeder te ontheffen uit het gezag.

Er heeft volgens de moeder geen maximale inzet van hulpverlening plaatsgevonden, gericht op terugkeer. Hierdoor heeft de moeder geen invulling kunnen geven aan de opvoeding van [minderjarige] en is ook niet geoefend met plaatsing naar huis. Er is nooit onderzocht of de moeder kan bieden wat [minderjarige] nodig heeft. De moeder heeft geen enkele kans gekregen, zo stelt zij. De moeder acht de stap om haar te ontheffen van het gezag aldus te vroeg en te verstrekkend.

De ontheffing biedt volgens de moeder niet meer duidelijkheid of zekerheid voor [minderjarige] . De moeder heeft ter zitting op 15 september 2015 nog aangegeven zich nimmer tegen de ondertoezichtstelling te hebben verzet en steeds te hebben berust in de uithuisplaatsing, en dit ook te blijven doen .

3.7.

De pleegouders hebben zich schriftelijk en ter zitting aangesloten bij het standpunt van de raad.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen (wet HKBM) in werking getreden. Op grond van artikel 28 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek geldt dat gedingen inzake de ondertoezichtstelling - binnen welk kader de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verzocht - waarbij het inleidende verzoekschrift is ingediend vóór het tijdstip van in werking treden van de wet HKBM volgens het oude recht worden afgedaan. Nu het inleidende verzoekschrift is ingediend op 14 augustus 2014 is derhalve artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) (oud) van toepassing op de onderhavige zaak.

3.8.2.

Ingevolge artikel 1:266 BW kan een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen worden ontheven op de grond dat die ouder ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van het kind zich daar niet tegen verzet.

In het geval een ouder zich verzet tegen de ontheffing kan op grond van artikel 1:268 lid 1 BW de ontheffing niet worden uitgesproken. Deze regel leidt ingevolge artikel 1:268 lid 2 aanhef en onder a BW uitzondering indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 1:261 BW van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel - door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen - onvoldoende is om de dreiging van de zedelijke of geestelijke belangen of de gezondheid van de minderjarige als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden.

3.8.3.

Nu de moeder zich tegen de ontheffing verzet, dient het hof in het licht van artikel 1:268 lid 2 onder a BW te beoordelen of er gronden voor gedwongen ontheffing aanwezig zijn. Daartoe neemt het hof het volgende in aanmerking.

Het overweegt dat uit het in juni 2015 opgestelde 'forensisch psychologisch onderzoek' onderzoek omtrent de moeder het navolgende blijkt (pagina 45):

Indicatie voor thuisplaatsing is gelegen in de positieve ontwikkeling die moeder niet alleen op het persoonlijke vlak, maar ook ten aanzien van haar pedagogische en affectieve mogelijkheden heeft doorgemaakt. Moeder heeft meer rust en ruimte om zich op de opvoeding te richten in vergelijking met de periode dat [minderjarige] nog thuis woonde en moeder handelt tijdens de interactieobservatie adequaat naar [minderjarige] toe.

Uit het aangehaalde forensisch psychologisch blijkt omtrent [minderjarige] het volgende (pagina 43 e.v. van het rapport):

“ [minderjarige] is een 6-jarig meisje dat sinds drie jaar bij haar (stief)grootouders woont, waarbij sprake is van een zorgelijk verlopende sociaal-emotionele ontwikkeling. (...) Diagnostisch gezien is er sprake van PTSS en hechtingsproblematiek. Er is sprake van nachtmerries en angsten die gekoppeld zijn aan haar moeder en [die] steeds opnieuw kunnen opspelen tijdens bezoekmomenten.

(...)

Het is van groot belang dat [minderjarige] meer rust en veiligheid gaat ervaren, zodat ze meer toe kan komen aan haar ontwikkelingstaken op cognitief en sociaal emotioneel gebied. Allereerst is het van belang dat zij in haar leefomgeving voldoende rust, structuur en begrenzing geboden krijgt en ondersteund wordt bij het hanteren van emoties als angst en onzekerheid, zodat ze zich voldoende veilig kan voelen.”

Het hof stelt op grond van het geciteerde rapport vast dat de moeder een grote positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. Echter, naar het oordeel van het hof verzet het belang van [minderjarige] zich thans en in de komende jaren – gezien hetgeen in de voorhanden rapporten en het ter zitting verhandelde naar voren is gekomen - tegen een thuisplaatsing. Anders dan de rechtbank, maar in navolging van de raad, is het hof van oordeel dat de moeder om die reden ongeschikt of onmachtig is om haar plicht tot verzorging en opvoeding van [minderjarige] te vervullen. In dit verband overweegt het hof dat de rapporteurs van het reeds aangehaalde rapport op pagina 45 van het rapport onder meer concluderen:

“Contra-indicatie voor thuisplaatsing is dat de aanwezige angst en onveiligheidsgevoelens van [minderjarige] in sterke mate getriggerd zullen worden bij thuisplaatsing. Vanuit de gesignaleerde problematiek bij [minderjarige] , haar zeer kwetsbare hechtingsontwikkeling en de geconstateerde PTSS, wordt een thuisplaatsing momenteel als een te zware belasting gezien voor [minderjarige] .

(...)

Overplaatsing van [minderjarige] wordt vanuit de kwetsbaarheid van [minderjarige] niet verantwoord geacht de komende jaren.”

Handhaving van de huidige situatie, dat wil zeggen: een uithuisplaatsing met jaarlijks terugkerende verlengingszitting acht het hof niet in het belang van [minderjarige] , hoezeer de moeder ook heeft benadrukt dat zij zich tegen de uithuisplaatsing niet zal verzetten. Het hof begrijpt dat het verzet van de moeder tegen de ontheffing mede is ingegeven door haar onvrede over de beperkte bezoekcontacten die zij met [minderjarige] heeft en door haar angst dat daarin geen verandering zal komen. Het hof overweegt daaromtrent dat door de rapporteurs van het aangehaalde rapport is geadviseerd dat het van belang is dat toegewerkt wordt naar een omgangsregeling waarbij [minderjarige] de moeder meer dan eens per maand ziet zodat zij kan ervaren dat de moeder haar veiligheid kan bieden en dat zij de angstgevoelens die nog gerelateerd zijn aan de moeder leert loslaten. Het hof heeft er vertrouwen in dat de stichting, gehoord de vertegenwoordiger van de stichting ter zitting, zich als voogdes van [minderjarige] hiervoor zal inspannen.

In aanmerking genomen de conclusie van het rapport dat thuisplaatsing van [minderjarige] de komende jaren niet verantwoord wordt geacht, is het hof van oordeel dat ontheffing van de moeder van het gezag over [minderjarige] aangewezen is.

3.9.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd en het inleidend verzoek van de raad alsnog dient te worden toegewezen.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 5 november 2014;

en, opnieuw rechtdoende:

wijst alsnog toe het inleidend verzoek van de raad tot ontheffing van de moeder van het gezag over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] ;

benoemt De William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering tot voogdes over [minderjarige] ;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, J.H.J.M. Mertens-Steeghs, en C.L.M. Smeets en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2015