Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4185

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-10-2015
Datum publicatie
21-10-2015
Zaaknummer
HD 200.161.965_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:7771, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil. Gebruik familienaam strijdig met vonnis waarin dwangsom werd opgelegd? Beslaglegging vexatoir? Ruimte voor matiging dwangsom? Onderscheid toets dwangsomrechter en toets executierechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.161.965/01

arrest van 20 oktober 2015

in de zaak van

1 [appellant] h.o.d.n. [handelsnaam] ,
wonende te [vestigingsplaats 1] ,

2. [appellant] Onroerend Goed B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

appellanten,

hierna gezamenlijk aan te duiden als [appellant] c.s. en ieder afzonderlijk als [appellant] respectievelijk [appellant] OG;

advocaat: mr. R.H. Stam te Utrecht,

tegen

1 Hala Zeeland B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2],

2. Hamar Touring B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2],

geïntimeerden,

hierna gezamenlijk aan te duiden als Hala c.s. en ieder afzonderlijk als Hala respectievelijk Hamar;

advocaat: mr. J.J.R. Albicher te Roosendaal,

op het bij exploot van dagvaarding van 16 december 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de voorzieningenrechter bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 november 2014, gewezen tussen [appellant] c.s. als eisers en Hala c.s. als gedaagden.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer/rolnummer C/02/290126/KG ZA 14-750)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties en eiswijziging;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    het pleidooi op 10 september 2015, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd en waarbij Hala c.s. een kleurenkopie van haar productie 7 heeft overgelegd. Voor [appellant] c.s. heeft mr. P.M. Leijten gepleit.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

Hala exploiteert een taxi- en touringcarbedrijf. Hamar exploiteert een touringcarbedrijf en verzorgt personenvervoer en (bus)reizen.

3.1.2.

Hala c.s. hebben de woordmerken “[appellant] Travelling” en “Touringcarbedrijf [appellant]” en het beeldmerk “ Travelling” gedeponeerd bij het Benelux Bureau voor de Intellectuele eigendom. Hamar heeft de volgende handelsnamen in het handelsregister ingeschreven: “Hamar Touring B.V.”, “[appellant] Travelling” en “Touringcarbedrijf [appellant]”.

3.1.3.

[appellant] exploiteert sinds 10 november 2009 als eenmanszaak handelend onder de naam “[handelsnaam]” een touringcarverhuurbedrijf. [appellant] OG houdt zich bezig met verhuur van onroerend goed en beheer van onroerend goed en heeft als bestuurder en enig aandeelhouder Holding Gato-88 B.V. [appellant] is bestuurder en enig aandeelhouder van laatstgenoemde vennootschap.

3.1.4.

Vóór juli 2009 exploiteerde [appellant] een touringcarbedrijf genaamd “Touringcarbedrijf [appellant] B.V.”. Bij vonnis d.d. 21 juli 2009 van de rechtbank [vestigingsplaats 2] werd dit bedrijf failliet verklaard. De curator heeft bij koopovereenkomst d.d. 7 augustus 2009 de activa en de handelsnaam “Touringcarbedrijf [appellant] B.V.” verkocht aan Hala, die de activa uit het faillissement ter beschikking heeft gesteld aan Hamar.

3.1.5.

Bij vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 augustus 2014 is het [appellant] c.s. verboden (r.o. 5.1)
om met ingang van de tiende dag na betekening van dit vonnis, direct dan wel indirect, de naam “ [appellant] ” in combinatie met “ [handelsnaam] ” als teken en/of onderdeel van een handelsnaam in de branche van touringcarbedrijven en/of personenvervoer en/of het verzorgen van (bus)reizen te gebruiken, onder meer op de navolgende wijzen: verwerkt in stukken voor zakelijk gebruik, daaronder (mede) begrepen briefpapier, facturen, logo’s, overig drukwerk, verwerkt in advertenties/reclame, daaronder (mede) begrepen reclame op websites, bedrijfskleding en overige reclame-uitingen en verwerkt in aanduidingen op de bussen, in aanduidingen op (het) pand(en), waaronder het pand aan de [adres] [vestigingsplaats 1]

Tevens is bepaald dat (r.o. 5.2) “indien [appellant] c.s. aan het onder 5.1. weergegeven verbod geen gevolg zal geven, zij een dwangsom verbeurt van € 500,-- per dag tot een maximum van € 50.000,--”.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en heeft kracht van gewijsde.

3.1.6.

Op 8 september 2014 hebben Hala c.s. voornoemd vonnis doen betekenen aan [appellant] c.s.

3.1.7.

Bij exploot van 24 oktober 2014 hebben Hala c.s. aan [appellant] c.s. aangezegd dat zij hebben geconstateerd dat [appellant] c.s. niet aan voormelde veroordeling en bevel hebben voldaan, zodat zij over de periode van 19 september 2014 t/m 24 oktober 2014 ofwel 36 dagen ad € 500,00 per dag, derhalve in totaal € 18.000,00 aan dwangsommen hebben verbeurd. Hala c.s. hebben aan [appellant] c.s. bevel gedaan om binnen twee dagen na 24 oktober 2014 de verbeurde dwangsommen ad € 18.000,00 vermeerderd met exploot- en betekeningskosten te voldoen, onverminderd alle verdere gerechts- en executiekosten en de nog te verbeuren dwangsommen tot aan het tijdstip dat aan de veroordeling is voldaan.

3.1.8.

Op 5 november 2014 hebben Hala c.s. executoriaal beslag doen leggen op negen aan [appellant] c.s. in eigendom toebehorende onroerende zaken alsmede op de zakelijke rekening van [appellant] OG en de privérekening van [appellant] , ter verzekering van een vordering van € 18.453,70, exclusief verdere rente en kosten. Het proces-verbaal van beslaglegging is op 10 november 2014 aan [appellant] c.s. betekend.

3.1.9.

Op 7 november 2014 hebben [appellant] c.s. aan Hala c.s. een bedrag van

€ 645,07 betaald ter zake een op 19 september 2014 verbeurde dwangsom van € 500,00 (r.o. 3.1.11), vermeerderd met explootkosten.

3.1.10.

Bij exploot van 31 december 2014 hebben Hala c.s. aan [appellant] c.s. aangezegd dat zij hebben geconstateerd dat [appellant] c.s. niet aan de bij genoemd vonnis van 28 augustus 2014 uitgesproken veroordeling en bevel hebben voldaan, zodat zij over de periode 25 oktober 2014 tot en met 27 december 2014 ofwel 64 dagen ad € 500,00 per dag, derhalve in totaal € 32.000,00 aan dwangsommen hebben verbeurd. Hala c.s. hebben aan [appellant] c.s. bevel gedaan om binnen twee dagen na 31 december 2014 de verbeurde dwangsommen ad € 32.000,00 (25 oktober 2014 t/m 27 december 2014) plus € 18.000,00 (19 september 2014 t/m 24 oktober 2014; r.o. 3.1.7) vermeerderd met exploot- en betekeningskosten te voldoen, onverminderd alle verdere gerechts- en executiekosten en met aanzegging dat bij niet en/of niet tijdige voldoening aan dat bevel zal worden overgegaan tot verdere tenuitvoerlegging van voornoemd vonnis van 28 augustus 2014.

3.1.11.

Tot en met 19 september 2014 stond op de gevel van [handelsnaam] nog de tekst “ …de nieuwe naam met de vertrouwde faam van [appellant] ” en op het gebouw van [appellant] OG een lichtbak met de tekst “ Touringcars”. Op 19 september 2014 hebben [appellant] c.s. deze teksten veranderd in “[handelsnaam] …de nieuwe naam met de vertrouwde faam van [handelsnaam].” en in de lichtbak het onderdeel “Touring” afgeplakt met wit plastic.

3.1.12.

Tot en met in ieder geval het bestreden vonnis van 18 november 2014 stond op de homepage van de website van [handelsnaam] de volgende tekst:
Kent u ons al?
[handelsnaam] is uw vertrouwde touringcaronderneming vanuit Zeeland. [handelsnaam] is een gerenommeerd touringcarbedrijf met Fam. [appellant] aan het “stuur”. De familie [appellant] staat in de touringcarwereld al meer dan 80 jaar bekend om haar goede vakmanschap. [handelsnaam] biedt zoals u gewend bent; veilig, comfortabel en betaalbaar personenvervoer.
(…)
Met [handelsnaam] kunt u alle kanten op zoals u van de familie [appellant] gewend bent! (…)
De familie [appellant] werkt graag op maat. De medewerkers van [handelsnaam] nemen u graag alle zorg uit handen. U bent van harte welkom om geheel vrijblijvend contact met ons op te nemen.
Voor info & boekingen: Neem contact op met Mw. [appellant] .
[handelsnaam], [vestigingsplaats 1] [telefoonnummer]
(…)
Hartelijke groet, Fam. [appellant]”.

3.2.1.

In de onderhavige procedure vorderden [appellant] c.s. in eerste aanleg en na vermeerdering van eis primair veroordeling van Hala c.s. tot het onmiddellijk staken en gestaakt houden van de executie en tot terugbetaling van geïncasseerde bedragen, op straffe van verbeurte van een dwangsom en subsidiair verwijzing naar de rechtbank op de voet van artikel 438 lid 3 Rv, met veroordeling van Hala c.s. in de proceskosten.

3.2.2.

Aan deze vordering hebben [appellant] c.s., kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Na 19 september 2014 hebben [appellant] c.s. niet gehandeld in strijd met de in het vonnis van 28 augustus 2014 gegeven veroordeling en bevel. De naam “[appellant]” is een familienaam en gebruik daarvan is toegestaan. Voortzetting van de executie betekent een forse aanslag op de liquiditeit van de onderneming. De door Hala c.s. gelegde beslagen zijn volgens [appellant] c.s. onterecht en buitenproportioneel.

3.2.3.

Hala c.s. hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.3.1.

De voorzieningenrechter heeft bij het bestreden vonnis van 18 november 2014 de vorderingen van [appellant] c.s. afgewezen en hen in de proceskosten veroordeeld. De voorzieningenrechter oordeelde daartoe als volgt. Door gebruik van de tekst zoals die op de homepage van de website van [appellant] c.s. staat, handelen zij in strijd met het vonnis van 28 augustus 2014. Het dictum van dat vonnis in combinatie met de daaraan voorafgaande overwegingen kan volgens de voorzieningenrechter niet anders worden gelezen dan dat het is verboden om de naam “[appellant]” te gebruiken in combinatie met “[handelsnaam]” en dat dat niet is beperkt tot de handelsnaam. Volgens de voorzieningenrechter gaat het om de naam “[appellant]” in het algemeen in combinatie met “[handelsnaam]”. Voorts oordeelde de voorzieningenrechter dat [appellant] c.s. met de naam “Fam. [appellant]” in de tekst op de homepage van de website verwijzen naar het bedrijf dat zij tot aan het faillissement in 2009 exploiteerden en dat zij refereren aan de naamsbekendheid van dat bedrijf, terwijl juist met het oog op die naamsbekendheid Hala c.s. de handelsnaam “ kochten. Het gebruik van de naam “Fam. [appellant]” op de homepage van de website is ook niet noodzakelijk, aldus de voorzieningenrechter. De subsidiair gevorderde verwijzing naar de rechtbank wees de voorzieningenrechter als onvoldoende onderbouwd af.

3.4.1.

[appellant] c.s. hebben in hoger beroep drie grieven aangevoerd. [appellant] c.s. hebben – na wijziging van eis (de advocaat van [appellant] c.s. heeft desgevraagd tijdens het pleidooi bevestigd dat de conclusie in de memorie van grieven bepalend is) – geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en primair tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 28 augustus 2014 en opheffing van de beslagen en subsidiair tot matiging van de boetes, een en ander uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van Hala c.s. in de proceskosten, waaronder begrepen de nakosten en vermeerderd met wettelijke rente.

3.4.2.

De eerste grief is gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat [appellant] c.s. met de tekst op de homepage van de website in strijd handelen met het vonnis van 28 augustus 2014.

Met de tweede grief voeren [appellant] c.s. aan dat de door Hala c.s. gelegde beslagen buitenproportioneel en vexatoir zijn en opgeheven dienen te worden.

Met de derde grief betogen [appellant] c.s. dat, indien toch geoordeeld zou worden dat zij in strijd met het vonnis van 28 augustus 2014 hebben gehandeld, de boetes gematigd zouden moeten worden.

Valt het onder r.o. 3.1.12 aangehaalde gebruik van de naam “ [appellant] ” in combinatie met “ [handelsnaam] ” onder het verbod van het vonnis van 28 augustus 2014? Grief 1.

3.5.1.

[appellant] c.s. hebben, samengevat, het volgende aangevoerd. Het bij het vonnis van 28 augustus 2014 uitgesproken verbod behelst niet meer dan een verbod om de naam “[appellant]” in combinatie met “[handelsnaam]” te gebruiken in (i) het teken, lees het logo, en (ii) (een onderdeel van) de handelsnaam (mvg 4). Het is dus slechts verboden om in de handelsnaam en in het logo te verwijzen naar de naam “[appellant]” (mvg 6). Het door Hala c.s. aangevallen gebruik door [appellant] c.s. van de naam “ valt niet onder dat verbod. De naam wordt immers niet als onderdeel van het logo noch van de handelsnaam “[handelsnaam]” gebruikt. De binnen [handelsnaam] werkzame personen heten nu eenmaal [appellant] en het kan [appellant] c.s. niet worden verboden deze familienaam te gebruiken, aldus [appellant] c.s.

3.5.2.

Hala c.s. hebben betoogd dat [appellant] c.s. een te beperkte uitleg geven aan het bij het vonnis van 28 augustus 2014 uitgesproken verbod. Volgens Hala c.s. heeft de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis van 18 november 2014 terecht en op juiste gronden geoordeeld dat de hiervoor aangehaalde tekst op de homepage van de website van [appellant] c.s. strijdig is met voormeld verbod. In de kern genomen gaat het er om dat [appellant] c.s. de naam “[appellant]” gebruikt in combinatie met het teken “[handelsnaam]”, daarbij verwijzend naar het touringcarbedrijf van [handelsnaam] en dat is nu juist in het vonnis van 28 augustus 2014 verboden, aldus Hala c.s.

3.5.3.

Het hof stelt het volgende voorop.

Deze zaak betreft het hoger beroep van een door [appellant] c.s. in kort geding gestart executiegeschil. Gelet op de aard van de zaak bestaat ook in hoger beroep een spoedeisend belang bij de vorderingen.

In een executiegeschil met betrekking tot een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis als het onderhavige kan de rechter slechts staking van de tenuitvoerlegging van dat vonnis bevelen, indien hij van oordeel is dat de executant, mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de tenuitvoerlegging zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. Tegen de oordelen van de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis dat van een klaarblijkelijke juridische of feitelijke misslag noch van bedoelde noodtoestand is gebleken zijn geen grieven gericht, zodat dit verder geen bespreking in hoger beroep behoeft.

3.5.4.

In het kader van de beoordeling of Hala c.s., mede gelet op de belangen van [appellant] c.s. geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij de (verdere) tenuitvoerlegging van het vonnis van 28 augustus 2014 dient, ook gelet op de door [appellant] c.s. ingenomen stellingen, de vraag te worden beantwoord of zij na 19 september 2014 in strijd met voornoemd vonnis hebben gehandeld en dwangsommen hebben verbeurd. Naar het voorlopig oordeel van het hof dient deze vraag bevestigend te worden beantwoord, reeds gelet op de hiervoor (r.o. 3.1.12) aangehaalde tekst op de homepage van de website van [appellant] c.s. Daartoe overweegt het hof het volgende.

3.5.5.

Blijkens het vonnis van 28 augustus 2014 was de voorzieningenrechter van oordeel dat gebruik van het teken of de handelsnaam “[handelsnaam]” op zichzelf geen inbreuk op de merk- c.q. handelsnaamrechten van Hala c.s. opleverde, maar wel indien dat gebruik plaatsvindt in combinatie met gebruik van de naam “[appellant]”, omdat in dat geval verwarring bij het publiek is te duchten. De voorzieningenrechter overwoog in dit verband onder meer (onder 4.4): “Echter, indien [appellant] c.s. het teken “ [handelsnaam] ” gebruikt in combinatie met de naam “ [appellant] ” (…), is naar voorlopig oordeel wel sprake van gevaar voor verwarring (…). (…) volgt dat het teken “ [handelsnaam] ” op zichzelf niet voldoende gelijkenis vertoont met de merken van Hala c.s. om verwarringsgevaar op te leveren, maar dat dat wel geldt voor dat teken in combinatie met de naam “ [appellant] ”. En voorts (onder 4.5): “(…) dat met het gebruik van slechts de handelsnaam “ [handelsnaam] ” bij het publiek geen verwarring te duchten is, maar indien deze naam wordt gecombineerd met de naam “ [appellant] ” wel verwarringsgevaar te verwachten valt tussen de ondernemingen van partijen.

3.5.6.

Blijkens deze overwegingen van de voorzieningenrechter is de interpretatie van [appellant] c.s. van de reikwijdte van het bij dat vonnis van 28 augustus 2014 uitgesproken verbod te beperkt. Anders dan zij betogen gaat het niet slechts om gebruik van de naam “[appellant]” in combinatie met “[handelsnaam]” wanneer die combinatie als teken of als (onderdeel van) een handelsnaam wordt gebruikt, maar is ook het gebruik van de naam “[appellant] ” enerzijds in combinatie met het teken “[handelsnaam] ” en/of de handelsnaam “[handelsnaam]” verboden, en wel, kort gezegd, in de branche van touringcarbedrijven/ personenvervoer/ (bus)reizen en verwerkt in stukken voor zakelijk gebruik en/of in reclame en/of in aanduidingen op de bussen en panden. Het komt er dus op neer dat na de verkoop van de handelsnaam “Touringcarbedrijf [appellant] B.V.” aan Hala c.s., de familienaam [appellant] niet mag worden gebruikt ter aanduiding van het bedrijf van [appellant] in de genoemde branche en de door dat bedrijf geleverde diensten. Het enkele feit dat het ook de achternaam is van de bij [handelsnaam] werkzame personen maakt dat niet anders. Dat is nu eenmaal de consequentie van het feit dat deze familienaam destijds is gekozen als handelsnaam, welke vervolgens tezamen met het bedrijf aan een derde is verkocht.

Gelet op de hiervoor (r.o. 3.5.5) aangehaalde overwegingen van de voorzieningenrechter in het vonnis van 28 augustus 2014 was de reikwijdte van het gegeven verbod naar het oordeel van het hof ook voor [appellant] c.s. voldoende kenbaar. Dat zij toch, al dan niet na overleg met hun toenmalige advocaat, tot een andere interpretatie hebben geconcludeerd komt voor hun rekening en risico en kan Hala c.s. niet worden tegengeworpen.

3.5.7.

In de geciteerde tekst op de homepage van de website van [handelsnaam] gebruiken [appellant] c.s. bij herhaling de naam “[appellant]” in combinatie met het teken “[handelsnaam]” en de handelsnaam “[handelsnaam]” en wel in de desbetreffende branche van touringcarbedrijven en verwerkt in reclame. Ten aanzien van dat gebruik kan in ernst niet worden betwijfeld dat het, mede gelet op de gronden waarop het verbod werd gegeven, een inbreuk als door de rechter (die het vonnis van 28 augustus 2014 wees) verboden oplevert.

3.5.8.

In hun memorie van grieven hebben [appellant] c.s. gesteld dat zij na het bestreden vonnis van 18 november 2014 hun website, facebookpagina en twitter hebben aangepast. Daarbij hebben zij niet vermeld op welke wijze, noch met ingang van welke datum. Op de pleidooizitting hebben [appellant] c.s. desgevraagd gesteld dat zij de aanpassingen de dag na dat vonnis, dus met ingang van 19 november 2014, hebben uitgevoerd. Hala c.s. hebben dat echter betwist.

Nu [appellant] c.s. niet concreet inzichtelijk hebben gemaakt, laat staan onderbouwd, op welke wijze de teksten op onder meer de website, Facebook, Twitter en Linkedin, zoals die door Hala c.s. zijn overgelegd, zijn aangepast en met ingang van welke datum, gaat het hof aan deze stelling van [appellant] c.s. voorbij, nog daargelaten dat [appellant] c.s. deze stelling ook niet aan hun vordering tot staking van de executie ten grondslag hebben gelegd. Zij hebben aan die vordering immers ten grondslag gelegd dat het gebruik van de naam “ zoals zij dat in ieder geval tot 19 november 2014 deden op onder meer hun website, niet in strijd is met het vonnis van 28 augustus 2014.

Grief 1 slaagt niet.

Beslaglegging buitenproportioneel, vexatoir? Grief 2.

3.6.

[appellant] c.s. hebben betoogd dat door op elf plaatsen beslag te leggen de bewegingsvrijheid van de ondernemingen van [appellant] c.s. onredelijk wordt beperkt en dat volstaan had kunnen worden met een beslag op het bedrijfspand. Zij hebben dit echter niet onderbouwd, terwijl dat in het licht van de gemotiveerde betwisting door Hala c.s. wel op hun weg had gelegen. Hala c.s. hebben immers aangevoerd dat zij ten tijde van de beslaglegging niet wisten of de beslagen doel zouden treffen, dat zij tot op heden slechts

€ 1.884,20 uit de executiemaatregelen hebben ontvangen en dat op het bedrijfspand een hypothecaire inschrijving alsmede executoriale beslagen rusten voor door Hala c.s. concreet omschreven vorderingen van tezamen meer dan € 1,3 miljoen. [appellant] c.s. hebben dat niet weersproken.

Bij deze stand van zaken kan niet worden gezegd dat de beslaglegging buitenproportioneel of vexatoir is en is de vordering tot opheffing van de beslagen niet toewijsbaar.

Grief 2 slaagt niet.

Matiging boetes/dwangsommen? Grief 3.

3.7.1.

[appellant] c.s. hebben gesteld dat zij met de term “boetes” in de toelichting op deze grief, doelen op de dwangsommen voor zover zij die verbeurd hebben. Volgens hen is het niet redelijk indien zij aan verbeurde dwangsommen een bedrag van € 50.000,-- dienen te betalen, omdat het dictum van het vonnis van 28 augustus 2014 onnauwkeurig en dubbelzinnig is. Volgens [appellant] c.s. kan van een andere voorzieningenrechter worden verlangd dat deze onderzoekt of de overtreding van een vonnis zo ernstig is dat daarmee dwangsommen zijn verbeurd. [appellant] c.s. hebben zich in dit verband beroepen op een uitspraak van de Hoge Raad van 15 februari 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BB8095). Deze toets is volgens [appellant] c.s. een andere toets dan de toets van artikel 611d Rv.

Hala c.s. hebben betwist dat voor matiging van de dwangsommen plaats is en daarbij verwezen naar artikel 611d Rv.

3.7.2.

Ook deze grief kan niet slagen.

Voor zover [appellant] c.s. (ook) betogen, dat een andere rechter dan de rechter die de dwangsom oplegde, kan oordelen omtrent een gestelde onevenredigheid van dwangsommen, volgt uit de hiervoor genoemde uitspraak van de Hoge Raad dat dat (juist) niet het geval is. Een oordeel op dat punt is voorbehouden aan de dwangsomrechter (de rechter die de dwangsom oplegde), aldus de Hoge Raad. Voorts kan opheffing, opschorting of vermindering van een opgelegde dwangsom ingevolge artikel 611d Rv enkel door de dwangsomrechter worden uitgesproken.

In de onderhavige zaak oordeelt het hof slechts als executierechter en niet (tevens) als dwangsomrechter. In deze procedure heeft het hof te oordelen overeenkomstig de door de executierechter in acht te nemen maatstaf (r.o. 3.5.3). Daarbij is voor een matiging op basis van redelijkheid en billijkheid geen plaats. Overigens is, anders dan [appellant] c.s. betogen, het dictum van het vonnis van 28 augustus 2014 in samenhang met de daaraan voorafgaande overwegingen naar het voorlopig oordeel van het hof niet dubbelzinnig (r.o. 3.5.5 en 3.5.6). Ten slotte is van belang dat het hof de vraag of [appellant] c.s. dwangsommen hebben verbeurd, bevestigend heeft beantwoord (r.o. 3.5.4 en 3.5.7). Van een overtreding van het verbod die zo gering was dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geoordeeld zou moeten worden dat geen dwangsommen zijn verbeurd (zoals aan de orde was in het door [appellant] c.s. aangehaalde arrest van de Hoge Raad), is hier geen sprake.

Slotsom

3.8.

Nu geen van de grieven slaagt is de slotsom dat het bestreden vonnis wordt bekrachtigd en dat de vermeerderde eis wordt afgewezen. [appellant] c.s. worden als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de aan de zijde van Hala c.s. gevallen kosten. Hala c.s. hebben ook veroordeling van [appellant] c.s. in de kosten van de eerste aanleg gevorderd. Bij die vordering hebben zij evenwel geen belang, nu [appellant] c.s. bij het bestreden vonnis reeds in de proceskosten zijn veroordeeld en dit vonnis zal worden bekrachtigd. Voor wat betreft de termijn waarna wettelijke rente is verschuldigd zal het hof een termijn van veertien dagen (in plaats van de gevorderde zeven dagen) geven.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor zover dit aan het oordeel van het hof is onderworpen;

veroordeelt [appellant] c.s. in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van Hala c.s. worden begroot op € 704,-- aan verschotten en op € 2.682,-- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

wijst af het meer of anders gevorderde;

verklaart bovengenoemde veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A. Wabeke, J.F.M. Pols en H. Struik en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 20 oktober 2015.

griffier rolraadsheer