Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4181

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-10-2015
Datum publicatie
22-10-2015
Zaaknummer
HD 200.151.476_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

betwisting verklaring derde-beslagene, art. 477a lid 2 Rv

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 477a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1990
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.151.476/01

arrest van 20 oktober 2015

in de zaak van

  1. mr. Martijn Adrianus Joseph Kemps in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Arweva B.V.,

  2. mr. Martijn Adrianus Joseph Kemps in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Varkenswegerij [plaats] B.V.,

  3. mr. Martijn Adrianus Joseph Kemps in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Slachthuis [plaats] B.V.,
    kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

appellanten,

hierna samen aan te duiden als de curator,

advocaat: mr. P.W.H. Stassen te Eindhoven,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. G.R.A.G. Goorts te Deurne,

op het bij exploot van dagvaarding van 10 april 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 15 januari 2014, gewezen tussen de curator als eisers en [geïntimeerde] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/01/261191/HA ZA 13-218)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het daaraan voorafgegane tussenvonnis van 26 juni 2013, waarin een comparitie van partijen is gelast.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven tevens eiswijziging met producties;

  • -

    de memorie van antwoord;

  • -

    het verzoek van de curator om pleidooi en de datumbepaling pleidooi;

  • -

    het bericht van de curator dat wordt afgezien van pleidooi met het verzoek om uitspraak te doen.

Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

a. a) Op 10 oktober 2006 heeft [geïntimeerde] een koopovereenkomst (gedateerd 13 mei 2006) ondertekend en op grond daarvan enkele onroerende zaken staande en gelegen te [plaats] en [plaats] geleverd gekregen van de heer [bestuurder] (hierna: [bestuurder] ).

De leveringsakte (prod. 9 inl. dagv.) houdt onder meer in:

“(…)

KOOPPRIJS, KWIJTING

De koopprijs bedraagt in totaal vierhonderd achtentachtigduizend tweehonderd vijftig euro (€ 488.250,=); (…)

Voormelde totale koopprijs (…) is door koper voldaan.

Verkoper verleent koper kwitantie voor de betaling van de koopprijs.

(…)”

b) De onroerende zaken zijn door [geïntimeerde] diezelfde dag voor dezelfde koopprijs doorgeleverd aan Neverend Holding B.V.

De daarop betrekking hebbende leveringsakte (prod. 4 CvA) houdt onder meer in:

“(…)

KOOPPRIJS, KWIJTING

De koopprijs bedraagt in totaal vierhonderd achtentachtigduizend tweehonderd vijftig euro (€ 488.250,=); (…)

Voormelde totaal koopprijs (…) is door koopster voldaan door storting op een derdengeldrekening van notarissen [notaris] en [notaris] .

Verkoper verleent koopster kwitantie voor de betaling van de koopprijs.

(…)”

c) [bestuurder] was de feitelijk bestuurder van Arweva B.V. en enig statutair bestuurder van Varkenswegerij [plaats] B.V. en Slachthuis [plaats] B.V.

d) Genoemde drie vennootschappen zijn op respectievelijk 5 oktober 2010, 21 december 2010 en 11 januari 2011 in staat van faillissement verklaard, met benoeming van de curator in zijn hoedanigheid.

e) Bij vonnis van 28 november 2012 is [bestuurder] door de curator aansprakelijk gesteld voor de tekorten in de boedels van Arweva B.V., Varkenswegerij [plaats] B.V. en Slachthuis [plaats] B.V. [bestuurder] is veroordeeld tot betaling aan de curator van een voorschot van € 500.000,= inzake het faillissement van Arweva B.V., € 500.000,= inzake het faillissement van Varkenswegerij [plaats] B.V. en € 25.000,= inzake het faillissement van Slachthuis [plaats] B.V.

f) Een e-mail van 5 januari 2011 van de curator aan [geïntimeerde] , met daarin de antwoorden van [geïntimeerde] (onderstreept) op een aantal door de curator gestelde vragen over koop en verkoop van de onroerende zaken in 2006 (prod. 8 inl. dagv.) luidt onder meer:

“(…)

Graag verneem ik van u wat de achtergronden van deze transactie zijn. Concreet heb ik de volgende vragen:

1. Wat was uw belang bij het aangaan van deze transactie? Geen enkele.

2. Hoe is de koopsom vastgesteld, ligt hieraan een taxatie ten grondslag? Geen idee, ik ben 2 minuten bij de notaris geweest, heb enkele handtekeningen gezet en vertrokken.

3. Waarom heeft u de objecten dezelfde dag voor dezelfde prijs doorgeleverd aan Neverend Holding B.V.? Op verzoek van [bestuurder] die ik toen nog vertrouwde.

4. Is er een vergoeding aan u betaald om medewerking aan deze doorlevering te verlenen en zo ja door wie? Nee, geen enkele

5. Wat was volgens u de waarde van de objecten toen de levering op 10 oktober 2006 plaatsvond? Geen enkel idee.

6. Heeft u de koopsom voldaan? Nee, alleen enkele handtekeningen gezet.

(…)

g) De curator heeft op 20 december 2012 ten laste van [bestuurder] executoriaal derdenbeslag laten leggen onder [geïntimeerde] .

h) Op 1 februari 2013 heeft [geïntimeerde] een verklaring als bedoeld in artikel 476a Rv (verklaring derdenbeslag) afgelegd. [geïntimeerde] heeft verklaard dat er tussen hem en [bestuurder] geen enkele rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan uit hoofde waarvan [bestuurder] op het tijdstip van het beslag nog iets van [geïntimeerde] had te vorderen, nu te vorderen heeft of nog te vorderen kan krijgen.

3.2.

De curator heeft [geïntimeerde] in rechte betrokken en veroordeling van [geïntimeerde] gevorderd:

  • -

    tot het afleggen van een schriftelijke en door hem ondertekende gerechtelijke verklaring, met inachtneming van hetgeen de curator in de dagvaarding heeft gesteld, van hetgeen hij ( [geïntimeerde] ) van [bestuurder] onder zich heeft en/of aan [bestuurder] verschuldigd is en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding van [bestuurder] zal verkrijgen en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding aan [bestuurder] verschuldigd zal worden, en

  • -

    tot het (nadat die verklaring door [geïntimeerde] is afgelegd en door de rechter is bepaald wat [geïntimeerde] onder zich heeft van en/of verschuldigd is aan [bestuurder] en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding van [bestuurder] zal verkrijgen en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding aan [bestuurder] verschuldigd zal worden) ter tenuitvoerlegging af- en overdragen van zodanige gelden en/of goederen, voor zover deze niet overtreffen het totale bedrag van € 1.025.000,= dat de curator ingevolgd het vonnis d.d. 28 november 2012 van [bestuurder] te vorderen heeft, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

3.3.

De curator heeft aan zijn vorderingen, kort gezegd, ten grondslag gelegd dat de door [geïntimeerde] afgelegde verklaring derdenbeslag onjuist is omdat [geïntimeerde] de uit hoofde van de op 10 oktober 2006 ondertekende koopovereenkomst aan [bestuurder] verschuldigde koopsom niet aan [bestuurder] heeft betaald zo blijkt uit het antwoord van [geïntimeerde] op vraag 6 van de curator (geciteerd onder 3.1.f hiervoor). [geïntimeerde] is de koopsom, ad € 488.250,=, derhalve nog steeds aan [bestuurder] verschuldigd en had dit in de verklaring tot uitdrukking moeten brengen, aldus de curator.

3.4.

[geïntimeerde] heeft zich daartegen verweerd met de stelling dat hij een juiste verklaring heeft afgelegd. Dat de koopsom is betaald blijkt uit de afrekening van de notaris en uit de leveringsakte, zodat [bestuurder] geen vordering meer op [geïntimeerde] heeft. Mocht er al sprake zijn van een vordering van [bestuurder] op [geïntimeerde] , dan is deze op 11 oktober 2011 verjaard, aldus [geïntimeerde] .

3.5.

Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat de vordering van [bestuurder] tot betaling van de koopsom door [geïntimeerde] (zo die niet zou zijn betaald) is verjaard en dat de enkele stelling van de curator dat sprake is van een schijnconstructie onvoldoende grond is voor het honoreren van het beroep op de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 lid 2 BW).

Op grond daarvan heeft de rechtbank de vorderingen van de curator afgewezen en de curator in de proceskosten veroordeeld.

3.6.

De curator heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd en zijn eis gewijzigd in – kort gezegd - vernietiging van het vonnis in eerste aanleg en een veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling aan de curator van het bedrag waartoe beslagdebiteur [bestuurder] werd veroordeeld, te weten € 1.025.000,=. Met de grieven legt de curator het geschil in volle omvang aan het hof voor.

3.7.

Deze procedure betreft de vraag of [geïntimeerde] als derde beslagene een juiste verklaring heeft afgelegd. De curator betwist dat. De curator is van mening dat [geïntimeerde] de koopsom voor de in 2006 van [bestuurder] gekochte onroerende zaken nog verschuldigd is omdat die koopsom nooit aan [bestuurder] betaald is.

3.8.

In gevolge het bepaalde in artikel 477a Wetboek van Rechtsvordering (Rv) is een executant (i.c. de curator) bevoegd de juistheid van een afgelegde verklaring te betwisten door de derde (i.c. [geïntimeerde] ) binnen twee maanden na zijn verklaring te dagvaarden tot het doen van een gerechtelijke verklaring en tot betaling of afgifte van hetgeen volgens de vaststelling door de rechter aan de curator zal blijken toe te komen. Overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv draagt de curator als de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van het door hem gestelde de bewijslast van de stelling dat de afgelegde verklaring niet juist is.

3.9.

Naar [geïntimeerde] bij memorie van antwoord terecht stelt, miskent de curator in zijn gewijzigde vordering dat in het geval van dat een op de voet van art. 476a Rv door een derde afgelegde verklaring onjuist mocht worden geoordeeld, de derde niet tot een hogere betaling kan worden veroordeeld dan tot datgene wat hij aan de schuldenaar verschuldigd is. Voor zover de curator in zijn in hoger beroep gewijzigde vordering meer eist, zal zijn vordering reeds daarom moeten worden afgewezen.

3.10.

[geïntimeerde] bestrijdt dat hij een onjuiste verklaring heeft afgelegd. [geïntimeerde] voert onder meer, onder verwijzing naar het nemo plus-beginsel en het non-peius-beginsel, aan dat in eerste aanleg terecht is geoordeeld dat [bestuurder] hoe dan ook op de datum waarop [geïntimeerde] zijn verklaring aflegde niets meer van hem te vorderen had omdat een eventuele vordering van [bestuurder] op [geïntimeerde] uit hoofde van genoemde transactie op die datum reeds verjaard was.
voert verder aan niets aan [bestuurder] verschuldigd te zijn omdat de koopprijs wel is voldaan. Daarbij verwijst [geïntimeerde] naar de transportakte (citaat hiervoor onder 3.1.a), waaruit blijkt dat de koopsom is voldaan en dat [geïntimeerde] daarvoor is gekweten en verwijst hij naar een brief van 29 december 2011 van notaris mr. [notaris] (prod. 7 bij CvA) aan zijn advocaat, waarin mr. [notaris] schrijft dat uit het dossier blijkt dat de koopsom is voldaan doordat deze is verrekend met de ontvangen koopsom uit de (door)verkoop aan Neverend Holding N.V. onder verwijzing naar de bij die brief gevoegde afrekening (prod. 8 bij CvA).

3.11.

Naar het oordeel van het hof kan beantwoording van de vraag of de rechtbank met recht het beroep van [geïntimeerde] op verjaring van een eventuele vordering van [bestuurder] op hem heeft gehonoreerd en het beroep van de curator op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid ex artikel 6:2 lid 2 BW heeft verworpen achterwege blijven.
Het hof is van oordeel dat de curator - gelet op het de door [geïntimeerde] gemotiveerd gevoerde verweer en in dat verband gestelde gang van zaken, in het bijzonder de directe doorverkoop en –levering van de onroerende zaken aan Neverend Holding N.V. - onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd, die, indien bewezen, kunnen leiden tot de conclusie dat [bestuurder] nog iets van [geïntimeerde] te vorderen heeft en dat [geïntimeerde] een onjuiste verklaring heeft afgelegd.

Zo volgt uit het (door de curator gestelde en door [geïntimeerde] erkende) enkele feit dat [geïntimeerde] zelf geen koopsom aan [bestuurder] heeft betaald niet (zonder meer) dat [geïntimeerde] die koopsom nog aan [bestuurder] verschuldigd is. Integendeel, uit de onder de 3.1 hiervoor genoemde (authentieke) leveringsakte blijkt dat de koopsom is voldaan en dat [geïntimeerde] daarvoor is gekweten. Dat niet juist is wat door de notaris in de akte is opgenomen is gesteld noch gebleken. Uit voornoemde brief van mr. [notaris] blijkt bovendien dat de koopsom is voldaan doordat er bij de doorlevering een gelijke koopsom van Neverend Holding B.V. is ontvangen. Uit de afrekening blijkt dat er voor [geïntimeerde] na de doorlevering niets te betalen resteerde. De stelling van de curator dat uit die afrekening blijkt dat Neverend Holding B.V. de koopsom niet heeft voldaan, volgt het hof niet, maar is ook onvoldoende om aan de in beginsel dwingende bewijskracht van de akte af te doen. De (enkele) stelling tenslotte dat [geïntimeerde] heeft geparticipeerd bij de uitvoering van een schijnconstructie om vermogen van [bestuurder] aan verhaal te onttrekken, rechtvaardigt niet de conclusie dat [bestuurder] nog iets van [geïntimeerde] te vorderen heeft.
Voor het overige zijn door de curator geen voldoende onderbouwde feiten of omstandigheden gesteld, die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden, zodat het door de curator gedaan bewijsaanbod als niet relevant gepasseerd wordt.

3.12.

De slotsom van het voorgaande is dat niet is komen vast te staan dat tussen [bestuurder] en [geïntimeerde] sprake is (geweest) van een rechtsverhouding op grond waarvan [geïntimeerde] nog iets aan [bestuurder] verschuldigd is of zal worden. Derhalve is evenmin komen vast te staan dat [geïntimeerde] een onjuiste verklaring heeft afgelegd. De grieven falen en het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd onder aanvulling van gronden. De curator zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld, conform de vordering van [geïntimeerde] daartoe te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten als hierna bepaald. Eveneens conform verzoek van [geïntimeerde] zal dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis, onder aanvulling van gronden;

veroordeelt de curator in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op € 1.601,= aan verschotten en op € 4.580,= aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,= indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,= vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordeling en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten worden voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.A.M. van Schaik-Veltman, J.C.J. van Craaikamp en

J.J. Verhoeven en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 20 oktober 2015.

griffier rolraadsheer