Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4173

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-10-2015
Datum publicatie
22-10-2015
Zaaknummer
HD 200.140.513_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:7307, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

causaal verband tussen wateronttrekking en scheuren in panden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.140.513/01

arrest van 20 oktober 2015

in de zaak van

[appellant]

en

[appellant] Pensioen- en Beleggingen B.V.,

wonende respectievelijk gevestigd te [woonplaats] ,

appellanten,

advocaat: mr. J.C.M. Nuijten te Bergen op Zoom,

tegen

Delta Pipe B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven te ‘s-Hertogenbosch,

op het bij exploot van dagvaarding van 12 december 2013 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, civiel recht, zittingsplaats Middelburg op 25 september 2013 gewezen vonnis tussen appellanten - [appellant] c.s. dan wel, ieder voor zich, [appellant] respectievelijk [appellant] B.V. - als eisers en geïntimeerde -Delta Pipe- als gedaagde.

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

  • -

    Het hiervoor genoemde exploot van dagvaarding van 12 december 2013;

  • -

    de memorie van grieven waarbij producties zijn overgelegd;

  • -

    de memorie van antwoord waarbij producties zijn overgelegd;

  • -

    de akte houdende uitlating producties tevens overlegging producties;

  • -

    de antwoordakte.

Vervolgens is bepaald dat arrest zal worden gewezen. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

2 Het geding in eerste aanleg (zaaknr./rolnr. C/12/82891 / HA ZA 12-59)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnis en naar het tussenvonnis van 20 juni 2012, gewezen door de toenmalige rechtbank Middelburg .

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder “2. De feiten” feiten vastgesteld die niet zijn bestreden, zodat het hof van die feiten en nog enige relevante niet betwiste feiten zal uitgaan. Het hof geeft die feiten hierna weer.

a. In 2007 was [appellant] eigenaar van de onroerende zaken (percelen met opstallen) aan de [straatnaam 1][huisnummer 1] en de [straatnaam 2][huisnummer 1] op het bedrijventerrein [bedrijventerrein] te [woonplaats] . Het eveneens aldaar gelegen perceel met opstallen aan de [straatnaam 2][huisnummer 2] behoorde toen toe aan Holding [appellant] B.V. (hierna [appellant] B.V.).

Het pand [straatnaam 1][huisnummer 1] was in de betrokken periode geheel of gedeeltelijk verhuurd aan Wegener.

Het pand [straatnaam 2][huisnummer 2] was in de betrokken periode kennelijk in gebruik bij [appellant] B.V. en/of één of meer van haar dochtermaatschappijen.

Het pand [straatnaam 2][huisnummer 1] was verhuurd aan Las- en Constructiebedrijf [Las- en Constructiebedrijf] (hierna:LCS).

b. In de zomer van 2007 is in opdracht van Delta Pipe een gastransportleiding aangelegd

door Zuid-Beveland, de zogenaamde Zuid-Bevelandleiding (ZBL). Voor de realisatie van de

kruising van deze leiding met de Rijksweg A58 is tijdelijk grondwater onttrokken nabij de

afslag [woonplaats] aan de zuidzijde van het bedrijventerrein [bedrijventerrein] . De onttrekking

startte op 15 juni 2007.

c. Voor deze grondwateronttrekking werd bij beschikking van 18 januari 2007

vergunning verleend door Gedeputeerde Staten van de provincie Zeeland. De vergunning is

onder voorschriften verleend.

Artikel 7.3 van de vergunning (productie B1 bij dagvaarding in eerste aanleg) luidt:

“De technische staat van zettingsgevoelige objecten, waaronder ook begrepen ondergrondse

leidingen, waarbij (uit eventueel nader onderzoek gebleken) risico bestaat voor schade,

gelegen binnen een afstand van 100 meter aan weerszijden van de leiding, dient

voorafgaand aan de onttrekkingen (schriftelijk dan wel fotografisch) te worden vastgelegd.

Ter plaatse van deze objecten dienen tevens hoogtemerken te worden aangebracht die

voorafgaand, tijdens en na de onttrekking dienen te worden opgenomen door middel van

hoogtemeting.”

Ingevolge artikel 8, lid 1 van de vergunningsvoorschriften moet van de hoeveelheid

grondwater, die maandelijks door middel van de inrichting(en) wordt onttrokken, opgave

worden gedaan.

d. Nadat enkele eigenaren van panden gelegen op het industrieterrein [bedrijventerrein]

hadden gemeld dat zich aan hun panden schade had voorgedaan, heeft Delta Pipe de

werkzaamheden op l6 juli 2007 stilgelegd.

e. Bij brief van 23 augustus 2007 heeft de toenmalige advocaat van [appellant] c.s., mr. M.W.

Dieleman, Delta Pipe namens [appellant] en [appellant] B.V. aansprakelijk gesteld voor ten gevolge van de grondwateronttrekking geleden verzakkingsschade aan de panden gelegen aan de [straatnaam 2][huisnummer 2] , [straatnaam 2][huisnummer 1] en [straatnaam 1][huisnummer 1] .

f. Delta is met [appellant] B.V. en [appellant] ter zake [straatnaam 2][huisnummer 2] een schade-afhandelingsprocedure overeengekomen. De daarop betrekking hebbende brieven d.d. 12 december 2007zijn door [appellant] en [appellant] B.V. voor akkoord getekend. Met LCS, de huurder van het pand aan de [straatnaam 2][huisnummer 1] , is een gelijke schade-afhandelingsprocedure overeengekomen.

g. Omstreeks januari 2008 zijn de werkzaamheden ten behoeve van de aanleg van de

ZBL weer hervat. Voor deze werkzaamheden werd bij beschikking van 6 december 2007

aan Delta Pipe, met intrekking van de op 18 januari 2007 verleende vergunning ingevolge de

Grondwaterwet, een nieuwe (gewijzigde) vergunning voor het onttrekken van grondwater

verleend.

h. In het kader van de tussen partijen overeengekomen schade-afhandelingsprocedure

is onderzoek gedaan naar de gevolgen van de grondwateronttrekking voor de percelen gelegen aan de [straatnaam 2][huisnummer 2] , [straatnaam 2][huisnummer 1] en [straatnaam 1][huisnummer 1] .

i. Op 17 september 2007 heeft de expert van Delta Pipe, Adinex, de verzakkingen bij de bedrijfspanden aan de [straatnaam 2][huisnummer 2] en de [straatnaam 1][huisnummer 1] bekeken. Op 27 september 2007 en 24 december 2007 is een inspectie verricht bij het bedrijfspand aan de [straatnaam 2][huisnummer 1] . Op 30 augustus 2007 en op 14 september 2007 heeft het voor [appellant] c.s. optredende KnowRisk ter plaatse de toestand van de onroerende zaken aan de [straatnaam 2][huisnummer 2] , [straatnaam 2][huisnummer 1] en de [straatnaam 1][huisnummer 1] opgenomen. Na inspectie van de panden zijn beide experts tot dezelfde conclusie gekomen, inhoudende, kort samengevat, dat causaal verband tussen de grondwateronttrekking en de verzakkingen ontbreekt.

j. [appellant] c.s. hebben in maart 2008 Bouwkundig expertise/adviesbureau en

makelaarskantoor [expert] (hierna: [expert] ) ingeschakeld om nader onderzoek te

doen. [expert] heeft naar aanleiding daarvan voor elk perceel een rapportage d.d. 4 april 2008 opgesteld (productie 4 bij conclusie van antwoord). Hierin wordt de verzakkingsschade aan de onroerende zaken aan de [straatnaam 2][huisnummer 2] , [straatnaam 2][huisnummer 1] en de [straatnaam 1][huisnummer 1] omschreven alsmede de herstelwerkzaamheden.

k. Bij brief van 6 juni 2008 heeft [appellant] B.V. Gedeputeerde Staten van de Provincie Zeeland verzocht om een onderzoek conform artikel 37 van de Grondwaterwet. Het verzoek is in handen gesteld van de Commissie van Deskundigen Grondwaterwet (hierna: CDG), die vervolgens onderzoek heeft uitgevoerd naar de vermeende relatie tussen de grondwateronttrekking en de verzakkingen.

l. Bij brief van 5 januari 2011 heeft de CDG advies uitgebracht (productie 5 conclusie van antwoord). Dit advies houdt in, samengevat, dat het de commissie aannemelijk voorkomt dat er een causaal verband bestaat tussen de grondwateronttrekking en de geclaimde schade ter plaatse van de [straatnaam 1][huisnummer 1] . Een causaal verband tussen de grondwateronttrekking en de geclaimde schade aan de [straatnaam 2][huisnummer 2] en [straatnaam 2][huisnummer 1] acht de commissie niet aannemelijk.

m. In opdracht van de commissie heeft Grontmij Nederland B.V. (hierna: Grontmij)

de kosten van herstel begroot. De herstelkosten voor de [straatnaam 1][huisnummer 1] zijn begroot op

€ 11.665,52 (excl. BTW).

n. Bij brief van 1 februari 2011 heeft de advocaat van [appellant] c.s. tegen het advies van de

CDG bedenkingen ingediend. Aansluitend op de bedenkingen is een rapportage (gedateerd 4

april 2011) van de door [appellant] c.s. ingeschakelde deskundige, de heer dr.ir. [deskundige] (hierna: de heer [deskundige] ) van de TU Delft, aan de commissie gestuurd. Bij brief d.d. 28 juni 2011 heeft de CDG laten weten in de aangevoerde bedenkingen geen aanleiding te zien haar advies d.d. 5 januari 2011 te wijzigen.

o. Delta heeft met betrekking tot de gestelde schade aan de [straatnaam 1][huisnummer 1] het begrote schadebedrag van € 11.665,52, vermeerderd met de wettelijke rente, op 21 oktober 2011 aan [appellant] c.s. betaald. Dit zonder erkenning van enige aansprakelijkheid.

p. Bij notariële akte d.d. 30 december 2009 heeft [appellant] B.V. het perceel met opstallen aan de [straatnaam 2][huisnummer 2] in eigendom verkregen van [appellant] B.V. [appellant] heeft de onroerende zaken aan de [straatnaam 1][huisnummer 1] en de [straatnaam 2][huisnummer 1] aan derden verkocht en geleverd. Op 29 april 2008 is LCS eigenaar geworden van het pand en de ondergrond aan de [straatnaam 2][huisnummer 1] te [woonplaats] .

4.2

[appellant] c.s. hebben in eerste aanleg eis gevorderd, samengevat, veroordeling van Delta Pipe:

a. om aan hen, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te betalen € 227.530,10, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf (noot hof: geen datum vermeld) tot aan de dag van de algehele voldoening;

b. in de kosten van de procedure en in de nakosten, begroot op € 131,- en, indien Delta Pipe niet binnen 14 dagen na betekening van het te wijzen vonnis aan het vonnis heeft voldaan, te vermeerderen met € 68,-.

De rechtbank heeft de vordering afgewezen. De gevorderde schadevergoeding voor zover betrekking hebbende op de panden [straatnaam 2][huisnummer 2] en [straatnaam 2][huisnummer 1] is afgewezen omdat niet kan worden vastgesteld dat de verzakkingen en de daarmee verband houdende schade het gevolg is geweest van de grondwateronttrekkingen. De rechtbank heeft geoordeeld dat wel causaal verband kan worden aangenomen tussen de grondwateronttrekking en de opgetreden verzakking wat betreft perceel [straatnaam 1][huisnummer 1] . Voor zover [appellant] c.s. ter zake dat perceel meer schade hebben gevorderd dan reeds door Delta Pipe is betaald (zie r.o. 4.1 sub m) is die vordering afgewezen omdat het meer gevorderde onvoldoende is onderbouwd.

[appellant] c.s. zijn vervolgens door de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad veroordeeld in de proceskosten.

4.3

In dit hoger beroep vorderen [appellant] c.s. in hun appeldagvaarding, en onder het voordragen van 13 grieven in hun memorie van grieven, vernietiging van het vonnis van 25 september 2013 en alsnog toewijzing van hun oorspronkelijke vorderingen, met veroordeling van Delta Pipe in de kosten van het hoger beroep en eerste aanleg, met bepaling dat over de proceskostenveroordeling wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van 14 dagen na de datum van het in deze zaak te wijzen arrest en met uitvoerbaar verklaring bij voorraad van het arrest.

De grieven worden door Delta Pipe weersproken.

4.4

In de eerste grief klagen [appellant] c.s. erover dat de rechtbank ervan is uitgegaan dat zij al het causale verband moeten bewijzen.

Krachtens de hoofdregel van art. 150 Rv is het aan [appellant] c.s. die schadevergoeding vorderen omdat Delta Pipe jegens hen onrechtmatig zou hebben gehandeld, om te bewijzen dat er causaal verband bestaat tussen de door hen gestelde ingreep in de waterhuishouding bestaande uit de wateronttrekking door Delta Pipe en de opgetreden verzakkingen in de drie panden. Bijzondere omstandigheden kunnen wat dit betreft anders meebrengen (zie HR 7 mei 2004, NJ 2004, 422), doch dergelijke bijzondere omstandigheden zijn in deze zaak niet komen vast te staan. Zo is niet, in elk geval na de betwisting bij conclusie van antwoord niet voldoende onderbouwd gesteld of gebleken dat Delta Pipe zich niet heeft gehouden aan de wettelijke bepalingen en/of vergunningsvoorwaarden. De drie panden liggen verder ver buiten de 100 meter grens van art. 7.3 van de vergunning (zie r.o. 4.1 sub c, de nulmetingsgrens), zodat monitoring niet hoefde plaats te vinden. Partijen zijn het wat dat betreft niet met elkaar eens wat de precieze afstand van de percelen is tot de locatie vanuit welke het water is onttrokken, een pompput. Zij zijn het er wel over eens dat het perceel [straatnaam 1] in elk geval meer dan 300 meter verder ligt, [straatnaam 2][huisnummer 2] meer dan 500 meter en [straatnaam 2][huisnummer 1] meer dan 700 meter (zie de toelichting op grief 1. In de toelichting op grief 3 vermelden [appellant] c.s. weer andere afstanden). Dat er wat de onderhavige percelen betreft omstandigheden waren die met zich brachten dat Delta Pipe toch een nulmeting moest doen, is gesteld noch gebleken. Ook overigens hebben [appellant] c.s. niet voldoende onderbouwd gesteld dat Delta Pipe zich heeft gedragen in strijd met een norm die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade die rechtvaardigt dat Delta Pipe aannemelijk moet maken in de zin van ontzenuwen, dat geen causaal verband bestaat tussen de wateronttrekking en de zakkingen. De eerste grief faalt.

4.5

In de tweede grief klagen [appellant] c.s. erover dat de rechtbank is voorbijgegaan aan de verklaringen van [expert] en van [getuige 1] . De grief berust op een onvolledige lezing van het bestreden vonnis omdat uit r.o. 4.11 van het besteden vonnis blijkt dat de rechtbank niet aan deze verklaringen voorbij is gegaan, en overigens naar behoren heeft beoordeeld. Het hof zal hierna oordelen over de ook in deze grief aan de orde gestelde vraag of de rechtbank al dan niet zelf een deskundige had moeten benoemen.

4.6

In de derde grief stellen [appellant] c.s. aan de orde dat de rechtbank is uitgegaan van onjuiste afstanden tussen de pompput waar het grondwater is onttrokken en de drie percelen. De rechtbank is uitgegaan van een afstand van 300 meter tussen put en perceel [straatnaam 1] , terwijl [appellant] c.s. stellen dat de afstand 328 meter is, [straatnaam 2][huisnummer 2] ligt volgens de rechtbank op 550 meter van de put terwijl [appellant] c.s. stellen dat die afstand 544 meter is en [straatnaam 2][huisnummer 1] ligt volgens de rechtbank op 650 meter van de put terwijl [appellant] c.s. stellen dat de afstand 654 meter bedraagt.

Het hof kan aan deze grief voorbij gaan alleen al omdat [appellant] c.s. niet voldoende onderbouwd hebben vermeld in hoeverre die geringe verschillen in afstand tussen de door hen gestelde afstanden en de door de rechtbank gehanteerde afstanden relevant zijn.

4.7

In de vierde grief wordt niet geklaagd over een oordeel van de rechtbank dat op welke wijze dan ook heeft bijgedragen aan de afwijzing van de vordering, zodat die grief onbesproken kan worden gelaten.

4.8

In de vijfde en zesde grief stellen [appellant] c.s. aan de orde dat de rechtbank ten onrechte niet heeft aangenomen dat de verzakkingen aan de panden [straatnaam 2][huisnummer 2] en [straatnaam 2][huisnummer 1] (het hof houdt het ervoor dat [straatnaam 1][huisnummer 1] niet onder het bereik van deze grief valt omdat de rechtbank heeft geoordeeld dat Delta Pipe wel schadeplichtig is wat dit pand betreft) wel in juli/augustus 2007 zijn ontstaan. Zij hebben bij hun memorie van grieven tien verklaringen (AA1 tot en met AA10) overgelegd die, samengevat, inhouden dat in de zomer van 2007 wel (plotseling) verzakkingen zijn ontstaan. In elk geval de verklaringen van [getuige 2] , [getuige 3] , [getuige 4] , [Las- en Constructiebedrijf] , [getuige 5] , [getuige 6] , [getuige 7] en [getuige 8] hebben (deels) betrekking op de panden [straatnaam 2][huisnummer 2] en/of [straatnaam 2][huisnummer 1] . Verder volgt uit de schriftelijke verklaringen van [getuige 1] (productie D dagvaarding eerste aanleg en productie cc bij memorie van grieven) dat hij voor het eerst de verzakkingen heeft geconstateerd omstreeks september 2007. [getuige 1] heeft verder verklaard dat hij uit hoofde van zijn werkzaamheden in het kader van opstalverzekeringen 4 keer per jaar de panden bezoekt.

Naar het oordeel van het hof dienen de genoemde verklaringen, voor zover relevant, te worden gewogen met inachtneming van hetgeen hieromtrent is vermeld in de deskundigenrapporten. De deskundigenrapporten waar het hier om gaat zijn de rapporten van KnowRisk (productie 13 conclusie van antwoord), [expert] (productie 4 conclusie van antwoord), de CDG (productie 5 conclusie van antwoord) en Adinex (productie 12 conclusie van antwoord).

KnowRisk heeft [straatnaam 2][huisnummer 2] bezocht op 30 augustus 2007 en geconstateerd dat de betonvloer aan de rand op diverse plaatsen is gezakt ten opzichte van de onderheide bouwdelen; met name nabij de locaties waar staalrollen ten behoeve van zetwerk waren opgeslagen. De overgrote lengte van de vloerrand was slechts losgekrompen van de gevel. Er was wel een naad zichtbaar maar er was geen sprake van hoogteverschil van betekenis. Waar wel een hoogteverschil waarneembaar was is gezocht naar aanwijzingen om het hoogteverschil in de functie van de tijd te kunnen plaatsen, maar zijn geen omstandigheden waargenomen binnen dan wel langs de gevel aan de buitenzijde van het gebouw, waaruit het ontstaan van de zetting sinds de start van de grondwaterbemaling medio juni 2007 valt af te leiden. Ook de terreinverharding ter plaatse van de locatie toont niet het schadebeeld waaruit een plotseling opgetreden zetting van de bodem en/of zakking van het maaiveld kan worden afgeleid. Zij concludeert dat de zetting van de betonvloeren in de loods zal zijn ontstaan in de loop der tijd als gevolg van de bodemeigenschappen ter plaatse, in combinatie met de toepassing van de verschillende funderingsmethoden voor één bouwwerk.

KnowRisk heeft [straatnaam 2][huisnummer 1] bezocht op 14 september 2007 en op 17 september 2008. Geconstateerd is dat op diverse plaatsen in de loods de betonvloer aan de rand is gezakt ten opzichte van de onderheide bouwdelen. Mede als gevolg van de zetting van de vloer, is daar ook scheurvorming ontstaan, die zich heeft ontwikkeld vanaf de middenkolommen. Op de plaatsen waar een hoogteverschil waarneembaar was van de naad tussen de gevel en de betonvloer, is gezocht naar aanwijzingen om het ontstaan van het hoogteverschil in de functie van de tijd te kunnen plaatsen. Er is geen enkele omstandigheid binnen dan wel langs de gevel aan de buitenzijde van het gebouw waargenomen, waaruit het ontstaan van de zetting sinds de start van de grondwaterbemaling medio juni 2007 valt af te leiden. Ook de terreinverharding ter plaatse van de locatie toont niet het schadebeeld waaruit een plotseling opgetreden zetting van de bodem en/of zakking van het maaiveld kan worden afgeleid. Zij concludeert dat de zetting van de betonvloeren in de loods zal zijn ontstaan in de loop der tijd als gevolg van de bodemeigenschappen ter plaatse, in combinatie met de toepassing van de verschillende funderingsmethoden voor één bouwwerk.

De rapporten van [expert] van 4 april 2008 zijn opgemaakt naar aanleiding van een bezoek aan de panden op 21 maart 2008. Die rapporten geven enkel een beschrijving van de aangetroffen scheuren en verzakkingen. In die rapporten valt niet te lezen dat [expert] naar oorzaken heeft gezocht van de aangetroffen feitelijke situatie noch dat hij onderzoek heeft gedaan naar de tijdstippen waarop de verzakkingen zouden hebben plaatsgevonden.

Het rapport van de CDG vermeldt in elk geval wat de panden [straatnaam 2][huisnummer 2] en [straatnaam 2][huisnummer 1] betreft geen expliciete en concrete data waarop de verzakkingen zouden hebben plaatsgevonden.

Adinex heeft het pand [straatnaam 2][huisnummer 2] bezocht op 17 september 2007. Zij concludeert dat het oorzakelijk verband tussen de gepleegde grondwateronttrekking en de verzakkingen op zijn zachtst gezegd twijfelachtig is omdat:

- de gebruiker van [straatnaam 2][huisnummer 2] pas in week 36 van 2007 (noot hof: begin september) verzakkingen constateerde terwijl toen de onttrekkingsbron circa 50 dagen was uitgeschakeld;

- de mate van vuilheid en verkleuring van de getoonde scheurvorming en verzakking zodanig was dat deze als oud moeten worden gekwalificeerd;

- de afstand tussen het pand en de pompput te groot is.

Adinex heeft het pand [straatnaam 2][huisnummer 1] bezocht op 27 september en 24 december 2007. Zij concludeert dat het oorzakelijk verband tussen de gepleegde grondwateronttrekking en de verzakkingen op zijn zachtst gezegd twijfelachtig is omdat:

- de gebruiker LCS pas in week 36 van 2007 verzakkingen constateerde terwijl toen de onttrekkingsbron circa 50 dagen was uitgeschakeld;

- de mate van vuilheid en verkleuring van de getoonde scheurvorming en verzakking zodanig was dat deze als oud moeten worden gekwalificeerd;

- de afstand tussen het pand en de pompput te groot is;

- de verzakking zich het sterkst manifesteert daar waar de freesbanken staan en het gewicht daarvan met zich brengt dat sowieso zettingen te verwachten zijn.

Het hof heeft nota genomen van de door [appellant] c.s. overgelegde schriftelijke verklaringen, ook al zijn die niet altijd even concreet, eenduidig en/of zonder meer met elkaar te rijmen. Zo verklaart [getuige 2] (AA1) dat hij bijna wekelijks met [getuige 1] bezig was met het opnemen en in de gaten houden van verzakkingen, waar [getuige 1] het heeft over 4 keer per jaar. Verslagen van al die controles zijn niet overgelegd. [getuige 4] (AA3) heeft in abstracto verklaard dat hij zo af en toe bij [appellant] komt, en dat [appellant] hem na zijn vakantie de verzakkingen heeft laten zien. Daaruit valt niet te concluderen dat die verzakkingen hebben plaatsgevonden omstreeks juli 2007. In de verklaring van [getuige 5] (AA5) valt niet voldoende duidelijk te lezen wat en wanneer zij een en ander aan de panden heeft waargenomen. Dat geldt evenzeer voor de overige verklaringen. Hoe dit ook zij: de tegenstellingen tussen enerzijds de mededelingen van Adinex inhoudende dat zij op grond van de mate van vuilheid en verkleuring van de getoonde scheurvorming en verzakkingen concludeert dat die scheurvorming en verzakkingen oud zijn en van KnowRisk dat zij geen omstandigheden heeft waargenomen binnen dan wel langs de gevel aan de buitenzijde van het gebouw, waaruit het ontstaan van de zetting sinds de start van de grondwaterbemaling medio juni 2007 valt af te leiden en dat de terreinverharding ter plaatse van de locatie niet het schadebeeld toont waaruit een plotseling opgetreden zetting van de bodem en/of zakking van het maaiveld kan worden afgeleid en anderzijds de inhoud van de door [appellant] c.s. overgelegde verklaringen, zijn zodanig dat (ook als deze verklaringen onder ede worden bevestigd, zoals door [appellant] c.s. aangeboden) niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de scheurvorming en verzakkingen plotseling omstreeks juli 2007 hebben plaatsgevonden. Voor zover [appellant] c.s. hebben aangevoerd dat in elk geval de deskundigen Adinex en KnowRisk partijdig en/of onvoldoende objectief zijn, hebben zij dat onvoldoende feitelijk onderbouwd, zodat het hof alleen al daarom aan die stelling voorbij gaat. Dit betekent dat de grieven 5 en 6 falen.

4.9

De grieven 7 en 8 lenen zich voor gezamenlijke beoordeling omdat beide grieven betrekking hebben op de invloedsfeer van de wateronttrekking en de waardering van de CDG-rapportages (productie 5 en 8 conclusie van antwoord) en de opinie van [deskundige] (producties c1 dagvaarding in eerste aanleg), zijn e-mailbericht van 12 oktober 2011 (c2 dagvaarding in eerste aanleg) en zijn e-mailbericht van 26 juli 2012 (productie 19 overgelegd ten behoeve van de comparitie na antwoord).

[appellant] c.s. hebben niet toegelicht waaruit blijkt dat [deskundige] over grotere deskundigheid beschikt dan het collectief dat deel uitmaakt van de CDG noch hebben zij gewezen op onverenigbare standpunten in die opinies van de CDG en [deskundige] die maken dat het relevant zou zijn om te meten wie de grootste deskundigheid bezit, zodat het hof een en ander in het midden kan laten.

De CDG rapporteert op 5 januari 2011 ter zake de drie panden. In par. 4.3 is vermeld dat Delta Pipe drie peilbuizen heeft laten plaatsen op respectievelijk 165 meter, 200 meter en 275 meter van de pompput. Die peilbuizen zijn gebruikt om de invloed van de wateronttrekking vast te stellen die nodig was voor de aanleg van de ZBL. Aan de hand van de met de peilbuizen verkregen gegevens heeft de CDG vastgesteld dat het watervoerende pakket op de locatie [straatnaam 1][huisnummer 1] medio juli 2007 is verlaagd met 47 cm en dat de verlagingen op de locaties [straatnaam 2][huisnummer 2] en [straatnaam 2][huisnummer 1] nul cm bedroegen. In H. 5. Zetting vermeldt de CDG dat ter “plaatse van de [straatnaam 2][huisnummer 2] en [straatnaam 2][huisnummer 1] (noot hof: per abuis is vermeld “ [huisnummer X] ”) kan geen verlaging worden berekend en derhalve kan ook geen zakking als gevolg van de grondwateronttrekking optreden. Ter plaatse van de [straatnaam 2] is een dikker veenpakket aangetroffen (…) dan ter plaatse van de [straatnaam 1] . De veenlaag kan in combinatie met een ophooglaag een mogelijke verklaring zijn voor de aldaar opgetreden zakkingen.” In de bevindingen en conclusies is vermeld dat de terreinen aan de [straatnaam 2][huisnummer 2] en [straatnaam 2][huisnummer 1] zich bevinden buiten de invloedssfeer van de wateronttrekking. Op 28 juni 2011 rapporteert de CDG naar aanleiding van het rapport van [deskundige] : ”Voor wat betreft de analyse van de grondwaterstanden door de commissie komt de heer [deskundige] tot de conclusie dat door de beperkte hoeveelheid gegevens de kans op zakkingschade rond de bedrijfspanden [straatnaam 2][huisnummer 2] en [straatnaam 2][huisnummer 1] niet volledig is uitgesloten. Indien meer gegevens ter beschikking stonden, dan zou ook de laatste twijfel weggenomen kunnen worden, aldus zijn betoog. De commissie merkt op dat de heer [deskundige] , noch op grond van een analyse van de gemeten grondwaterstanden, noch op grond van een andersoortige analyse aannemelijk heeft gemaakt dat de bedrijfspanden [straatnaam 2][huisnummer 2] en [straatnaam 2][huisnummer 1] wel binnen de invloedssfeer van de grondwateronttrekking vallen. (…)”.

Wat de opinies van [deskundige] betreft merkt het hof allereerst het volgende op: bij dagvaarding in eerste aanleg is een opinie van [deskundige] overgelegd gedateerd 10 maart 2011. Daarin is als conclusie vermeld: “De kans dat in de zomer en het najaar van 2007 significante stijghoogtedalingen zijn opgetreden rond de panden [straatnaam 2][huisnummer 2] en [straatnaam 2][huisnummer 1] in [woonplaats] , die hebben geleid tot zakkingsschade, lijkt vrijwel uitgesloten. Maar de monitoring van de onttrokken hoeveelheden, van stijghoogten, grondwaterstanden en bouwkundige toestand van de panden zijn dermate beperkt dat absolute zekerheid niet is te geven. Inhomogeniteit van de ondergrond is in het betreffende gebied niet geheel uit te sluiten – maar kan zowel negatief als positief uitwerken op stijghoogte en zettingen. (…).

Bij conclusie van antwoord is als bijlage bij het stuk van 28 juni 2011 van de CDG overgelegd een opinie van [deskundige] van 4 april 2011. Daarin is als conclusie vermeld: De kans dat in de zomer en het najaar van 2007 significante stijghoogtedalingen zijn opgetreden rond de panden [straatnaam 2][huisnummer 2] en [straatnaam 2][huisnummer 1] in [woonplaats] , die hebben geleid tot zakkingsschade, is beperkt maar niet volledig uitgesloten. De monitoring van de onttrokken hoeveelheden, van stijghoogten, grondwaterstanden en bouwkundige toestand van de panden zijn dermate beperkt dat absolute zekerheid niet is te geven. Inhomogeniteit van de ondergrond is in het betreffende gebied niet geheel uit te sluiten – maar kan zowel negatief als positief uitwerken op stijghoogte en zettingen. (…).

Daarmee zijn die conclusies zonder dat dit is toegelicht, verschillend. De opinie van 10 maart 2011 vermeldt immers alleen “lijkt vrijwel uitgesloten” terwijl de opinie van 4 april 2011 vermeldt “is beperkt maar niet volledig uitgesloten”. Een verklaring voor dit nuanceverschil is niet gegeven. Hoe dit ook zij, uit geen van beide conclusies van [deskundige] kan worden afgeleid dat sprake is van causaal verband tussen de wateronttrekking en de verzakkingen en/of zettingen. In de e-mailberichten van 12 oktober 2011 en 26 juli 2012 van [deskundige] staat centraal dat hij niet heeft kunnen nagaan welke hoeveelheden grondwater zijn onttrokken noch wanneer dat is geschied. In deze e-mailberichten vermeldt [deskundige] niet dat dit van invloed is op zijn eerdere conclusie(s), zodat het hof het ervoor houdt dat hij blijft bij zijn conclusie dat de kans vrijwel uitgesloten is “dat in de zomer en het najaar van 2007 significante stijghoogtedalingen zijn opgetreden rond de panden [straatnaam 2][huisnummer 2] en [straatnaam 2][huisnummer 1] in [woonplaats] , die hebben geleid tot zakkingsschade” dan wel dat de kans beperkt is maar niet volledig uitgesloten “dat in de zomer en het najaar van 2007 significante stijghoogtedalingen zijn opgetreden rond de panden [straatnaam 2][huisnummer 2] en [straatnaam 2][huisnummer 1] in [woonplaats] , die hebben geleid tot zakkingsschade”.

In het kader van deze grieven, maar ook in de toelichting op eerdere grieven, hebben [appellant] c.s. aangevoerd dat de CDG wel causaal verband heeft vastgesteld tussen de wateronttrekking en de verzakking wat betreft [straatnaam 1][huisnummer 1] . Alleen al gelet op het feit dat de CDG ervan uit gaat dat het watervoerende pakket op de locatie [straatnaam 1][huisnummer 1] is verlaagd met 47 cm terwijl volgens de CDG er geen verlagingen zijn vastgesteld op de locaties [straatnaam 2][huisnummer 2] en [straatnaam 2][huisnummer 1] gaat die vergelijking mank. Het hof wijst er verder op dat uit de stukken die zich in het dossier bevinden moet worden afgeleid dat er vele oorzaken zijn die leiden tot verzakkingen of kunnen leiden tot verzakkingen, zoals de bodemsamenstelling, de aard en wijze waarop is gebouwd, de vraag of de grond is vastgetrild voordat is gebouwd, de onderlaag waarop is gebouwd, of er is geheid of niet, op welke wijze het gebouw gebruikt wordt en of het bouwkundig geschikt is voor dat gebruik enz. Ook om die redenen moet voorbij worden gegaan aan de stelling van [appellant] c.s. voor zover inhoudende dat de oorzaak van de zettingen en verzakkingen in de verschillende panden telkens enkel zou zijn gelegen in de wateronttrekking. Dit betekent dat ook de grieven 7 en 8 falen.

4.10

[appellant] c.s. voeren in grief 9 aan dat [expert] het gestelde causaal verband wel heeft aangetoond omdat hij contact heeft gehad met de diverse gebruikers van het pand en heeft vernomen dat de schade aan de drie bedrijfspanden plotseling is ontstaan.

De grief faalt alleen al omdat uit de twee rapporten van [expert] niet blijkt dat hij een dergelijk contact heeft gehad met diverse gebruikers. Uit de als productie A1 bij dagvaarding in eerste aanleg overgelegde verklaring van [expert] en de als productie 16 van hem overgelegde verklaring blijkt evenmin dat hij dergelijke contacten heeft gehad tijdens zijn bezichtiging. De grief faalt derhalve.

4.11

In grief 10 voeren [appellant] c.s. aan dat in elk geval aan de hand van de verklaringen van [getuige 1] het causaal verband tussen wateronttrekking en zakkingen van de panden [straatnaam 2][huisnummer 2] en [straatnaam 2][huisnummer 1] voldoende is aangetoond.

[getuige 1] heeft in zijn verklaring van oktober 2011 (D dagvaarding in eerste aanleg) niets anders vermeld dan dat hij tenminste vier keer per jaar elk pand van [appellant] c.s. heeft bezocht en pas in september 2007 (ernstige) verzakkingen en scheuren heeft waargenomen. Hij heeft verder zonder enige redengeving vermeld dat de verlaging van het grondwaterpeil een zeer behoorlijke impact heeft gehad op het pand [straatnaam 1][huisnummer 1] . Wat de panden [straatnaam 2][huisnummer 2] en [straatnaam 2][huisnummer 1] betreft heeft hij wat dat betreft niets concreets vermeld. In zijn “samenvatting en logica” is vervolgens vermeld dat alle bezochte panden plotseling beschadigd bleken te zijn en dat het verzakken uitsluitend heeft plaatsgevonden in de zomer van 2007, waarna geen noemenswaardige zetting/verzakking is geconstateerd. Hij vervolgt met: “Vele tientallen partijen zijn schadeloos gesteld, ook partijen die exact naast één van de locaties van [appellant] zijn gevestigd. Hiervan hebben we ooit een ingekleurde kaart gemaakt. Ik wil in dit geval spreken van een logica causaal verband, hoe kan het zijn dat naburige locaties schadeloos worden gesteld met daarbij ook nog de wetenschap dat deze locaties op nagenoeg dezelfde wijze zijn gebouwd als de panden van [appellant].”

Het hof leest hierin geen door onderzoek onderbouwde conclusie dat de onderhavige verzakkingen zijn veroorzaakt door de wateronttrekking. In de bij memorie van grieven als productie CC overgelegde verklaring van [getuige 1] van 13 februari 2014 heeft hij zijn op logica gebaseerde conclusies wat uitgebreid en noemt hij al het andere “theoretische modellen” omdat geen enkele deskundige met droge ogen kan verklaren of beredeneren dat 10 à 12 genoemde gedupeerden wel schadeloos worden gesteld, maar een gedupeerde met een gebouw op één meter afstand grenzend aan de gebouwen van die schadeloosgestelden niet. Uit niets blijkt echter dat hij als deskundige bijvoorbeeld heeft kennis genomen van het rapport van de CDG voor zover inhoudende dat de CDG ervan uitgaat dat het watervoerende pakket op de locatie [straatnaam 1][huisnummer 1] is verlaagd met 47 cm terwijl volgens de CDG er geen verlagingen zijn vastgesteld op de locaties [straatnaam 2][huisnummer 2] en [straatnaam 2][huisnummer 1] . Evenmin blijkt dat hij kennis heeft genomen van de conclusie van [deskundige] inhoudende dat de kans dat in de zomer en het najaar van 2007 significante stijghoogtedalingen zijn opgetreden rond de panden [straatnaam 2][huisnummer 2] en [straatnaam 2][huisnummer 1] in [woonplaats] , die hebben geleid tot zakkingsschade, beperkt is maar niet volledig is uitgesloten (waarbij het hof volstaat met de conclusie uit het rapport van 4 april 2011). Evenmin blijkt dat hij al die panden heeft onderzocht op zaken als bodemsamenstelling, de aard en wijze waarop is gebouwd, de vraag of de grond is vastgetrild voordat is gebouwd, de onderlaag waarop is gebouwd, of er is geheid of niet, op welke wijze het gebouw gebruikt wordt en of het bouwkundig geschikt is voor dat gebruik. Het hof volgt dan ook de rechtbank in haar conclusie dat ook met de opmerkingen van [getuige 1] niet in voldoende mate kan worden vastgesteld dat de zakkingen in de panden [straatnaam 2][huisnummer 2] en [straatnaam 2][huisnummer 1] zijn veroorzaakt door de wateronttrekking. Aldus faalt grief 10.

4.12

Grief 11 heeft naast de grieven 9 en 10 geen zelfstandige betekenis, zodat beoordeling daarvan achterwege kan blijven.

4.13

Uit het vorenstaande blijkt, kort gezegd, dat niet voldoende vaststaat dat de zakkingen plotseling in de zomer van 2007 zijn ontstaan. Gesteld noch gebleken is dat wat dit betreft nader onderzoek, bijvoorbeeld door een deskundige, hieromtrent nu nog uitsluitsel zal kunnen geven. Het was wat dat betreft aan [appellant] c.s. om bijvoorbeeld een deskundigenverklaring over te leggen waaruit blijkt dat een en ander zich nog wel kan laten vaststellen dan wel waaruit blijkt dat de conclusies omtrent de leeftijd van de zakkingen die zijn gemaakt door Adinex en/of KnowRisk tenminste aanvechtbaar zijn.

Uit de rapporten en opinies van de CDG en [deskundige] blijkt dat zij de kans dat er causaal verband bestaat tussen de wateronttrekking en de zakkingen wat de panden [straatnaam 2][huisnummer 2] en [straatnaam 2][huisnummer 1] betreft klein achten. Dat nader deskundigenonderzoek hier nog tot andere conclusies zou kunnen leiden, is onvoldoende toegelicht gesteld. Dat nader onderzoek naar de vraag welke hoeveelheden grondwater zijn onttrokken en/of wanneer dat is geschied nog mogelijk is of dat wat dit betreft een dergelijk onderzoek nog voor [appellant] c.s. relevante feiten aan het licht kan brengen is evenmin voldoende onderbouwd gesteld. Al met al acht het hof dan ook geen termen aanwezig om enig deskundigenonderzoek te gelasten naar de vraag of de wateronttrekking door Delta Pipe de oorzaak is geweest voor de zakkingen van de panden [straatnaam 2][huisnummer 2] en/of [straatnaam 2][huisnummer 1] . Daarmee behoeft ook de bij grief 2 aan orde gestelde vraag of de rechtbank een deskundige had moeten benoemen (zie r.o. 4.5) geen bespreking meer.

4.14

In grief 12 klagen [appellant] c.s. erover dat de rechtbank heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is dat herstel van de schade aan het pand [straatnaam 1][huisnummer 1] meer kost dan het reeds uitgekeerde bedrag van € 11.665,52.

Bij dagvaarding in eerste aanleg hebben [appellant] c.s. wat dit pand betreft gesteld dat de herstelkosten in totaal € 23.565,- bedragen (nr. 5 dagvaarding). Uit productie A3 bij dagvaarding in eerste aanleg blijkt dat dit bedrag is samengesteld als volgt:

Houmes afwerksystemen : € 1.100,- aan reeds gemaakte kosten;

Werknemers [appellant] : € 2.500,- aan reeds gemaakte kosten;

Meulenberg woninginrichting : € 4.780,- aan reeds gemaakte kosten;

ZAO, tijdelijke oplossing bij dorpels : € 7.185,- waarvan € 1.185,- reeds zijn gemaakt;

Vloer hal : € 8.000,-.

In de toelichting op grief 12 stellen [appellant] c.s. niet meer dan dat de Zeeuwse Asfalt Onderneming (ZAO) tijdelijke reparatiewerkzaamheden heeft verricht voor € 1.185,-, dat het liften van de vloer door ZOA € 7.917,- kostte en dat nog een toplaag aangebracht dient te worden ten bedrage van € 8.750,-. Dit is echter in totaal € 17.852,-. [appellant] c.s. hebben niet uitgelegd hoe dit bedrag zich verhoudt tot het in eerste aanleg gevorderde bedrag van in totaal € 23.565,- wat dit pand betreft. Kennelijk wensen [appellant] c.s. hun vordering wat dit pand betreft te verminderen tot in totaal € 17.852,-. Daarvan uitgaande en rekening houdende met het feit dat zij al hebben ontvangen € 11.665,52, resteert € 5.952,52, zoals ook Delta Pipe heeft becijferd in haar memorie van antwoord. Het hof begrijpt dat de toplaag niet door [appellant] c.s. is aangebracht, en dat zij kennelijk stellen dat de verkoopprijs is verlaagd met het bedrag dat de toplaag kost. Die stelling is niet onderbouwd met een verklaring van de koper van het pand [straatnaam 1][huisnummer 1] en de juistheid daarvan blijkt niet uit de abstracte verklaring van [expert] (productie A1 dagvaarding eerste aanleg). Daarin is niet meer vermeld dan dat de verplichting van de verkoper om onvolkomenheden te melden sterke invloed heeft gehad op de verkoopprijs van het pand. Daarmee is echter niet aannemelijk gemaakt dat [appellant] c.s. ter zake het pand [straatnaam 1][huisnummer 1] meer schade hebben geleden dan het reeds aan hen uitgekeerde bedrag, zodat ook deze grief faalt.

4.15

De dertiende grief berust op de vorige grieven. Nu deze alle niet zijn geslaagd, behoeft deze grief geen beoordeling.

4.16

Nu alle grieven falen zal het hof het vonnis bekrachtigen. Voor zover bewijs is aangeboden, is dat niet relevant of onvoldoende onderbouwd of te algemeen van aard, zodat het hof daaraan voorbij gaat.

[appellant] c.s. hebben ook in dit appel te gelden als de in het ongelijk gestelde partij, zodat zij in de proceskosten van dit appel zullen worden veroordeeld.

5 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] c.s. in de kosten van dit hoger beroep, aan de zijde van Delta Pipe begroot op € 4.961,- aan griffierecht en € 4.894,50 aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken proceskostenveroordeling en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, een en ander te vermeerderen met de wettelijke met ingang van twee weken na de dag van deze uitspraak;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, J.R. Sijmonsma en Th.C.M. Hendriks-Jansen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 20 oktober 2015.

griffier rolraadsheer