Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4169

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-10-2015
Datum publicatie
21-10-2015
Zaaknummer
HD 200.132.050_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:924
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 6:165 BW. Val door handicap. Bewijsopdracht

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6 165
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2015/501
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.132.050/01

arrest van 20 oktober 2015

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal appel, geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel appel,

advocaat: mr. P.J.A. van de Laar te Eindhoven,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal appel, appellant in voorwaardelijk incidenteel appel,

advocaat: mr. K.J.C.Y.M. Wenting te Weert ,

op het bij exploot van dagvaarding van 9 augustus 2013 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, burgerlijk recht, zittingsplaats Roermond gewezen vonnis van 3 juli 2013 tussen appellant - [appellant] - als eiser in conventie en verweerder in voorwaardelijke reconventie, en geïntimeerde - [geïntimeerde] - als gedaagde in conventie en eiser in voorwaardelijke reconventie.

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

  • -

    voornoemde dagvaarding van 9 augustus 2013;

  • -

    de memorie van grieven, waarbij producties zijn overgelegd;

  • -

    de memorie van antwoord tevens houdende voorwaardelijk incidenteel appel, waarbij een productie is overgelegd;

  • -

    de akte in de hoofdzaak en voorwaardelijke memorie (zoals het hof “conclusie” leest) van antwoord in het incidenteel appel;

  • -

    de akte houdende overleggen nadere productie zijdens [geïntimeerde] , waarbij als productie 2 een aantal verklaringen zijn overgelegd;

  • -

    de antwoordakte.

Vervolgens is bepaald dat arrest wordt gewezen. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

2 Het geding in eerste aanleg (zaak/rolnr. C/04/113838 / HA ZA 12-33)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnis van 3 juli 2013 en naar het daaraan voorafgaande vonnis van 9 januari 2013. In het vonnis van 9 januari 2013 wordt melding gemaakt van een door de toenmalige rechtbank Roermond, sector civiel in het incident gewezen vonnis van 8 augustus 2012. Dat vonnis is niet overgelegd.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de betreffende memories.

4 De beoordeling

in het principaal en voorwaardelijk incidenteel appel:

4.1

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 3 juli 2013 feiten vastgesteld. Het hof zal van die feiten, die niet, in elk geval niet genoegzaam zijn bestreden uitgaan. Verder staan als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist nog enige feiten vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van de vaststaande feiten voor zover relevant.

a. Partijen zijn kennissen en beiden woonachtig op een woonwagenkamp; [appellant] in [plaats 1] en [geïntimeerde] in [plaats 2] . Op enig moment heeft [appellant] [geïntimeerde] uitgenodigd om een keer bij hem thuis een dvd te komen bekijken.

b. [geïntimeerde] heeft sinds 2010 een verbrijzelde voet, waarvoor hij een speciale schoen draagt.

c. [geïntimeerde] is op 25 augustus 2011 naar de woning van [appellant] gegaan. [geïntimeerde] heeft bij binnenkomst zijn schoenen uitgedaan. [appellant] heeft hem een kop koffie aangeboden en gezegd dat [geïntimeerde] in de woonkamer plaats kon nemen. [geïntimeerde] is op de bank gaan zitten, terwijl [appellant] in de keuken koffie aan het zetten was.

d. Op enig moment is [geïntimeerde] opgestaan van de bank en heeft daarbij zijn evenwicht verloren. Hij heeft steun gezocht en daarbij een porseleinen vaas die op tafel stond, omgestoten. Op de grond naast de tafel stond ook nog porselein en de vaas is op dit porselein gevallen. [appellant] was op dat moment nog in de keuken.

e. Ter plekke is een met de hand geschreven verklaring opgesteld en door beide partijen ondertekend. Deze verklaring (productie 1 memorie van grieven) luidt als volgt:

“25-08-2011

Hiermede stel ik de heer [geïntimeerde] aansprakelijk voor de schade die hij heeft veroorzaakt aan mijn Saksijse Beelden

Ik stond koffie in te schenken in de keuken

Toen hoorde ik een klap en zag [geïntimeerde] liggen over mijn porceleinen beelden (…)”

f. [appellant] heeft foto’s gemaakt van het gebroken en beschadigde porselein.

g. De [kunsthandel] kunsthandel heeft na een telefonisch verzoek van [appellant] de schade aan het porselein getaxeerd en een taxatierapport d.d. 26 augustus 2011 uitgebracht. In voornoemd taxatierapport is geschreven dat het porselein niet meer te repareren was. De kosten voor vervanging van het porselein zijn getaxeerd op € 39.455,00. Een overgelegde nota vermeldt dat de [kunsthandel] Kunsthandel € 1.600,- in rekening heeft gebracht voor het taxatierapport.

h. Het als productie 1 bij memorie van antwoord door [geïntimeerde] overgelegde e-mailbericht van [kunsthandel] Kunsthandel aan I-Tek van 6 oktober 2011 houdt in, voor zover relevant:

“(…)

Hoogstwaarschijnlijk is de telefonische afspraak gemaakt op 24 augustus j.l. een dag eerder van zijn bezoek aan ons.

Op 25 augustus j.l. laat in de middag na 18.00 uur heeft Dhr. [appellant] ons bezocht met de beschadigde porseleinen goederen en zijn deze gefotografeerd (…)”

i. [geïntimeerde] heeft het voorval van 25 augustus 2011 telefonisch gemeld aan [schadeverzekering] , de verzekeringsmaatschappij waarmee hij een doorlopende verzekeringsovereenkomst heeft voor een wettelijke aansprakelijkheidsverzekering (hierna: WA-verzekering).

j. Op 31 augustus 2011 is er een schade-aangifte-formulier ingevuld in de woning van [geïntimeerde] . Voornoemd formulier is door [geïntimeerde] ondertekend en vervolgens opgestuurd aan [schadeverzekering] . Op dit formulier staat onder meer, voor zover thans van belang, het volgende:

“(…) Geef een zo duidelijk mogelijke omschrijving van de toedracht van de schade: Ik ( [geïntimeerde] ) stond op verloor evenwicht ben daardoor gevallen. Raakte de vaas v/d tafel en die viel op de andere stukken. Evenwicht verloren door opgelopen verbrijzelde voet in 2010. (…)

Wie is naar uw mening aansprakelijk en waarom: Ik ( [geïntimeerde] ) omdat ik ook gevallen ben

(…)

Gegevens beschadigde en/of verloren goederen

  1. grote vaas

  2. schemerlampen

  3. Melkvrouwtje + diverse

  4. andere stukken porselein”

In de kolom “Aankoopbedrag/Schatting van de schade” zijn geen bedragen ingevuld.

k. [schadeverzekering] heeft I-tek B.V. (hierna: I-tek) opdracht gegeven om onderzoek te verrichten naar de toedracht van het voorval van 25 augustus 2011 en naar de schade. I-tek heeft onder meer [appellant] en [geïntimeerde] gehoord over de toedracht. Vervolgens heeft I-tek [appellant] verschillende malen schriftelijk verzocht medewerking te verlenen om een onderzoek in te kunnen stellen naar de telefoongegevens van [appellant] en de geheugenkaart van het fototoestel waarmee foto’s van het porselein zijn gemaakt. [appellant] heeft zijn telefoongegevens en de geheugenkaart van het fototoestel niet ter beschikking gesteld. [schadeverzekering] heeft tot op heden geen schadevergoeding uitgekeerd.

l. Bij brief van 21 november 2011 heeft de raadsman van [appellant] [geïntimeerde] schriftelijk aansprakelijk gesteld voor de schade aan het porselein en hem gesommeerd een bedrag van € 41.055,- binnen tien dagen te betalen. [geïntimeerde] heeft niets aan [appellant] betaald.

m. Nadat [geïntimeerde] door [appellant] is gedagvaard, heeft [geïntimeerde] [schadeverzekering] op 11 september 2012 gedagvaard in de vrijwaringsprocedure (zaaknummer C/04/118370, rolnummer HA ZA 12-290). De rechtbank heeft in beide zaken gelijktijdig vonnis gewezen.

4.2.1

[appellant] heeft in eerste aanleg in conventie gevorderd – samengevat – veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 41.055,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 december 2011 en veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

De rechtbank heeft de vordering afgewezen omdat, kort gezegd, [geïntimeerde] in juridische zin geen aansprakelijkheid heeft erkend en overigens geen sprake is van onrechtmatig handelen. [appellant] is in conventie in de proceskosten veroordeeld.

4.2.2

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg in reconventie bij voorwaardelijke eis gevorderd – samengevat – dat [appellant] wordt veroordeeld om binnen vijf dagen na de betekening van het vonnis aan [schadeverzekering] de telefoongegevens en geheugenkaart van het digitale fototoestel te verstrekken en dat [appellant] wordt veroordeeld om binnen vijf dagen na de betekening van het vonnis zijn volledige medewerking te verlenen aan al hetgeen nodig is om de schadeclaim te onderzoeken, beide vorderingen op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

Deze door [geïntimeerde] voorwaardelijk ingestelde eis behoefde volgens de rechtbank geen behandeling omdat de vordering in conventie werd afgewezen.

4.3

In dit hoger beroep vordert [appellant] bij memorie van grieven onder het voordragen van twee grieven vernietiging van het vonnis van 3 juli 2013 en veroordeling van [geïntimeerde] , voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om aan [appellant] te voldoen € 41.055,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties.

In het voorwaardelijk incidenteel appel heeft [appellant] geconcludeerd tot verwerping van de grieven met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties.

[geïntimeerde] heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis dan wel voor zover enige vordering van [appellant] mocht worden toegewezen tot toewijzing van de in eerste aanleg ingestelde voorwaardelijke reconventionele vordering, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten van eerste aanleg en het hoger beroep.

4.4

In grief I in het principaal appel stelt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [geïntimeerde] noch zijn aansprakelijkheid noch de vordering van [appellant] heeft erkend.

Er kan alleen sprake zijn van erkenning van aansprakelijkheid indien er feiten vaststaan die leiden tot aansprakelijkheid. Anders gezegd: als er geen aansprakelijkheid is, kan deze ook niet worden erkend. Dit betekent dat de eerste grief in elk geval niet kan slagen als de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] niet komt vast te staan. Daarover gaat de tweede grief waarin wordt geklaagd over het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van een onrechtmatige daad. Het hof zal daarom allereerst beoordelen of sprake is van een onrechtmatige daad.

4.5.1

Uit de toelichting op grief I blijkt dat [appellant] in dit hoger beroep onder meer aan zijn vordering ten grondslag legt dat [geïntimeerde] is gevallen omdat hij zijn evenwicht heeft verloren door zijn verbrijzelde voet.

Het hof stelt voorop dat indien iemand valt en daarbij schade veroorzaakt, niet zonder meer sprake is van een onrechtmatige daad. De val kan bijvoorbeeld zijn veroorzaakt door een ongelukkige samenloop van omstandigheden, waarbij ook iemand zonder handicap gevallen zou (kunnen) zijn. Het enkele feit dat [geïntimeerde] een verbrijzelde voet heeft, betekent dus niet dat hij zonder meer aansprakelijk is voor de schade die is veroorzaakt door zijn valpartij. Indien [geïntimeerde] echter tijdens het opstaan, een als een doen te beschouwen gedraging, onder invloed van zijn verbrijzelde voet is gevallen, en dus bij het opstaan geen of onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn handicap, is krachtens art. 6:165 lid 1 BW deze lichamelijke tekortkoming geen beletsel om haar als een onrechtmatige daad aan de dader toe te rekenen. Het hof zal daarom eerst beoordelen of de val van [geïntimeerde] is veroorzaakt omdat hij zijn evenwicht heeft verloren door zijn verbrijzelde voet.

4.5.2

Uit r.o. 4.1 sub j hiervoor blijkt dat [geïntimeerde] zes dagen na de dag van het schadeveroorzakende voorval zelf, kennelijk met penvoering door zijn vrouw (zie nr. 43 memorie van antwoord in principaal appel), een schade-aangifte-formulier heeft ingevuld. Hij heeft daarop vermeld “evenwicht verloren door opgelopen verbrijzelde voet in 2010”. Hiermee geeft [geïntimeerde] een feitelijke omschrijving van de gebeurtenis die inhoudt dat hij is gevallen doordat hij door zijn verbrijzelde voet, dus wegens een lichamelijke tekortkoming, zijn evenwicht verloor. Daarmee staat zijn aansprakelijkheid gelet op art. 6:165 lid 1 BW vast. Het hof ziet, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet op welke wijze de stelling van [geïntimeerde] dat hij wat moeite had met opstaan vanwege de zachtheid en diepte van de bank (nr. 14 van zijn memorie van antwoord), wat dit betreft af doet aan zijn opmerking dat hij zijn evenwicht heeft verloren door de verbrijzelde voet.

Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ontgaat het het hof eveneens dat relevant zou zijn dat het schade-aangifte-formulier niet is gericht aan [appellant] . [geïntimeerde] geeft immers in genoemd schadeformulier een feitelijke omschrijving van het voorval. Die feitelijke toedracht verandert niet afhankelijk van het antwoord op de vraag aan wie die feitelijke omschrijving wordt gegeven. Het hof gaat voorbij aan de betwisting door [geïntimeerde] dat hij heeft erkend dat hij ten gevolge van de verbrijzelde voet sneller dan de gemiddelde burger zijn evenwicht verliest (zie nr. 41 van zijn memorie van antwoord). Het is immers niet relevant of hij door zijn lichamelijke tekortkoming al dan niet sneller zijn evenwicht verliest. Relevant is waarom hij zijn evenwicht heeft verloren, en dat is, zo blijkt uit zijn eigen verklaring, door zijn verbrijzelde voet. Voor zover al juist is dat de bank waarin [geïntimeerde] zat, zacht en diep was, en dat hij moeite had met opstaan, doet dit, zonder voldoende toelichting, die niet is gegeven, niet af aan zijn eigen verklaring op het schade-aangifte-formulier voor zover inhoudende “evenwicht verloren door opgelopen verbrijzelde voet in 2010”. Gelet op dit alles komt het hof wat dit betreft niet toe aan een bewijsopdracht. Gelet op de vaststaande oorzaak hoeft geen verder onderzoek te worden gedaan naar de vraag of [geïntimeerde] al dan niet zijn schoenen uit moest doen, of hem al dan niet een verplichte zitplaats is aangewezen en naar de mogelijke gladheid van de vloer.

4.5.3

In nr. 43 van zijn memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] nog aangevoerd dat het schade-aangifte-formulier tot stand is gekomen onder invloed van bedrog, misbruik van omstandigheden en dwaling, en hij wenst dit te bewijzen indien het hof van oordeel is dat hij aansprakelijkheid of schadeplichtigheid heeft erkend. Het hof gaat in dit verband aan dit aanbod voorbij omdat het hof niet heeft geoordeeld dat [geïntimeerde] aansprakelijkheid of schadeplichtigheid heeft erkend in dit formulier. Het hof heeft enkel de door [geïntimeerde] zelf gerelateerde feitelijke toedracht voor juist aangenomen. Aan de hand van deze feitelijke toedracht komt het hof tot het oordeel dat [geïntimeerde] aansprakelijk is, niet omdat [geïntimeerde] dat zou hebben erkend in genoemd formulier.

4.6.1

Resteert het antwoord op de vraag welke schade [geïntimeerde] door zijn val heeft veroorzaakt. [appellant] stelt dat die schade in totaal € 41.055,- bedraagt. Ter onderbouwing daarvan heeft hij bij inleidende dagvaarding overgelegd een taxatierapport van “ [kunsthandel] Kunsthandel” van 26 augustus 2011, waarin valt te lezen dat 11 Saksisch porseleinen objecten onherstelbaar zijn beschadigd en dat die in totaal een waarde vertegenwoordigen van € 39.455,-. Voor het opstellen van het rapport is € 1.600,- in rekening gebracht.

4.6.2

Dat schade is veroorzaakt staat vast omdat [geïntimeerde] zelf heeft verklaard dat er porselein was gebroken (zie nrs. 10-11 van zijn incidentele conclusie houdende verzoek tot vrijwaring tevens conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie en het ingevulde schade-aangifte-formulier onder de post “gegevens beschadigde en/of verloren goederen” zoals vermeld in r.o. 4.1 sub j). [geïntimeerde] betwist echter het aantal voorwerpen dat ten gevolge van zijn val zou zijn beschadigd en de waarde van die voorwerpen.

Anders dan [appellant] lijkt te stellen blijkt nergens uit dat [geïntimeerde] het schadebedrag zou hebben erkend. Het moet er eerder voor worden gehouden dat [geïntimeerde] geen idee had welke objecten precies zouden zijn beschadigd en evenmin een idee had van de hoogte van de schade. Op het schade-aangifte-formulier is bij gegevens beschadigde goederen immers alleen vermeld “grote vaas, 2 schemerlampen, melkvrouwtje + diverse andere stukken porselein”. In de kolom waarin schadebedragen konden worden vermeld op het schade-aangifte-formulier is zelfs geen enkel bedrag ingevuld.

Het taxatierapport is een eenzijdig op verzoek van [appellant] opgesteld rapport. [geïntimeerde] heeft daar in het geheel geen bemoeienis mee gehad. Het beweerdelijk gebroken porselein is niet aan [geïntimeerde] ter hand gesteld of naderhand getoond. Gelet op dit alles is de betwisting van het aantal beschadigde voorwerpen en van de waarde daarvan door [geïntimeerde] voldoende onderbouwd, zodat het aan [appellant] is die schade te bewijzen. Het hof zal hem daartoe in de gelegenheid stellen. Het hof zal in het dictum van dit arrest een opsomming geven van de 11 stukken met een korte omschrijving en de gestelde waarde, zoals een en ander is vermeld in het taxatierapport van [kunsthandel] Kunsthandel. Voor de volledige omschrijving wordt verwezen naar het bij dagvaarding in eerste aanleg overgelegde taxatierapport van [kunsthandel] Kunsthandel.

4.6.3

Uit de stukken blijkt, kort gezegd, dat partijen van mening verschillen over het antwoord op de vraag waartoe [appellant] zou zijn gehouden voor wat betreft het bewijs van zijn schade. [appellant] heeft onder meer aangevoerd dat hij onverplicht nogal wat heeft gedaan. [geïntimeerde] daarentegen voert onder meer aan dat [appellant] heeft geweigerd om zijn telefoongegevens te verstrekken aan de hand waarvan kan worden gecontroleerd op welk tijdstip hij de taxatie-afspraak bij [kunsthandel] Kunsthandel heeft gemaakt en ook heeft geweigerd om de geheugenkaart van het fototoestel waarmee hij de beschadigde voorwerpen heeft gefotografeerd, ter beschikking te stellen. Aan de hand van die geheugenkaart kan mogelijk worden vastgesteld wanneer de foto’s van het beschadigde porselein zijn genomen.

In dit stadium van het geding past het niet om al in concreto over dit onderdeel van het geschil te oordelen. In abstracto heeft echter te gelden dat het aan partijen is om te beslissen welk bewijs zij in de procedure willen inbrengen. Het is vervolgens aan het hof om dit bewijs te waarderen. Bij een dergelijke waardering kan eveneens worden meegewogen welke mogelijke bewijsmiddelen juist niet zijn ingebracht.

4.7

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De uitspraak

Het hof:

alvorens verder te beslissen:

in het principaal appel:

laat [appellant] toe te bewijzen dat door de val van [geïntimeerde] op 25 augustus 2011 onherstelbaar zijn beschadigd:

  1. een Saksisch porseleinen schemerlamp met Spitzen porselein, 42 cmh, ter waarde van € 1.450,- (foto 1);

  2. een Saksisch porseleinen schemerlamp met Spitzen porselein, 38 cmh, ter waarde van € 1.650,- (foto 2);

  3. een Saksisch porseleinen figuur, dame schelp heup, 25 cmh, ter waarde van € 970,- (foto 3);

  4. een Saksisch porseleinen schaal op voet, 32cmh, ter waarde van € 1.450,- (foto 4);

  5. en Saksisch porseleinen kandelaar met 5 kaars, 58 cmh, ter waarde van € 1.350,- (foto 5);

  6. een Saksisch porseleinen schaal op voet, 43 cmh, ter waarde van € 1.835,- (foto 6);

  7. een Saksisch porseleinen schaal, 20x29 cm, ter waarde van € 435,- (foto 7);

  8. een Saksisch porseleinen schaal met kinderen, 34x18cm, ter waarde van € 785,- (foto 8);

  9. een Saksisch porseleinen groep met figuren, 24x20x30 cm, ter waarde van € 1.680,- (foto 9);

  10. een Saksisch porseleinen groep met figuren, draagkoets, 2 paarden 51x16x33 cm, ter waarde van € 4.600,- (foto 10);

  11. een Saksisch porseleinen potpourri vaas, 3 delen, 90 cmh, ter waarde van € 23.250,- (foto’s 11 t/m/ 14);

bepaalt, voor het geval [appellant] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. M. van Ham als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 3 november 2015 voor opgave van het aantal getuigen zijdens [appellant] en van de verhinderdata van de verschenen partij(en), hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van [appellant] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

in het principaal en voorwaardelijk incidenteel appel:

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. van Ham, J.R. Sijmonsma en J.H.C. Schouten en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 20 oktober 2015.

griffier rolraadsheer