Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4168

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-10-2015
Datum publicatie
21-10-2015
Zaaknummer
HD 200.128.865_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2013:11685, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verschuldigdheid facturen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.128.865/01

arrest van 20 oktober 2015

in de zaak van

[appellant] , h.o.d.n. Bestratingsbedrijf [appellant],

wonende te [woonplaats 1] ,

appellant,

hierna aan te duiden als “ [appellant] ”,

advocaat: mr. B.C.A. Reijnders te Venlo,

tegen

[geïntimeerde] , h.o.d.n. [geïntimeerde] Bestratingen,

wonende te [woonplaats 2] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als “ [geïntimeerde] ”,

advocaat: mr. H.J. Brinkman te Zoetermeer,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 6 augustus 2013 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, sector kanton onder zaaknummer 352017\CV EXPL 12-4670 gewezen vonnis van 26 februari 2013.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 6 augustus 2013 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 28 oktober 2013;

  • -

    de akte van [appellant] van 12 november 2013;

  • -

    het ter rolle van 12 november 2013 door [geïntimeerde] bij H16-formulier gedane verzoek;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met producties.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

7 De beoordeling

7.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. [geïntimeerde] heeft begin 2012 in opdracht van [appellant] bestratingswerkzaamheden verricht tegen een uurtarief van € 30 ten behoeve van een fietsenstalling op treinstation [woonplaats 2] .

  2. [geïntimeerde] heeft ter zake van deze werkzaamheden aan [appellant] zeven facturen verzonden, genummerd 201203, 201204, 201206, 201210, 201211, 201212 en 201213.

  3. [appellant] heeft de facturen, genummerd 201203 en 201204 voldaan. Het resterend gefactureerde bedrag, in totaal bedragende € 10.560, is onbetaald gebleven.

7.2.1.

In de onderhavige procedure vordert [geïntimeerde] betaling van genoemd bedrag van
€ 10.560, vermeerderd met rente en kosten, waaronder buitengerechtelijke kosten. Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] , kort samengevat, ten grondslag gelegd de stelling dat de bij genoemde facturen in rekening gebrachte werkzaamheden daadwerkelijk gedurende de op de facturen genoemde data en uren zijn verricht.

7.2.2.

[appellant] heeft dit laatste bij gebrek aan wetenschap weersproken. Hij heeft, kort samengevat, aangevoerd bij gebrek aan afgetekende werkbonnen niet te kunnen vaststellen of gedurende de opgevoerde uren is gewerkt. Slechts de betaalde facturen zagen volgens [appellant] op werkzaamheden waarvoor werkbonnen zijn afgetekend.

7.3.

De kantonrechter heeft, nadat [geïntimeerde] zijn vordering nader had onderbouwd en [appellant] hierop niet nader had gereageerd, bij het bestreden vonnis de vordering van [geïntimeerde] toegewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld.

7.4.

[appellant] heeft in hoger beroep twee grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vordering van [geïntimeerde] onder veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in eerste aanleg en de procedure in hoger beroep.

7.5.1.

Door middel van de eerste grief heeft [appellant] betoogd – in het kader van zijn betwisting van het aantal feitelijk gewerkte uren – dat het aantal door [geïntimeerde] gefactureerde uren van 428½ buitenproportioneel en daarom onaannemelijk hoog is en dat [geïntimeerde] dit aantal uren redelijkerwijs niet heeft kunnen factureren. [appellant] heeft een drietal stratenmakers gevraagd naar het aantal uren dat zij nodig zouden hebben om onderhavige werkzaamheden te verrichten. Deze stratenmakers hebben hierop volgens [appellant] geantwoord dat het hen ongeveer 360 uren, respectievelijk ongeveer 288 uren dan wel ongeveer 420 uren zou kosten, derhalve ongeveer 356 uren gemiddeld. Hiernaast, zo heeft [appellant] vervolgens gesteld, heeft [appellant] ook nog met eigen personeel 367 uren gewerkt aan onderhavig project. [appellant] acht het onaannemelijk dat 367 uren én 428½ uren is gewerkt aan onderhavige werkzaamheden. Daarmee is overigens ook sprake van een buitenproportionele verhouding tussen omzet en kosten. Afgetekende werkbonnen ontbreken en [appellant] heeft de overgelegde facturen niet ontvangen, aldus [appellant] .

7.5.2.

[appellant] heeft bij de tweede grief de toewijzing van de vordering van [geïntimeerde] in het algemeen en de toewijzing van de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten in het bijzonder aangevochten. Deze kosten doorstaan naar het standpunt van [appellant] de dubbele redelijkheidstoets niet. De verrichte handelingen rechtvaardigen het ter zake toegewezen bedrag van € 800 niet. Voorts lijdt [geïntimeerde] de betreffende schade niet, omdat hij een rechtsbijstandsverzekering heeft, aldus [appellant] .

7.6.1.

[geïntimeerde] heeft gesteld dat de gefactureerde uren ook daadwerkelijk zijn gemaakt. Onderhavige werkzaamheden hebben volgens [geïntimeerde] meer omvat dan de werkzaamheden waarvoor [appellant] de overgelegde offertes heeft opgevraagd. [geïntimeerde] heeft ook offertes bij drie andere statenmakers opgevraagd. Deze stratenmakers hebben aangegeven in te schatten dat de werkzaamheden gemiddeld 417 uur zouden vergen. Het door [geïntimeerde] in rekening gebrachte aantal uren is naar de stellingen van [geïntimeerde] niet buitenproportioneel noch onaannemelijk. [geïntimeerde] heeft voorts de mate waarin [appellant] met eigen personeel zou hebben gewerkt weersproken en aangevoerd dat de al dan niet door hen gewerkte uren niet af doen aan de uren die [geïntimeerde] heeft gewerkt. Een eventueel buitenproportionele verhouding tussen omzet en kosten dient naar de stellingen van [geïntimeerde] voor rekening van [appellant] te blijven. [appellant] heeft onderhavige facturen wel degelijk ontvangen. [geïntimeerde] heeft meerdere malen om werkbonnen gevraagd, maar [appellant] heeft deze niet verschaft.

7.6.2.

Toewijzing van de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is gerechtvaardigd, aldus ten slotte [geïntimeerde] .

7.7.1.

Het hof overweegt dat bij gebrek aan afspraken over het aantal in rekening te brengen uren heeft te gelden dat dat aantal uren een redelijk aantal dient te zijn. Met de vaststelling dat [geïntimeerde] gedurende een aantal weken bestratingswerkzaamheden heeft verricht is vooralsnog de redelijkheid van de op deze periode aansluitende facturen van [geïntimeerde] voldoende gegeven. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] hiertegen onvoldoende ingebracht. Uit het enkele feit dat een drietal stratenmakers te kennen heeft gegeven de werkzaamheden in minder tijd te kunnen verrichten, volgt niet dat het door [geïntimeerde] gefactureerde aantal uren niet redelijk is. Voorts maakt een vaststelling van een gemiddeld te besteden aantal uren, zoals door [appellant] gedaan, nog niet dat een dat urenaantal te boven gaande hoeveelheid buitenproportioneel is. Dat het gefactureerde aantal uren buitenproportioneel is, wordt door het drietal door [appellant] opgevoerde offertes (ook verder) geenszins bevestigd. Uit de uiteenlopende aantallen blijkt niet méér dan dat de inschattingen van de door [appellant] benaderde stratenmakers van de te maken uren zeer van elkaar verschillen. Eén van de offertes komt min of meer op het zelfde aantal uren (420 uren versus 428½ uren) uit. [appellant] heeft niet toegelicht waarom genoemd gemiddelde als redelijkheidsmaatstaf zou hebben te dienen. Het hof ziet voorts niet in hoe de stelling van [appellant] dat hij ook nog met eigen personeel 367 uren heeft gewerkt zijn aanvechting van de redelijkheid van het door [geïntimeerde] gefactureerde aantal uren zou versterken. [appellant] heeft daarmee reeds zelf meer dan het naar zijn stellingen te besteden urenaantal van 356 aan de werkzaamheden besteed. Een wanverhouding tussen omzet en kosten regardeert [geïntimeerde] niet. Hij draagt immers als onderaannemer hier geen verantwoordelijkheid voor. De afwezigheid van werkbonnen doet geen afbreuk aan aanspraak op betaling van gewerkte uren. Gesteld noch gebleken is althans dat tussen partijen heeft te gelden dat slechts op werkbonnen vermelde uren voor uitbetaling in aanmerking zouden komen. Nu de stellingen van [appellant] hem niet baten, zal bewijslevering van die stellingen dat evenmin doen. Het bewijsaanbod van [appellant] zal daarom worden gepasseerd. De eerste grief faalt en de tweede grief, voor zover betrekking hebbende op het voorgaande, ook.

7.7.2.

De tweede grief slaagt evenwel voor zover deze ziet op de toewijzing van de gevorderde buitengerechtelijke kosten. De vordering ter zake van buitengerechtelijke kosten dient te worden afgewezen, omdat niet is gesteld of gebleken dat kosten zijn gemaakt dan wel (voldoende) werkzaamheden zijn verricht anders dan die ter voorbereiding van de gedingstukken en ter instructie van de zaak, waarvoor de artikelen 237 tot en met 240 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een vergoeding plegen in te sluiten.

7.8.

Het hof merkt ten slotte nog op dat de door [geïntimeerde] bij memorie van antwoord genoemde e-mails die als productie 3 bij deze memorie zouden zijn overgelegd zich niet bij de stukken bevinden. Nu het hof niet ziet hoe deze e-mails, die naar de stellingen van [geïntimeerde] de omvang van de werkzaamheden waarvoor [appellant] offertes zou hebben aangevraagd zouden weergeven, van invloed zouden kunnen zijn op bovenstaand oordeel, acht het hof zich in staat thans arrest te wijzen.

7.9.

Uit het bovenstaande volgt dat het bestreden vonnis ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten dient te worden vernietigd en voor het overige dient te worden bekrachtigd.

7.10.

[appellant] zal, als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van dit hoger beroep.

8 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis, voor zover ziende op de buitengerechtelijke kosten;

en opnieuw rechtdoende:

wijst af de vordering van [geïntimeerde] tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 800;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

veroordeelt [appellant] in de kosten van dit hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 299 aan griffierecht en € 1.788 aan salaris advocaat en voor wat betreft de nakosten op € 131 indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199 vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van betekening van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.T.W. Vriezen, E.K. Veldhuijzen van Zanten en L.W. Louwerse en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 20 oktober 2015.

griffier rolraadsheer