Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4165

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-10-2015
Datum publicatie
21-10-2015
Zaaknummer
HD 200.107.009_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2013:5000
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

bewijsopdracht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.107.009/01

arrest van 20 oktober 2015

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. G.R.A.G. Goorts te Deurne,

tegen

1 [melkvee] B.V.,

2. [Beheer] Beheer B.V.,
beiden gevestigd te [vestigingsplaats] ,

3. [geïntimeerde 3] ,

4. [geïntimeerde 4] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

advocaat: mr. P.M. Scholtes te Heerlen,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 22 oktober 2013 in het hoger beroep van de door de rechtbank Roermond (thans: rechtbank Limburg) onder zaaknummer 105814/HA ZA 10-971 gewezen vonnissen van 23 maart 2011 en 21 maart 2012 tussen appellant – [appellant] – als eiser en geïntimeerden – [melkvee] c.s. – (naast [Onroerend Goed OG] B.V., hierna: [Onroerend Goed OG] ) als gedaagden.

[melkvee] c.s. zullen hierna afzonderlijk ook worden genoemd: [melkvee] , [Beheer] Beheer, [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] .

6 Het tussenarrest van 22 oktober 2013

Bij genoemd arrest heeft het hof aan [appellant] een bewijsopdracht verstrekt. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

7 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 22 oktober 2013;

- het proces-verbaal van de enquête;

- het proces-verbaal van de contra-enquête;

- de memorie (en antwoordmemorie) na enquête en contra-enquête van [appellant] met producties 12 t/m 30;

- de memorie na enquête en contra-enquête van [melkvee] c.s.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

8 De verdere beoordeling

8.1.

In het dictum van genoemd tussenarrest heeft het hof [appellant] toegelaten feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat [melkvee] c.s. zich hoofdelijk hebben verbonden voor de verplichting van [Onroerend Goed OG] om de verkochte hoeveelheid melkquotum, vermeerderd met de jaarlijkse verruimingen van het melkquotum, aan [appellant] te leveren doordat:

  1. [geïntimeerde 4] tijdens een in december 2007 met [bestuurder van Advies B.V.] gevoerd telefoongesprek heeft bevestigd dat, na betaling van de koopprijs door [appellant] , zowel hij in privé als [melkvee] garant zouden staan voor de levering van het melkquotum, en/of;

  2. [geïntimeerde 4] tijdens een medio maart 2008 met [bestuurder van Advies B.V.] gevoerd telefoongesprek heeft bevestigd dat hij en [melkvee] garant staan voor de levering van het melkquotum aan [appellant] , en/of;

  3. [geïntimeerde 4] tijdens een bespreking die op 9 februari 2009 is gevoerd tussen hem,

[bestuurder van Advies B.V.] en [appellant] , uitdrukkelijk heeft bevestigd dat zowel hij in privé als [melkvee] garant staan voor de levering van het afgesproken melkquotum met de verruiming van het melkquotum voor de melkprijsjaren 2008/2009 en 2009/2010, en/of;

4. [geïntimeerde 4] tijdens een bespreking die in september 2009 is gevoerd tussen hem,

[bestuurder van Advies B.V.] en [geïntimeerde 3] , heeft bevestigd dat niet alleen hij in privé en [melkvee] garant staan voor de levering van het melkquotum, maar ook zijn beheersvennootschap [Beheer] Beheer, en/of;

5. [geïntimeerde 3] zich tijdens bedoelde bespreking in september 2009 ook in privé garant heeft gesteld voor de levering van het melkquotum aan [appellant] .

8.2.

Ter uitvoering van deze bewijsopdracht heeft [appellant] zichzelf als getuige doen horen alsmede:

  • -

    de heer [getuige 1] en mevrouw [getuige 2] , medewerker respectievelijk plaatsvervangend directeur bij de belastingdienst;

  • -

    mevrouw [getuige 3] , echtgenote van [appellant] ;

  • -

    de heer [getuige 4] , belastingadviseur en docent;

  • -

    de heer [bestuurder van Advies B.V.] , directeur en enig aandeelhouder van [Advies B.V.] Advies B.V.

8.3.

In contra-enquête hebben [melkvee] c.s. als getuigen laten horen [geïntimeerde 4] (geïntimeerde sub 4) alsmede de heer [getuige 6] , voormalig werknemer van [Onroerend Goed OG] en thans onder meer werknemer van Farmer House Products B.V., welke B.V. onderdeel is van de [groep] groep.

8.4.

In zijn memorie na enquête betoogt [appellant] dat hij heeft gehandeld met ‘ [naam vennootschappen] ’ en dat daarmee ‘het geheel’ werd bedoeld en niet één of meer specifieke vennootschappen. In dit kader stelt [appellant] onder meer dat toen eind 2007 afspraken werden gemaakt over het melkquotum op geen enkele wijze kenbaar werd gemaakt dat werd gehandeld met [Onroerend Goed OG] . Voor zover [appellant] aldus zou hebben bedoeld te stellen dat de onderhavige koopovereenkomst is gesloten met [melkvee] c.s. (of één van hen) zodat zij als contractant bij die overeenkomst verplicht zijn om het melkquotum aan [appellant] te leveren, is er sprake van een aanvulling of wijziging van de grondslag van de vorderingen van [appellant] . Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft [appellant] aan zijn vorderingen jegens [melkvee] c.s. immers (onder meer) ten grondslag gelegd dat hij de onderhavige koopovereenkomst heeft gesloten met [Onroerend Goed OG] en dat [melkvee] c.s. zich hoofdelijk hebben verbonden voor de uit die overeenkomst voortvloeiende leveringsverplichting van [Onroerend Goed OG] .

De in artikel 347 lid 1 Rv besloten twee-conclusie-regel beperkt de aan oorspronkelijk eiser toekomende bevoegdheid tot verandering of vermeerdering van zijn eis in hoger beroep in die zin dat hij in beginsel zijn eis niet later dan in de memorie van grieven of antwoord mag veranderen of vermeerderen. Dit geldt ook als de verandering of vermeerdering van eis slechts betrekking heeft op de grondslag van hetgeen ter toelichting van de vordering door de oorspronkelijke eiser is gesteld. Op deze in beginsel strakke regel kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard, met name indien de wederpartij ondubbelzinnig erin heeft toegestemd dat de eisverandering- of vermeerdering plaatsvindt. Deze uitzonderingen doen zich in het onderhavige geval echter niet voor. Bovendien acht het hof bedoelde eerst bij memorie na enquête gedane eiswijziging, die leidt tot een onredelijke vertraging van het geding, in strijd met de eisen van een goede procesorde. De eiswijziging wordt dan ook buiten beschouwing gelaten.

8.5.1.

Bij memorie na enquête heeft [appellant] een groot aantal stukken overgelegd, die nog niet eerder in de procedure zijn ingebracht (producties 12 t/m 30). Blijkens de

rol-/archiefkaart hebben [melkvee] c.s. op de rolzitting waarop [appellant] zijn memorie na enquête heeft genomen, bezwaar gemaakt tegen overlegging van deze producties. De rolraadsheer heeft daarop bepaald dat het hof bij arrest zal beslissen op het bezwaar. Het hof overweegt hierover als volgt.

8.5.2.

Het hof verwerpt het door [melkvee] c.s. op de rolzitting gemaakte bezwaar tegen overlegging van voormelde producties door [appellant] . Daarbij neemt het hof in aanmerking dat dit bezwaar niet is gemotiveerd. Verder is van belang dat de raadsheer-commissaris na sluiting van de contra-enquête de zaak heeft verwezen naar de rol voor het nemen van memories na enquête aan de zijde van beide partijen, waarbij in overleg met partijen is bepaald dat zij twee weken voor de roldatum hun memories in concept zullen uitwisselen zodat zij desgewenst in de (gelijktijdig) door hen te nemen memories direct kunnen reageren op de memorie van de wederpartij. Aldus hebben [melkvee] c.s. in hun memorie na enquête de kans gehad om te reageren op de door [appellant] overgelegde producties. [melkvee] c.s. hebben die kans ook benut door in hun memorie te reageren op een aantal producties. Zij hebben daarbij in hun memorie echter geen bezwaar gemaakt tegen overlegging van die producties. Gelet op dit een en ander en in ogenschouw nemend dat [appellant] in eerste aanleg ten onrechte niet is toegelaten tot bewijslevering acht het hof het in het belang van de waarheidsvinding dat de door [appellant] overgelegde producties worden toelaten.

8.6.1.

Ten aanzien van de inhoud van een aantal producties overweegt het hof nu alvast het volgende.

8.6.2.

De producties 12, 13, 14, 18, 21, 22 en 30 zien op stellingen die [appellant] bij memorie na enquête heeft ingenomen, maar die niet te bewijzen aan hem zijn opgedragen. Deze producties dragen ook niet bij aan het door [appellant] te leveren bewijs.

8.6.3.

Productie 17 en 20 betreffen stukken die door [getuige 4] respectievelijk [bestuurder van Advies B.V.] in hun getuigenverklaringen zijn genoemd. Verder houdt productie 19 verband met de getuigenverklaring van [getuige 4] . Al deze producties zien echter op achtergrondinformatie die niet relevant is voor de door [appellant] te bewijzen stellingen. Bovendien leiden die producties er niet toe dat het hof meer waarde hecht aan de getuigenverklaring van [bestuurder van Advies B.V.] dan dat hierna blijkt. Verder is het feit dat de getuigenverklaring van [getuige 4] steun vindt in stukken die [appellant] heeft overgelegd niet relevant, nu [getuige 4] niets heeft verklaard over de door [appellant] te bewijzen garanties (zie ook r.o. 8.8).

8.6.4.

De producties 28 en 29 betreffen getuigenverklaringen die [appellant] en [geïntimeerde 4] in een andere zaak hebben afgelegd. Aan deze verklaringen valt geen bewijs te ontlenen voor de door [appellant] te bewijzen stellingen.

8.6.5.

Onder verwijzing naar de producties 15 en 16 stelt [appellant] dat de getuigenverklaring van [geïntimeerde 4] over de ontstane breuk met [bestuurder van Advies B.V.] , onjuist is. Volgens [appellant] blijkt uit deze producties dat er op 18 maart 2009 en in de periode tot aan de splitsing van het concern nog geen sprake was van een breuk. [geïntimeerde 4] heeft als getuige echter niet verklaard dat er op 18 maart 2009 althans vóór de splitsing van het concern al sprake was van een breuk. Zijn verklaring houdt niet meer in dan dat pas toen [Onroerend Goed OG] halverwege 2009 in zwaar weer terecht was gekomen [bestuurder van Advies B.V.] meerdere malen om garanties heeft gevraagd en dat dit uiteindelijk heeft geleid tot een breuk tussen [geïntimeerde 4] en [bestuurder van Advies B.V.] . De producties 15 en 16 doen dan ook niet af aan de getuigenverklaring van [geïntimeerde 4] . Overigens hebben [melkvee] c.s., waaronder [geïntimeerde 4] , in de processtukken ook nooit ontkend dat [bestuurder van Advies B.V.] in het najaar van 2009 nog betrokken is geweest bij de splitsing van het concern.

8.7.

Met betrekking tot de waardering van de getuigenverklaringen stelt het hof het volgende voorop. Nu [appellant] is belast met het leveren van bewijs, kan de door hem als getuige afgelegde verklaring op grond van artikel 164 lid 2 Rv alleen bewijs in zijn voordeel opleveren, indien aanvullend bewijs voorhanden is dat zodanig sterk is en zulke essentiële punten betreft dat het zijn verklaring voldoende geloofwaardig maakt.

Aan de getuigenverklaring van [geïntimeerde 4] komt wel volledige bewijskracht toe, omdat hij niet is belast met het leveren van bewijs zodat de in artikel 164 lid 2 Rv omschreven situatie niet aan de orde is. Vanzelfsprekend zal het hof bij de waardering van de getuigenverklaring van [geïntimeerde 4] wel rekening houden met het gegeven dat het gaat om een verklaring van een getuige die ook partij is.

8.8.

De getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 4] en [getuige 6] hebben niets verklaard over garanties die zouden zijn gegeven voor de levering van het melkquotum (met verruimingen) aan [appellant] . Aan deze getuigenverklaringen kan dan ook geen bewijs worden ontleend met betrekking tot de door [appellant] te bewijzen garanties.

8.9.

Het hof zal hieronder per bewijsonderdeel beoordelen of [appellant] het aan hem opgedragen bewijs heeft geleverd.

Bewijsonderdeel 1: Telefoongesprek [geïntimeerde 4] en [bestuurder van Advies B.V.] in december 2007

8.10.1.

Naar het oordeel van het hof levert de getuigenverklaring van [bestuurder van Advies B.V.] onvoldoende bewijs op van de stelling dat [geïntimeerde 4] tijdens een in december 2007 met [bestuurder van Advies B.V.] gevoerd telefoongesprek heeft bevestigd dat, na betaling van de koopprijs door [appellant] , zowel [geïntimeerde 4] in privé als [melkvee] garant zouden staan voor de levering van het melkquotum. Daartoe overweegt het hof als volgt.

8.10.2.

Getuige [bestuurder van Advies B.V.] heeft over het telefoongesprek met [geïntimeerde 4] onder meer verklaard:

‘Aan het einde van het telefoongesprek met [geïntimeerde 4] heb ik samengevat wat we hadden afgesproken en tegen hem gezegd: jij zorgt er dus voor dat het geregeld wordt, dat de transactie afgewerkt wordt. Hij zei toen tegen mij: dat is akkoord.’

Dat [geïntimeerde 4] heeft bevestigd dat hij ervoor zou zorgen dat de transactie afgewerkt zou worden, betekent echter nog niet dat hij zich in privé garant heeft gesteld voor de – tussen partijen als onbetwist vaststaande – verplichting van [Onroerend Goed OG] om het melkquotum aan [appellant] te leveren, laat staan dat [geïntimeerde 4] zich hiervoor namens [melkvee] garant heeft gesteld.

Overigens constateert het hof dat de getuigenverklaring van [bestuurder van Advies B.V.] op dit punt niet strookt met zijn schriftelijke verklaring. Daarin heeft [bestuurder van Advies B.V.] immers verklaard, kort samengevat, dat vanwege het feit dat het melkquotum eventueel van [melkvee] zou moeten komen, [bestuurder van Advies B.V.] [geïntimeerde 4] concreet heeft gevraagd of dit betekende dat zowel [melkvee] als hij persoonlijk garant stonden en dat dit door [geïntimeerde 4] werd bevestigd. Deze ongerijmdheid doet af aan de getuigenverklaring van [bestuurder van Advies B.V.] .

8.10.3.

[bestuurder van Advies B.V.] heeft verder als getuige verklaard dat hij in december 2007 ook [appellant] heeft gebeld en tegen hem heeft gezegd dat [geïntimeerde 4] en [melkvee] garant stonden. Het hof hecht echter geen waarde aan dit deel van de getuigenverklaring van [bestuurder van Advies B.V.] , omdat deze garantstelling niet blijkt uit hetgeen [bestuurder van Advies B.V.] als getuige heeft verklaard over de inhoud van het telefoongesprek zelf dat hij met [geïntimeerde 4] heeft gevoerd (zie r.o. 8.10.2). Bovendien heeft partijgetuige [appellant] verklaard dat [bestuurder van Advies B.V.] in het tussen hen gevoerde telefoongesprek er niets over heeft gezegd of [geïntimeerde 4] zich persoonlijk garant zou stellen. [appellant] heeft verder verklaard dat [bestuurder van Advies B.V.] tegen [appellant] heeft gezegd dat als [naam vennootschappen] het melkquotum niet zou kunnen leveren, [melkvee] dat quotum altijd nog zou kunnen leveren. De mededeling van [bestuurder van Advies B.V.] aan [appellant] dat [melkvee] het quotum altijd nog zou kunnen leveren, betekent echter niet dat [bestuurder van Advies B.V.] met [appellant] heeft gesproken over een door [geïntimeerde 4] namens [melkvee] gegeven garantie.

8.10.4.

Nu voorts uit de getuigenverklaring van [geïntimeerde 4] volgt dat hij voormelde garantie niet heeft gegeven en de overige getuigen op dit punt niets hebben verklaard, is [appellant] niet geslaagd in het leveren van het bewijs van bewijsonderdeel 1.

8.10.5.

Het hof komt niet tot een ander oordeel op basis van de producties 23 en 24 die [appellant] bij memorie na enquête heeft overgelegd. Productie 23 betreft, naar [appellant] stelt, een door zijn telefoonprovider verstrekt overzicht van telefoonnummers waarnaar in de periode 2007 t/m 2010 is gebeld. Productie 24 betreft, naar [appellant] kennelijk stelt, een door de telefoonprovider van [bestuurder van Advies B.V.] verstrekt overzicht van telefoonnummers waarnaar in december 2007 is gebeld.

[appellant] heeft in dit verband gewezen op eind december 2007 door hem gebelde telefoonnummers van [bestuurder van Advies B.V.] en van ‘ [naam vennootschappen] ’, waarmee kennelijk het kantoor van [naam vennootschappen] is bedoeld (waarbij [appellant] naar zijn zeggen met [geïntimeerde 4] zou hebben gesproken). Verder heeft [appellant] gewezen op eind december 2007 door [bestuurder van Advies B.V.] gebelde nummers van [appellant] , het kantoor van [naam vennootschappen] en van [geïntimeerde 4] . Dat toen naar deze nummers is gebeld, is tussen partijen echter geen punt van discussie. In zoverre zijn de overgelegde telefoonlijsten dan ook niet relevant. Bovendien leveren deze lijsten geen bewijs op van de stelling dat [geïntimeerde 4] in voormeld telefoongesprek met [bestuurder van Advies B.V.] een garantie heeft gegeven. Daarbij komt dat het hof, bij gebreke van een door [appellant] gegeven (concrete) toelichting, niet inziet hoe de telefoonlijsten (in relevante mate) zouden kunnen afdoen aan de getuigenverklaring van [geïntimeerde 4] over bewijsonderdeel 1.

8.10.6.

Het hof komt ook niet tot een ander oordeel gelet op de stellingen die [melkvee] c.s. in de processtukken hebben ingenomen. Anders dan [appellant] , is het hof van oordeel dat niet geconcludeerd kan worden dat de getuigenverklaring van [geïntimeerde 4] niet strookt met de stellingen die [melkvee] c.s. in nrs. 5.3 en 5.4 van hun memorie van antwoord en in gelijke zin bij conclusie van antwoord hebben ingenomen. De betreffende stellingen van [melkvee] c.s. sluiten immers niet uit dat – zoals [geïntimeerde 4] als getuige heeft verklaard – het hem tijdens het met [bestuurder van Advies B.V.] gevoerde telefoongesprek nog niet duidelijk was of na verzending van de factuur en betaling van het bedrag van € 532.000,- (hof: door [appellant] ) het melkquotum daadwerkelijk moest worden geleverd of dat dit bedrag weer moest worden teruggestort omdat het erom ging dat om fiscale redenen een herinvestering uit de boeken moest. Het hof ziet dan ook geen reden om op dit punt te twijfelen aan hetgeen [geïntimeerde 4] als getuige heeft verklaard.

Bewijsonderdeel 2: telefoongesprek [geïntimeerde 4] en [appellant] medio maart 2008

8.11.1.

Blijkens het proces-verbaal van de enquête heeft de raadsheer-commissaris voorafgaand aan het getuigenverhoor aan de advocaten van partijen voorgehouden dat in het dictum van het tussenarrest bij bewijsonderdeel 2 abusievelijk de naam van [bestuurder van Advies B.V.] in plaats van [appellant] staat vermeld. De advocaten van partijen hebben ter zitting tegenover de raadsheer-commissaris beaamd dat het dictum op dit punt een fout bevat. Het betreft hier een kennelijke fout. Bewijsonderdeel 2 in het dictum slaat immers terug op de in rechtsoverweging 4.5.2 van het tussenarrest onder punt 2 weergegeven stelling van [appellant] over een telefoongesprek dat hij, en dus niet [bestuurder van Advies B.V.] , met [geïntimeerde 4] heeft gevoerd. Het hof zal bewijsonderdeel 2 van het dictum van het tussenarrest daarom verbeterd lezen in die zin dat in plaats van ‘ [bestuurder van Advies B.V.] ’ wordt gelezen ‘ [appellant] ’ en het hof zal hiermee volstaan mede nu partijen niet hebben verzocht om herstel van deze fout op de voet van artikel 31 Rv. Gelet hierop zal het hof beoordelen of [appellant] heeft bewezen dat [geïntimeerde 4] tijdens een medio maart 2008 met [appellant] gevoerd telefoongesprek heeft bevestigd dat [geïntimeerde 4] en [melkvee] garant staan voor de levering van het melkquotum aan [appellant] . Overigens zal het hof volledigheidshalve ook beoordelen of [appellant] het bewijs heeft geleverd van bewijsonderdeel 2 zoals dat abusievelijk onjuist is geformuleerd in het dictum van het tussenarrest.

8.11.2.

Met betrekking het gestelde in maart 2008 tussen [appellant] en [geïntimeerde 4] gevoerde telefoongesprek overweegt het hof als volgt.

8.11.3.

Getuige [bestuurder van Advies B.V.] heeft niets verklaard over dit telefoongesprek.

8.11.4.

[appellant] heeft als partijgetuige onder meer verklaard:

‘Na het telefoongesprek dat ik in maart 2008 met [bestuurder van Advies B.V.] heb gevoerd … heb ik meerdere keren naar [geïntimeerde 4] proberen te bellen maar hij was er niet altijd. Ik heb hem in maart 2008 in ieder geval nog een keer aan de telefoon gehad. In dat telefoongesprek werd mij duidelijk dat het quotum niet meer voor 1 april 2008 aan mij geleverd zou kunnen worden. Ik heb daar toen een hele discussie met hem over gehad. Hij verwachtte dat de prijs van melkquotum eind dat jaar gedaald zou zijn. Hij stelde mij daarom voor dat ik in dat jaar 0% quotum zou krijgen, dat het quotum het jaar daarop aan mij zou worden geleverd, en dat in het lopende jaar lease-melk aan mij zou worden geleverd zodat het lopende jaar zou zijn afgedekt. Ik zei hem toen: dat is allemaal mooi en aardig, maar jij speculeert zo met mijn geld. Hij zei toen tegen mij: maar ik sta toch garant. U heeft handel gedaan met de familie [familie] dus de familie [familie] zorgt ervoor dat het quotum geleverd wordt.’

8.11.5.

Verder heeft getuige [getuige 3] verklaard:

‘Ik heb niet rechtstreeks telefoongesprekken opgevangen waarin er is gesproken over garanties voor de levering van het melkquotum. (…) Ik was wel vaak in de buurt als mijn echtgenoot telefoongesprekken voerde. Hij vertelde mij dan na het voeren van die telefoongesprekken wat er was besproken. In een telefoongesprek dat mijn man in maart 2008 met [geïntimeerde 4] had gevoerd had [geïntimeerde 4] tegen hem gezegd dat de hele familie [familie] garant zou staan. (…) Ik weet niet of mijn man net een telefoongesprek had gevoerd toen hij mij vertelde over het telefoongesprek dat hij in maart 2008 met [geïntimeerde 4] heeft gevoerd.’

8.11.6.

Tegenover deze verklaringen staat de getuigenverklaring van [geïntimeerde 4] die onder andere heeft verklaard:

‘Ik heb zojuist verklaard dat in het eerste half jaar van 2008 niet duidelijk was wat er moest gebeuren. Op enig moment in 2008 belde [bestuurder van Advies B.V.] mij met de vraag wanneer de melk geleverd zou worden en hoe we het gingen doen. Ik heb toen besloten om er een echte zaak van te maken. Dat was nog wel een probleem want er moest een quotum met 4% vet worden geleverd. Wij beschikten op dat moment echter alleen over quota met andere vetpercentages. (…) In het telefoongesprek met [bestuurder van Advies B.V.] is niet precies afgesproken wanneer het quotum moest worden geleverd, de bedoeling was in het seizoen 2009. Dat betekent dat het quotum uiterlijk voor 15 januari 2009 zou moeten worden bijgeschreven. (…)

Later in 2008 heeft [appellant] mij meerdere malen gebeld. We hebben toen gesproken over de vraag wanneer de melk zou komen. In die gesprekken heb ik met [appellant] afgesproken dat er voor het seizoen 2008/2009 leasemelk zou komen in plaats van koopmelk. De reden daarvan was dat de prijs van koopmelk steeg en wij er alsnog een winstgevende zaak van zouden kunnen maken als we niet meteen koopmelk hoefden te leveren. In die telefoongesprekken is het niet gegaan over garanties.

(…)

Ik heb eerder verklaard over telefonische contacten die ik in de tweede helft van 2008 heb gehad met [appellant] . Ik had die contacten met hem nadat de deal was afgesproken in het telefoongesprek met [bestuurder van Advies B.V.] medio 2008. (…) Ik heb niet eerder contact gehad met [appellant] over het quotum dan tijdens de telefoongesprekken waarover ik zojuist heb verklaard.’

8.11.7.

Het hof constateert dat [appellant] en [getuige 3] niet hebben verklaard dat [geïntimeerde 4] in het telefoongesprek van maart 2008 heeft bevestigd dat [melkvee] garant staat. In zoverre heeft [appellant] het gevraagde bewijs dus in ieder geval niet geleverd.

8.11.8.1. [appellant] heeft wel verklaard dat [geïntimeerde 4] tijdens dit telefoongesprek heeft gezegd dat hij garant stond. Naar het oordeel van het hof kan deze verklaring echter geen bewijs in het voordeel van [appellant] opleveren, omdat er geen aanvullend bewijs voorhanden is dat zodanig sterk is en zulke essentiële punten betreft dat het zijn partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maakt. Daartoe overweegt het hof als volgt.

8.11.8.2. Wat betreft de getuigenverklaring van [getuige 3] neemt het hof in aanmerking dat het hier gaat om een verklaring van horen zeggen. Verder is van belang dat [getuige 3] niet net als [appellant] heeft verklaard dat [geïntimeerde 4] tijdens het in maart 2008 gevoerde telefoongesprek heeft gezegd dat hij garant stond. Met betrekking tot dit telefoongesprek heeft [getuige 3] slechts verklaard dat zij van [appellant] heeft gehoord dat [geïntimeerde 4] heeft gezegd dat ‘de hele familie [familie] ’ garant zou staan. Naar het oordeel van het hof komt aan deze getuigenverklaring van [getuige 3] echter onvoldoende gewicht toe, reeds omdat deze verklaring ziet op wat [getuige 3] van [appellant] heeft gehoord terwijl [appellant] zelf een andere verklaring heeft afgelegd over wat [geïntimeerde 4] tegen hem heeft gezegd over de familie [familie] . [appellant] heeft als partijgetuige immers verklaard dat [geïntimeerde 4] tijdens bedoeld telefoongesprek heeft gezegd dat de familie [familie] ervoor zorgt dat het quotum wordt geleverd, en niet – zoals [getuige 3] heeft verklaard – dat de hele familie [familie] garant zou staan.

Het hof gaat ook behoedzaam om met de getuigenverklaring van [getuige 3] over het in maart 2008 gevoerde telefoongesprek, omdat zij de echtgenote van [appellant] is. Opvallend is dat getuige [getuige 3] zich tijdens het afleggen van haar getuigenverklaring nog wist te herinneren dat het telefoongesprek waarin [geïntimeerde 4] aan [appellant] een garantie zou hebben gegeven in maart 2008 is gevoerd, terwijl het hier gaat om een telefoongesprek van jaren geleden dat zij niet zelf heeft gevoerd. Het hof moet hierbij rekening houden met de alleszins aanwezige mogelijkheid dat de herinnering van [getuige 3] is gekleurd door hetgeen zij in de loop der tijd met haar echtgenoot heeft besproken. Daarbij neemt het hof in ogenschouw dat [getuige 3] op de vraag van de raadsheer-commissaris waardoor zij nog zo precies weet dat het telefoongesprek in maart 2008 heeft plaatsgevonden, heeft geantwoord: ‘Dat komt omdat deze kwestie al jaren speelt en constant wordt besproken tussen mij en mijn echtgenoot’.

8.11.8.3. De door [appellant] als productie 23 bij memorie na enquête overgelegde telefoongegevens leveren naar het oordeel van het hof evenmin het vereiste aanvullend bewijs op. Uitgaande van de stelling van [appellant] dat deze telefoongegevens zijn verstrekt door zijn telefoonprovider en dat het telefoonnummer van het kantoor van [geïntimeerde 4] [telefoonnummer] is, blijkt uit de telefoongegevens dat in maart 2008 meerdere keren met het telefoonnummer van [appellant] is gebeld naar het kantoor van [geïntimeerde 4] , en wel op 12, 20 (2x), 26, 27, 28 en 31 maart 2008. Behoudens het telefonische contact op 31 maart 2008 dat blijkens de telefoongegevens 10 minuten en 26 seconden heeft geduurd, gaat het hier om relatief korte contacten die tot stand zijn gekomen tussen het telefoonnummer van [appellant] en het telefoonnummer van het kantoor van [geïntimeerde 4] , uiteenlopend van 43 seconden (op

27 maart 2008) tot vier minuten en 12 seconden (op 12 maart 2008).

Hoewel het hof op basis van deze telefoongegevens alleen niet kan vaststellen of [appellant] in maart 2008 [geïntimeerde 4] te spreken heeft gekregen (er is immers gebeld naar het kantoor van [geïntimeerde 4] ), lijken de telefoongegevens gezien de duur van de telefonische contacten wel steun te bieden aan de partijgetuigenverklaring van [appellant] dat hij in maart 2008 meerdere keren naar [geïntimeerde 4] heeft gebeld maar dat hij er niet altijd was en dat [appellant] [geïntimeerde 4] in maart 2008 in ieder geval één keer aan de telefoon heeft gehad. Wat hier verder ook van zij, ook als uit de telefoongegevens kan worden afgeleid dat [appellant] in maart 2008 in ieder geval één telefoongesprek met [geïntimeerde 4] heeft gevoerd, dan leveren de telefoongegevens nog geen aanvullend bewijs op dat [geïntimeerde 4] in dat telefoongesprek tegen [appellant] heeft gezegd dat hij garant stond.

8.11.8.4. Het hof constateert verder dat de partijgetuigenverklaring van [appellant] niet strookt met zijn schriftelijke verklaring. Als partijgetuige heeft [appellant] verklaard dat [geïntimeerde 4] tijdens het in maart 2008 gevoerde telefoongesprek heeft voorgesteld om voor het lopende jaar leasemelk te leveren en om het melkquotum het jaar daarop aan [appellant] te leveren. In zijn schriftelijke verklaring heeft [appellant] echter verklaard dat [geïntimeerde 4] hem tijdens het telefoongesprek in maart 2008 heeft verzekerd dat het quotum in de loop van 2008 zou worden geleverd, en dat, toen er eind december 2008 nog steeds niet was geleverd, [bestuurder van Advies B.V.] medio januari 2009 heeft geregeld dat er leasemelk ter beschikking werd gesteld. Deze inconsistentie maakt de partijgetuigenverklaring van [appellant] minder overtuigend, temeer nu deze verklaring niet spoort met de getuigenverklaring van [bestuurder van Advies B.V.] . [bestuurder van Advies B.V.] heeft als getuige immers verklaard dat [geïntimeerde 4] in december 2008 of januari 2009 met het aanbod kwam om leasemelk te leveren. Deze getuigenverklaring van [bestuurder van Advies B.V.] is echter wel in lijn met de getuigenverklaring van [geïntimeerde 4] die inhoudt dat pas in de tweede helft van 2008 met [appellant] is afgesproken om leasemelk te leveren.

[appellant] is ook niet consistent daar waar hij als partijgetuige heeft verklaard dat [geïntimeerde 4] in het telefoongesprek van maart 2008 heeft gezegd dat hij garant stond, terwijl [appellant] in zijn schriftelijke verklaring heeft verklaard dat [geïntimeerde 4] toen heeft bevestigd dat hij en [melkvee] garant stonden. Ook deze inconsistentie maakt zijn partijgetuigenverklaring minder overtuigend.

8.11.9.

Op grond van het voorgaande concludeert het hof dat [appellant] niet heeft bewezen dat [geïntimeerde 4] tijdens een medio maart 2008 met [appellant] gevoerd telefoongesprek heeft gezegd dat hij en [melkvee] garant staan voor de levering van het melkquotum aan [appellant] .

Het hof komt niet tot een andere bewijswaardering op grond van het feit dat [geïntimeerde 4] als getuige heeft verklaard, kort gezegd, dat hij niet eerder dan in de tweede helft van 2008 met [appellant] contact heeft gehad over het melkquotum, terwijl uit voormelde telefoongegevens volgens [appellant] blijkt dat er in maart 2008 telefonische contacten zijn geweest tussen [appellant] en het kantoor van [geïntimeerde 4] . Uit de stellingen van [appellant] volgt immers dat hij naar het kantoor van [geïntimeerde 4] heeft gebeld en [appellant] heeft zelf als getuige verklaard dat [geïntimeerde 4] er niet altijd was. Niettemin acht het hof het gezien de duur van met name het telefonische contact op 31 maart 2008 (ruim 10 minuten) goed voorstelbaar dat [appellant] [geïntimeerde 4] toen daadwerkelijk heeft gesproken. Ook als het zo zou zijn dat er in maart 2008 al een telefoongesprek tussen [appellant] en [geïntimeerde 4] heeft plaatsgevonden over het melkquotum, dan is dat naar het oordeel van het hof echter onvoldoende om de getuigenverklaring van [geïntimeerde 4] als ongeloofwaardig terzijde te schuiven of om aan die verklaring aanvullend bewijs in het voordeel van [appellant] te ontlenen. [geïntimeerde 4] heeft als getuige verklaard dat [appellant] hem in 2008 meerdere malen heeft gebeld. Dat deze telefonische contacten in de herinnering van [geïntimeerde 4] allemaal hebben plaatsgevonden in de tweede helft van 2008 en niet ook een keer in maart 2008, is naar het oordeel van het hof onvoldoende om geen geloof te hechten aan hetgeen [geïntimeerde 4] over de inhoud van die telefoongesprekken heeft verklaard.

8.11.10.

Zoals hierboven is overwogen, zal het hof volledigheidshalve ook beoordelen of [appellant] zodanige feiten en omstandigheden heeft bewezen dat daarmee het bewijs van bewijsonderdeel 2 is geleverd zoals dat abusievelijk onjuist is geformuleerd in het dictum van het tussenarrest. Het gaat er dan om of [appellant] heeft bewezen dat [geïntimeerde 4] in een medio maart 2008 met [bestuurder van Advies B.V.] gevoerd telefoongesprek heeft bevestigd dat hij en [melkvee] garant staan voor de levering van het melkquotum aan [appellant] .

8.11.11.

[bestuurder van Advies B.V.] heeft als getuige verklaard over een gesprek dat hij in het voorjaar van 2008 ‘face-to-face’ met [geïntimeerde 4] heeft gevoerd. Volgens [bestuurder van Advies B.V.] heeft [geïntimeerde 4] toen bevestigd dat hij en [melkvee] garant stonden. [bestuurder van Advies B.V.] heeft verder als getuige verklaard dat hij hierover vervolgens contact heeft gehad met [appellant] en dat hij denkt dat dit telefonisch is gegaan. Het hof constateert echter dat [bestuurder van Advies B.V.] er in zijn schriftelijke verklaring met geen woord over heeft gerept dat [geïntimeerde 4] ook tijdens een bespreking in het voorjaar van 2008 een garantie zou hebben gegeven. Dat is zeer opvallend, omdat [bestuurder van Advies B.V.] in zijn schriftelijke verklaring wel heeft verklaard over andere gelegenheden waarbij [geïntimeerde 4] een garantie zou hebben afgegeven. Gelet hierop en op het feit dat, zoals hierna zal blijken, het hof onvoldoende geloof hecht aan de getuigenverklaring van [bestuurder van Advies B.V.] ten aanzien van de bewijsonderdelen 3, 4 en 5, is het hof van oordeel dat ook op dit punt onvoldoende geloof kan worden gehecht aan de getuigenverklaring van [bestuurder van Advies B.V.] . [appellant] heeft daarom ook niet bewezen dat [geïntimeerde 4] tijdens een in het voorjaar van 2008 gevoerde bespreking met [bestuurder van Advies B.V.] een garantie heeft gegeven namens hemzelf en namens [melkvee] . Dit wordt niet anders door de partijgetuigenverklaring van [appellant] die inhoudt, kort samengevat, dat [bestuurder van Advies B.V.] hem rond eind februari/begin maart 2008 heeft gebeld en dat [bestuurder van Advies B.V.] zei dat [geïntimeerde 4] naast hem zat en dat [melkvee] en [geïntimeerde 4] zich garant hadden gesteld. Indien [appellant] hierbij al het oog heeft gehad op hetzelfde telefoongesprek met [bestuurder van Advies B.V.] als waarover [bestuurder van Advies B.V.] als getuige heeft verklaard (het telefonische contact met [appellant] na afloop van het face-to-face gesprek met [geïntimeerde 4] ), dan heeft te gelden dat de partijgetuigenverklaring van [appellant] alleen steun vindt in de getuigenverklaring van [bestuurder van Advies B.V.] waaraan echter onvoldoende geloof kan worden gehecht. Er is dan ook geen aanvullend bewijs voorhanden dat de partijgetuigenverklaring van [appellant] – die niet meer is dan een verklaring van horen zeggen van [bestuurder van Advies B.V.] – voldoende geloofwaardig maakt. De door [appellant] als productie 23 en 24 overgelegde telefoongegevens leveren in ieder geval niet het vereiste aanvullend bewijs op, reeds omdat geen telefoongegevens zijn overgelegd waaruit blijkt dat rond februari/maart 2008 vanaf een telefoonnummer van [bestuurder van Advies B.V.] (of het kantoor van [geïntimeerde 4] ) is gebeld naar [appellant] (dit nog daargelaten dat een telefonisch contact nog niets zegt over de inhoud van het gevoerde telefoongesprek). Gezien het voorgaande kan de partijgetuigenverklaring van [appellant] op dit punt geen bewijs in zijn voordeel opleveren.

Bewijsonderdeel 3: bespreking 9 februari 2009 tussen [geïntimeerde 4] , [bestuurder van Advies B.V.] en [appellant]

8.12.1.

Partijgetuige [appellant] heeft verklaard dat er op 9 februari 2009 een bespreking heeft plaatsgevonden tussen hem, [geïntimeerde 4] en [bestuurder van Advies B.V.] en dat [geïntimeerde 4] toen heeft gezegd: ‘Ik zorg dat jij je melk krijgt. (…) Ik en [melkvee] staan garant’. Deze partijgetuigenverklaring vindt steun in de getuigenverklaring van [bestuurder van Advies B.V.] die over deze bespreking heeft verklaard:

‘In dat gesprek heb ik nog tegen [geïntimeerde 4] gezegd, in het bijzijn van [appellant] : [geïntimeerde 4] , jij staat hiervoor in en [melkvee] staat hiervoor in. [geïntimeerde 4] antwoordde toen dat dat akkoord was.’

8.12.2.

Ook getuige [getuige 3] heeft verklaard over bedoelde bespreking. Haar verklaring is echter niet meer dan een verklaring van horen zeggen (van [appellant] ). Bovendien heeft zij verklaard dat ook [geïntimeerde 3] garant zou staan, hetgeen niet strookt met de (partij)getuigenverklaringen van [appellant] en [bestuurder van Advies B.V.] . Daar komt nog bij dat getuige [getuige 3] heeft verklaard dat zij niet weet wie tegen haar echtgenoot heeft gezegd dat (onder meer) [geïntimeerde 4] en [melkvee] garant zouden staan. Gelet op dit alles acht het hof de getuigenverklaring van [getuige 3] onvoldoende sterk om als aanvullend bewijs te kunnen dienen.

8.12.3.

Lijnrecht tegenover de verklaringen van [appellant] en [bestuurder van Advies B.V.] staat de verklaring van getuige [geïntimeerde 4] die over de bespreking onder meer heeft verklaard:

‘Alles wat is afgesproken staat in het contract. Er is niet gesproken over garanties’.

8.12.4.1. Het hof hecht op dit punt minder geloof aan de getuigenverklaringen van [appellant] en [bestuurder van Advies B.V.] dan aan de getuigenverklaring van [geïntimeerde 4] en wel om de volgende redenen.

8.12.4.2. Aan de geloofwaardigheid van de partijengetuigenverklaring van [appellant] doet afbreuk dat de gestelde garantie niet is opgenomen in het contract dat in aansluiting op de bespreking van 9 februari 2009 is opgemaakt (prod. 7 inl. dagv). [appellant] heeft hierover als getuige onder meer verklaard:

‘Bij het doorlezen van het contract heb ik opgemerkt dat de garantie daar niet in stond maar ik dacht dat dat wel goed zou komen omdat [bestuurder van Advies B.V.] in het contract was aangewezen als arbiter. Voor mij was op dat moment het belangrijkste dat de superheffing werd voorkomen met de levering van lease-melk.’

Het hof acht het opmerkelijk dat [appellant] het contract heeft getekend, ondanks het feit dat hem bij doorlezing van het contract is opgevallen dat de garantie daar niet in stond. De reden die [appellant] daarvoor heeft gegeven, namelijk dat [bestuurder van Advies B.V.] was aangewezen als arbiter, acht het hof onvoldoende overtuigend. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat [appellant] in zijn memorie van grieven andere, uiteenlopende redenen heeft gegeven voor het feit dat hij het contract heeft getekend terwijl de garantie daar niet in stond, welke redenen niet stroken met de reden die [appellant] daarvoor als getuige heeft gegeven. In zijn memorie van grieven heeft [appellant] immers enerzijds gesteld dat hij er bij de ondertekening van het contract van uitging dat de garantie daar in stond en dat hij daarop mocht vertrouwen, terwijl hij anderzijds heeft gesteld dat hem in februari 2009 is voorgehouden dat de hoofdelijke verbondenheid niet schriftelijk hoefde te worden vastgelegd, onder meer omdat men elkaar goed kende en het een kwestie van tijd was voordat de overeenkomst zou zijn afgewikkeld, en dat [appellant] dit schoorvoetend heeft aanvaard. Ook vanwege het navolgende acht het hof de reden die [appellant] als getuige heeft gegeven voor het tekenen van het contract onvoldoende overtuigend. Uit de partijgetuigenverklaring van [appellant] volgt (evenals uit zijn schriftelijke verklaring) dat hij voorafgaand aan de bespreking van 9 februari 2009 erop had aangedrongen om afspraken op papier te zetten. Verder heeft [appellant] onder meer bij pleidooi gesteld dat hij had aangedrongen op een bespreking en op het schriftelijk vastleggen van afspraken. Tijdens het pleidooi heeft [appellant] over de reden hiervan gesteld, kort samengevat, dat inmiddels een jaar was verstreken nadat hij de koopprijs had betaald zonder dat hij daarvoor iets had ontvangen, en dat daarbij nog geluiden kwamen dat [groep] het in Amerika steeds moeilijker kreeg. In het licht van dit een en ander is moeilijk voorstelbaar dat [appellant] een contract heeft getekend wetende dat daarin niet alle gemaakte afspraken stonden. Dit geldt temeer nu aannemelijk is dat de garantie voor de levering van het melkquotum voor [appellant] een belangrijke afspraak was, omdat hij eind 2007 de koopprijs voor het melkquotum al aan [Onroerend Goed OG] had betaald en [appellant] zich blijkens zijn getuigenverklaring in 2008 veel zorgen maakte over het feit dat het quotum nog steeds niet aan hem geleverd was. Daar komt nog bij dat [appellant] het contract op het kantoor van [groep] heeft getekend. Het had dan ook voor de hand gelegen dat hij ter plekke een opmerking zou hebben gemaakt over het ontbreken van de garantie en zou hebben gevraagd om de garantie alsnog in het contract te zetten. [appellant] heeft dat kennelijk echter niet gedaan en het contract toch getekend.

Bovendien constateert het hof dat [appellant] als getuige tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. [appellant] heeft immers aanvankelijk verklaard dat het bij het doorlezen van het contract niet tot hem doordrong dat de garantie daar niet in stond, terwijl hij daarna heeft verklaard dat hij bij het doorlezen van het contract had opgemerkt dat de garantie daar niet in stond. Dit doet, mede gezien het voorgaande, af aan de geloofwaardigheid van de partijgetuigenverklaring van [appellant] .

8.12.4.3. Ook aan de geloofwaardigheid van de getuigenverklaring van [bestuurder van Advies B.V.] doet afbreuk dat de garantie niet is opgenomen in het contract. [bestuurder van Advies B.V.] heeft verklaard dat hij na afloop van de bespreking met steekwoorden aan [getuige 6] heeft aangegeven wat er was afgesproken en wat er in het contract moest komen te staan. Verder heeft [bestuurder van Advies B.V.] verklaard dat hij daarbij ook de garantie heeft genoemd en de partijen die zich garant hadden gesteld te weten [geïntimeerde 4] en [melkvee] . Gelet daarop is opmerkelijk dat deze garantie niet voorkomt in het contract. [bestuurder van Advies B.V.] heeft hierover verklaard:

‘Na het gesprek van februari 2009 heb ik nog een keer telefonisch contact gehad met [appellant] en hem gevraagd of hij tevreden was. Dat was zo en daarom heb ik mij verder niet bekommerd om de overeenkomst. De overeenkomst is aan mijn aandacht ontsnapt. Deze werd ook niet meer ter beoordeling aan mij voorgelegd maar alleen ter informatie naar mij gestuurd. Verder ging ik er vanuit dat het ondanks het ontbreken van de garantie in het contract wel goed zat vanwege de arbitrage clausule.’

Het hof acht de verklaring van [bestuurder van Advies B.V.] dat hij zich verder niet om het contract heeft bekommerd onvoldoende overtuigend. In het contract zijn immers belangrijke afspraken vastgelegd tussen wederzijdse cliënten van [bestuurder van Advies B.V.] en hij had die afspraken nota bene zelf in steekwoorden gedicteerd aan degene die het contract heeft uitgewerkt. Het hof overweegt voorts dat als het zo zou zijn dat [bestuurder van Advies B.V.] niet zou hebben gezien dat de garantie niet in het contract stond omdat hij zich verder niet om het contract heeft bekommerd, aangenomen kan worden dat [bestuurder van Advies B.V.] ervan is uitgegaan dat de door hem aan [getuige 6] gedicteerde garantie wel in het contract stond. Dan ligt het echter niet voor de hand dat, zoals [bestuurder van Advies B.V.] heeft verklaard, hij vervolgens in gesprekken over de splitsing van het [concern] concern erop heeft aangedrongen dat onder meer [geïntimeerde 4] garant zou (blijven) staan, omdat [bestuurder van Advies B.V.] anders niet zou meewerken aan de splitsing. Het was in ieder geval niet nodig om bij [geïntimeerde 4] aan te dringen op een mondelinge bevestiging van een reeds namens hemzelf (en wellicht ook namens [melkvee] ) gegeven garantstelling indien die garantie al vastlag in een contract.

Indien [bestuurder van Advies B.V.] na ontvangst van het contract wel zou hebben gezien dat de garantie daar niet in stond, dan acht het hof zijn verklaring ook onvoldoende overtuigend. Het is moeilijk voorstelbaar dat [bestuurder van Advies B.V.] genoegen nam met een onvolledig contract en dat hij [appellant] alleen heeft gevraagd of hij tevreden was met het contract. [bestuurder van Advies B.V.] had immers zelf met steekwoorden aan [getuige 6] aangegeven welke afspraken in het contract moesten worden vermeld. Bovendien was [bestuurder van Advies B.V.] ook de adviseur van [appellant] en de gegeven garantie, die volgens [bestuurder van Advies B.V.] al eerder mondeling was gegeven, was voor [appellant] kennelijk een belangrijke afspraak. Verder is van belang dat [bestuurder van Advies B.V.] heeft verklaard dat [appellant] hem vóór de bespreking van 9 februari 2009 had gebeld en dat [appellant] zich er zorgen over maakte dat Van Bakel leasemelk wilde leveren om daarmee tijd te rekken om het melkquotum pas een jaar later te hoeven leveren. [bestuurder van Advies B.V.] vond die zorgen terecht, omdat [geïntimeerde 3] , die in Amerika zat, zijn broers niet had ingelicht over financieringsproblemen in Amerika. Gelet op dit een en ander had het naar het oordeel van het hof voor de hand gelegen dat [bestuurder van Advies B.V.] zou hebben aangedrongen op aanvulling van het contract met de garantie, althans dat hij in elk geval met [appellant] zou hebben besproken dat de garantie niet in het contract stond. Het feit dat [bestuurder van Advies B.V.] in het contract was aangewezen als arbiter, maakt dit niet anders.

8.12.4.4. Het hof constateert verder nog het volgende. Productie 27 ziet volgens [appellant] op aantekeningen die [bestuurder van Advies B.V.] tijdens de bespreking van 9 februari 2009 heeft gemaakt. Opvallend is echter dat, hoewel [appellant] en [bestuurder van Advies B.V.] als getuigen hebben verklaard dat tijdens deze bespreking een garantie is afgegeven namens [geïntimeerde 4] in privé en [melkvee] , in de aantekeningen die [bestuurder van Advies B.V.] van die bespreking zou hebben gemaakt het woord garantie en de namen van [geïntimeerde 4] en [melkvee] niet voorkomen. Dit klemt temeer nu in die aantekeningen wel diverse andere (belangrijke) punten staan vermeld die zijn uitgewerkt in het schriftelijke contract d.d. 9 februari 2009. Naar het oordeel van het hof vormen de aantekeningen dan ook een contra indicatie voor de juistheid van de getuigenverklaringen van [appellant] en [bestuurder van Advies B.V.] .

8.12.5.1. [appellant] heeft in zijn memorie na enquête nog verwezen naar de producties 25 en 26, zijnde delen uit de agenda’s van [bestuurder van Advies B.V.] . Volgens [appellant] blijkt hieruit dat er in de agenda’s van [bestuurder van Advies B.V.] een afspraak staat genoteerd voor een bespreking op 9 februari 2009 op het kantoor van [groep] inzake [appellant] . De relevantie hiervan ontgaat het hof. [geïntimeerde 4] heeft immers, in lijn met wat er in de agenda’s van [bestuurder van Advies B.V.] staat vermeld, verklaard dat in februari 2009 een bespreking heeft plaatsgevonden tussen [appellant] , [bestuurder van Advies B.V.] en [geïntimeerde 4] . Tussen partijen staat verder ook niet ter discussie dat die bespreking op 9 februari 2009 heeft plaatsgevonden. De producties 25 en 26 zijn in zoverre dan ook niet relevant.

8.12.5.2. [appellant] heeft verder in zijn memorie na enquête betoogd dat de getuigenverklaring van [geïntimeerde 4] onjuist is dat hij na afloop van de bespreking meteen door moest naar een afspraak met de heren [klant van Advies B.V.] (hierna in enkelvoud: [klant van Advies B.V.] ). Daartoe stelt [appellant] dat wanneer er een bespreking zou hebben plaatsgevonden tussen [klant van Advies B.V.] en [geïntimeerde 4] , [bestuurder van Advies B.V.] daar zeker bij aanwezig zou zijn geweest omdat [klant van Advies B.V.] destijds ook een klant van [bestuurder van Advies B.V.] was. [bestuurder van Advies B.V.] had echter, zo lijkt [appellant] onder verwijzing naar de producties 25 en 26 te stellen, na de bespreking tussen [appellant] , [geïntimeerde 4] en [bestuurder van Advies B.V.] een afspraak bij de gemeente Maasbree. Aldus stelt [appellant] zich kennelijk op het standpunt dat [geïntimeerde 4] in aansluiting op bedoelde bespreking geen bespreking heeft gevoerd met [klant van Advies B.V.] . [appellant] heeft echter nog geen begin van bewijs bijgebracht van deze stelling, zodat daaraan voorbij wordt gegaan. Het enkele feit dat [bestuurder van Advies B.V.] een afspraak had bij de gemeente Maasbree, maakt dit niet anders.

Het hof constateert verder dat de getuigenverklaring van [bestuurder van Advies B.V.] dat [geïntimeerde 4] op een gegeven moment na afloop van de bespreking met [appellant] en [bestuurder van Advies B.V.] is weggelopen ‘vanwege zijn drukke agenda’ in lijn is met de getuigenverklaring van [geïntimeerde 4] dat hij meteen door moest naar een andere afspraak. Overigens heeft [appellant] tijdens het pleidooi zelf gesteld dat [bestuurder van Advies B.V.] en [geïntimeerde 4] aansluitend aan de bespreking met [appellant] in een andere ruimte met een andere partij in gesprek moesten in verband met problemen in Amerika. Dit strookt in ieder geval, voor zover het [geïntimeerde 4] betreft, met diens getuigenverklaring.

Naar het oordeel van het hof kan dan ook niet worden geconcludeerd dat aan de getuigenverklaring van [geïntimeerde 4] over de gebeurtenissen op 9 februari 2009 geen geloof kan worden gehecht of minder geloof dan aan de (partij)getuigenverklaringen van [appellant] en [bestuurder van Advies B.V.] .

8.12.6.

Op grond van het bovenstaande concludeert het hof dat [appellant] ook niet is geslaagd in het bewijs van zijn stelling dat, kort gezegd, [geïntimeerde 4] tijdens de bespreking van

9 februari 2009 namens zichzelf en namens [melkvee] een garantie heeft gegeven voor de levering van het melkquotum met verruimingen.

Bewijsonderdelen 4 en 5: bespreking september 2009 tussen [geïntimeerde 4] , [geïntimeerde 3] en [bestuurder van Advies B.V.]

8.13.1.

Met betrekking tot de bewijsonderdelen 4 en 5 heeft [bestuurder van Advies B.V.] als getuige verklaard:

‘In de zomer van 2009 was er al volop discussie over een herstructurering waarbij de Amerikaanse tak van het concern zou worden afgesplitst en onder de beheersmaatschappij van [geïntimeerde 3] zou worden gezet. (...) Ik heb in de zomer van 2009 op meerdere momenten tegen [geïntimeerde 4] , [geïntimeerde 3] en [broer van geintimeerde 3 en 4] gezegd: jullie zijn verantwoordelijk voor alles wat er in Nederland is afgesproken, anders doe ik het niet. Ik wilde anders niet meewerken aan de constructie waarbij de Amerikaanse tak zou worden afgesplitst. (...) In het kader van de afsplitsing zou [Onroerend Goed OG] onder Amerikaanse vlag verder gaan. Het was voor mij daarom noodzakelijk dat de afspraken die namens [Onroerend Goed OG] in Nederland waren gemaakt wel zouden worden gezien als Nederlandse afspraken die moesten worden nagekomen. Ook in de maanden augustus en september 2009 heb ik op meerdere momenten zowel tegen [geïntimeerde 3] als tegen [geïntimeerde 4] gezegd: jullie zijn verantwoordelijk voor het afwerken van de afspraken met boeren hier in Nederland, anders werk ik de splitsing niet af. Ik zei: let wel, jullie zijn zelf verantwoordelijk en jullie staan daar borg voor en ook jullie B.V.’s. Zij beaamden dat. Het was vanzelfsprekend. We hebben in die gesprekken de woorden hoofdelijke aansprakelijkheid niet gebruikt, dat doen wij niet. (...) Toen ik tegen [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] zei dat zij verantwoordelijk waren voor het afwerken van de afspraken met boeren in Nederland heb ik daarbij ook een aantal boeren met naam genoemd onder andere [appellant] . Ik kan me niet herinneren dat ik met [appellant] nog contact heb gehad over deze gesprekken...’

8.13.2.

Haaks op de getuigenverklaring van [bestuurder van Advies B.V.] staat de getuigenverklaring van [geïntimeerde 4] die onder meer heeft verklaard:

‘Pas halverwege 2009 toen [Onroerend Goed OG] in zwaar weer zat heeft [bestuurder van Advies B.V.] meerdere malen om garanties gevraagd. Ik heb hem toen elke keer gezegd ‘nee’. Daar hebben we nog de grootste ruzies om gehad en het heeft uiteindelijk geleid tot een breuk tussen mij en [bestuurder van Advies B.V.] . (...) Ik heb zojuist verklaard dat [bestuurder van Advies B.V.] mij halverwege 2009 meerdere malen om garanties vroeg. Dat ging telefonisch. Wij bespraken dan zaken met elkaar en op een gegeven moment probeerde hij dan af te dwingen dat ik garanties zou verstrekken die ik helemaal niet wilde geven. Hij vroeg dan of ik privé garant zou staan, mijn beheermaatschappij en [melkvee] , overal waar hij dacht dat er wat te halen was.’

8.13.3.

Mede gelet op hetgeen het hof hiervoor in r.o. 8.12.4.1 en verder heeft overwogen hecht het hof minder geloof aan de getuigenverklaring van [bestuurder van Advies B.V.] dan aan die van [geïntimeerde 4] . Het hof komt niet tot een ander oordeel op basis van de partijgetuigenverklaring van [appellant] die inhoudt dat hij van [bestuurder van Advies B.V.] heeft gehoord dat [Beheer] Beheer en [geïntimeerde 3] in privé zich ook garant hadden gesteld. Hetzelfde geldt voor de getuigenverklaring van [getuige 3] die heeft verklaard i) dat zij van [appellant] heeft gehoord dat [bestuurder van Advies B.V.] tegen hem had gezegd dat [geïntimeerde 4] , [melkvee] en [geïntimeerde 3] zich nogmaals garant hadden gesteld en ii) dat [bestuurder van Advies B.V.] later ook nog in haar bijzijn heeft bevestigd dat [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 3] en [melkvee] zich garant hadden gesteld. Deze (partij)getuigenverklaringen van [appellant] en [getuige 3] zijn slechts verklaringen van horen zeggen en zijn allemaal terug te voeren op [bestuurder van Advies B.V.] , wiens verklaring het hof gelet op het bovenstaande onvoldoende geloofwaardig acht. Het hof neemt hierbij in ogenschouw dat [bestuurder van Advies B.V.] [appellant] eind 2007 heeft geadviseerd om vanwege fiscale redenen alvast ruim € 500.000,- naar [Onroerend Goed OG] over te maken voor de koop van een melkquotum, zonder daarbij zekerheid te bedingen voor de levering van dit quotum of de terugbetaling van de koopprijs indien het quotum niet zou worden geleverd, en zonder ervoor te zorgen dat deze zekerheid alsnog werd opgenomen in het schriftelijke contract van 9 februari 2009. Gelet hierop acht het hof het bepaald niet uit te sluiten dat [bestuurder van Advies B.V.] er persoonlijk belang bij had en heeft dat één of meerdere geïntimeerden alsnog garant (zouden) staan voor de levering van het melkquotum.

8.13.4.

Gelet op het voorgaande en op het feit dat het hof de getuigenverklaring van [bestuurder van Advies B.V.] ook onvoldoende geloofwaardig acht voor zover deze zou inhouden dat [geïntimeerde 3] zich in privé garant heeft gesteld, acht het hof [appellant] ook niet geslaagd in het bewijs van zijn stelling dat, kort gezegd, [geïntimeerde 3] zich tijdens een bespreking in 2009 in privé garant heeft gesteld en dat [geïntimeerde 4] zich toen in privé, namens [melkvee] en namens [Beheer] Beheer garant heeft gesteld.

Conclusie

8.14.

Nu [appellant] het aan hem opgedragen bewijs niet heeft geleverd, is in rechte niet komen vast te staan dat [melkvee] c.s. zich hoofdelijk hebben verbonden voor de verplichting van [Onroerend Goed OG] om het aan [appellant] verkochte melkquotum, vermeerderd met verruimingen, aan hem te leveren. Dat betekent dat de vorderingen van [appellant] tegen [melkvee] c.s., die zijn gegrond op hoofdelijke verbondenheid, niet toewijsbaar zijn. De grieven 1, 2, 6 en 7 falen daarom. Ook grief 5 faalt voor zover deze grief ziet op vorderingen van [appellant] tegen [melkvee] c.s. Voor zover grief 5 ziet op een vordering van [appellant] tegen [Onroerend Goed OG] , behoeft deze grief geen bespreking. De procedure van [appellant] tegen [Onroerend Goed OG] is immers op grond van artikel 29 Fw geschorst, zodat de vorderingen van [appellant] tegen [Onroerend Goed OG] daarom nu niet aan de orde zijn. Hetzelfde geldt voor grief 4 welke grief uitsluitend ziet op een vordering van [appellant] tegen [Onroerend Goed OG] .

8.15.

Op grond van het bovenstaande zal het hof het bestreden eindvonnis van 21 maart 2012 bekrachtigen voor zover dit vonnis is gewezen tussen [appellant] en [melkvee] c.s. Daarnaast zal [appellant] niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn hoger beroep van het tussenvonnis van 23 maart 2011 (zie r.o. 4.3 tussenarrest), eveneens voor zover dit vonnis is gewezen tussen [appellant] en [melkvee] c.s.

[appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep tussen hem en [melkvee] c.s.

9 De uitspraak

Het hof:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep van het tussenvonnis van 23 maart 2011 voor zover dit vonnis is gewezen tussen [appellant] en [melkvee] c.s.;

bekrachtigt het eindvonnis waarvan beroep van 21 maart 2012 voor zover dit vonnis is gewezen tussen [appellant] en [melkvee] c.s.;

veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep tussen [appellant] en [melkvee] c.s., welke kosten tot op heden aan de zijde van [melkvee] c.s. worden begroot op € 666,- aan verschotten en op € 16.315,- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.R. Sijmonsma, D.A.E.M. Hulskes en Th.C.M. Hendriks-Jansen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 20 oktober 2015.

griffier rolraadsheer