Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:4095

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-10-2015
Datum publicatie
16-10-2015
Zaaknummer
HD 200.148.312_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2012:1062, Overig
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eiser beroept zich op een in 2007 gesloten mondelinge overeenkomst tot levering van percelen. Gedaagde betwist dat die overeenkomst is gesloten. Eiser wordt gelet op zijn aanbod aanvullende bewijslevering toegelaten tot die aanvullende bewijslevering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.148.312/01

arrest van 13 oktober 2015

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. M. Trouwborst te Middelharnis,

tegen

1 [geïntimeerde v.o.f.] .,
gevestigd te [woonplaats 2] ,

2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats 2] ,

3. [geïntimeerde 3] ,
wonende te [woonplaats 2] ,

geïntimeerden,

hierna afzonderlijk aan te duiden als [geïntimeerde 2] vof, [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] en tezamen als [geïntimeerden] ,

advocaat: mr. C.A.M.H. Vink te 's-Hertogenbosch,

op het bij exploot van dagvaarding van 3 april 2014 ingeleide hoger beroep van het tussenvonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 13 maart 2013 en van het eindvonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 8 januari 2014, gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerden] als gedaagden.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 242178, rolnummer HA ZA 12-93)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen en naar het door de rechtbank ’s-Hertogenbosch in dezelfde zaak gewezen tussenvonnis van 28 maart 2012.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven, tevens houdende wijziging van eis, met drie producties (nrs. 27, 28 en 29);

  • -

    de memorie van antwoord met een productie (nr. 7).

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. Op of omstreeks januari 2007 heeft tussen [appellant] en [geïntimeerden] een gesprek plaatsgevonden over de mogelijke verkoop van drie aan [geïntimeerden] toebehorende percelen grond te [woonplaats 2] , te weten: een perceel van circa 4,45 ha (hierna: perceel I), een perceel van circa 7,62 ha (hierna: perceel II) en een perceel van circa 10,40 ha (hierna: perceel III).

  2. [geïntimeerden] hebben een brief van ABAB Accountants B.V. (hierna: ABAB) van 2 februari 2009 in het geding gebracht, waarin staat dat ABAB op 9 januari 2007 aan [geïntimeerden] mondeling het volgende advies heeft gegeven inzake de mogelijkheid tot verkoop van grond:

“De geruisloze terugkeer uit de bv is alleen mogelijk indien het akkerbouwbedrijf als fiscale onderneming in stand blijft. Het advies is dan ook om de komende jaren liever geen grond te verkopen. Indien er wel grond verkocht zou worden, dan hooguit het kleinste perceel van 4.45 a. Dit om de acceptatie van de “terugkeerreserve” bij de geruisloze terugkeer vanuit de bv niet in gevaar te brengen.”

[appellant] heeft een financieringsvoorstel van de Rabobank overgelegd. De begeleidende brief van de Rabobank van 12 maart 2007 begint met de volgende tekst:

“Geachte heer [appellant] ,

Met genoegen doe ik u hierbij het financieringsvoorstel toekomen inzake uw financieringsaanvraag ad EUR 500.000,-- voor de financiering van de aankoop van 20 ha. landbouwgrond in 3 fases. In april 2007 wilt u ca. 4 ha aankopen, in februari 2008 ca. 6 ha en in februari 2009 ca. 10 ha.”

Bij notariële akte van 12 juli 2007 hebben [geïntimeerden] perceel I aan [appellant] in eigendom overgedragen. In de akte staat een koopsom genoemd van € 144.576,25.

Eind januari 2008 heeft [appellant] [geïntimeerden] bezocht, een gesprek met hen gevoerd en daarvan – zonder dat aan [geïntimeerden] mee te delen – een geluidsopname gemaakt. [appellant] heeft zich in dit gesprek op het standpunt gesteld dat [geïntimeerden] begin 2007 aan hem de percelen I, II en III hebben verkocht. [appellant] heeft in zich dat kader onder meer beroepen op een door hemzelf handgeschreven stuk met de volgende tekst:

“27 jan 2007

4.45

ha → 2007

7.62

ha → feb 2008

10.40

ha → feb 2009.

Overeengekomen tussen [appellant]

en [geïntimeerde 2] .

Grond gaat over voor prijs

van 3.50 / m2”

Bij brief van 6 februari 2008 hebben [geïntimeerden] aan [appellant] onder meer het volgende meegedeeld:

“Naar aanleiding van de door u ons aangereikte handgeschreven stukken het volgende. Vorig jaar hebben wij met elkaar gesproken over de mogelijkheid van de koop door u van grond van ons.

Dat gesprek had wat ons betreft een oriënterend karakter. Wij hebben nooit de intentie gehad met u bindende afspraken te maken. Er is wat ons betreft dan ook nooit een overeenkomst tot stand gekomen zoals door u wordt gesuggereerd. Mochten wij op termijn onze grond willen verkopen dat zullen wij u daarover tijdig berichten.”

Tussen [geïntimeerde 2] vof en [appellant] Agrarische bedrijven B.V. (hierna: [appellant] BV) is een procedure gevoerd bij de rechtbank ’s-Hertogenbosch (zaaknummer: 180024 / HA ZA 08-1674). In die procedure heeft [appellant] B.V. - in reconventie - gevorderd voor recht te verklaren dat tussen [appellant] B.V. en [geïntimeerde 2] vof op 27 januari 2007 een overeenkomst is gesloten waarbij [geïntimeerde 2] vof zich jegens [appellant] BV heeft verplicht tot gefaseerde levering van de drie percelen, met veroordeling van [geïntimeerde 2] vof tot levering van de percelen II en III op straffe van een dwangsom. De rechtbank heeft die vorderingen na een mondeling tussenvonnis met bewijsopdracht aan [appellant] BV en na gehouden getuigenverhoren afgewezen bij vonnis van 17 maart 2010. In rechtsoverweging 3.6 van dat vonnis heeft de rechtbank het volgende overwogen:

“De heer [appellant] heeft als getuige verklaard dat de koopovereenkomst met betrekking tot de drie percelen met hem in privé is gesloten en dat hij zelf zou mogen kiezen of hij de grond zou inbrengen in zijn maatschap of in [appellant] BV. Uit de door [appellant] BV overgelegde leveringsakte van het perceel van 4,45 ha (…) en de handgeschreven koopovereenkomst (…) blijkt ook dat de heer [appellant] met betrekking tot dat perceel als koper is opgetreden en niet [appellant] BV. Nu uit de getuigenverklaring van de heer [appellant] en de door [appellant] BV overgelegde stukken volgt dat de gestelde koopovereenkomst met betrekking tot de drie percelen door de heer [appellant] in privé is gesloten en niet door [appellant] BV, is [appellant] BV niet in de bewijsopdracht geslaagd. Dat de heer [appellant] na aankoop zou kunnen bepalen of hij de grond zou inbrengen in de maatschap of in [appellant] B.V. kan niet tot een ander oordeel leiden. De vorderingen zullen worden afgewezen.”

Tegen het vonnis van 17 maart 2010 is geen hoger beroep ingesteld, zodat het kracht van gewijsde heeft gekregen.

Bij notariële akte van 30 december 2010 hebben [geïntimeerden] een aantal percelen, waaronder de percelen II en III, geleverd aan de besloten vennootschap [geïntimeerde 3] BV waarvan zij de bestuurders zijn.

3.2.1.

In de onderhavige procedure vorderde [appellant] in eerste aanleg, na zijn eis te hebben gewijzigd bij conclusie na enquête van 21 augustus 2013, kort samengevat:

I. een verklaring voor recht dat partijen op 27 januari 2007 een overeenkomst hebben gesloten waarbij [geïntimeerden] zich jegens [appellant] heeft verplicht tot de levering van drie percelen, een en ander zoals omschreven op het door [appellant] opgestelde handgeschreven stuk gedateerd 27 januari 2007;

II. veroordeling van [geïntimeerden] om mee te werken aan levering van de percelen II en III (eventueel: door de besloten vennootschap [geïntimeerde 3] BV) aan [appellant] tegen een koopprijs van € 3,50 per vierkante meter, met bepaling dat indien [geïntimeerden] niet meewerken, het vonnis in de plaats treedt van een tot de levering van een registergoed bestemde akte, dan wel met bepaling dat [geïntimeerden] bij het niet meewerken een boete verbeuren van € 25.000,-- per week;

III. [geïntimeerden] te veroordelen tot betaling van aanvullende schadevergoeding, nader op te maken bij staat;

met hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft [appellant] ten grondslag gelegd dat hij op 27 januari 2007 een overeenkomst met [geïntimeerden] heeft gesloten op grond waarvan [geïntimeerden] gefaseerd drie percelen grond aan [appellant] zouden leveren tegen een koopprijs van € 3,50 per vierkante meter. Volgens [appellant] is overeengekomen dat perceel II in februari 2008 zou worden geleverd en dat perceel III in februari 2009 zou worden geleverd. [geïntimeerden] weigeren ten onrechte de percelen II en III te leveren, aldus [appellant] .

3.2.3.

[geïntimeerden] hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.3.1.

In het tussenvonnis van 28 maart 2012 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast.

3.3.2.

In het tussenvonnis van 13 maart 2013 heeft de rechtbank [appellant] opgedragen te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat [appellant] in of omstreeks januari 2007 een overeenkomst met [geïntimeerden] heeft gesloten tot verkoop van twee percelen grond te [woonplaats 2] ter grootte van 7,62 en 10,40 ha, zoals nader omschreven op de als productie 1 bij dagvaarding overgelegde kaart, voor een prijs van € 3,50 per vierkante meter;

3.3.3.

In het eindvonnis van 8 januari 2014 heeft de rechtbank [appellant] niet in de bewijslevering geslaagd geacht. Op grond daarvan heeft de rechtbank de vorderingen van [appellant] afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld.

3.4.1.

[appellant] heeft bij zijn memorie van grieven zijn eis wederom gewijzigd. Ook deze gewijzigde eis komt in essentie neer op veroordeling van [geïntimeerden] tot medewerking aan de levering van de percelen II en III en veroordeling van [geïntimeerden] tot betaling van schadevergoeding. De eiswijziging heeft tijdig, immers bij memorie van grieven, plaatsgevonden en is toelaatbaar. Na behandeling van de grieven zal blijken of de gewijzigde eis toewijsbaar is.

3.4.2.

[appellant] heeft in hoger beroep twaalf grieven aangevoerd. De grieven 1 tot en met 3 zijn gericht tegen het tussenvonnis van 13 maart 2013 en de grieven 4 tot en met 12 zijn gericht tegen het eindvonnis van 8 januari 2014. [appellant] heeft op basis van de grieven geconcludeerd tot vernietiging van beide vonnissen en tot het alsnog toewijzen van zijn gewijzigde vorderingen, met veroordeling van [geïntimeerden] tot terugbetaling van hetgeen [appellant] op grond van het vonnis aan [geïntimeerden] heeft voldaan.

Naar aanleiding van grief 1

3.5.1.

De rechtbank heeft in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.4 van het tussenvonnis van 13 maart 2013 enkele vaststaande feiten opgesomd. Rechtsoverweging 2.3 van dat vonnis luidt als volgt:

“2.3. Op 26 januari 2008 heeft tussen [appellant] en [geïntimeerden] een gesprek plaatsgevonden over de vraag of er in 2007 tevens een koopovereenkomst met betrekking tot de percelen II en III tot stand is gekomen.”

3.5.1.

Grief 1 is tegen deze rechtsoverweging gericht. In de toelichting op de grief betoogt [appellant] dat de bespreking van 26 januari 2008 niet ging over de vraag of in 2007 een koopovereenkomst met betrekking tot de percelen II en III tot stand gekomen was, maar over een oplossing voor het feit dat [geïntimeerde 2] eind januari 2008 aan [appellant] had meegedeeld dat hij niet kon voldoen aan de leveringsafspraken ter zake van de percelen II en III uit de gesloten koopovereenkomst.

3.5.2.

Het hof overweegt naar aanleiding van deze grief dat tussen partijen in geschil is wat de exacte strekking was van het op 26 januari 2008 gevoerde gesprek. Daarom volstaat het naar het oordeel van het hof om als vaststaand feit aan te merken hetgeen het hof hiervoor in rov. 3.1 sub e heeft weergegeven:

“Eind januari 2008 heeft [appellant] [geïntimeerden] bezocht, een gesprek met hen gevoerd en daarvan – zonder dat aan [geïntimeerden] mee te delen – een geluidsopname gemaakt. [appellant] heeft zich in dit gesprek op het standpunt gesteld dat [geïntimeerden] begin 2007 aan hem de percelen I, II en III hebben verkocht. [appellant] heeft in zich dat kader onder meer beroepen op een door hemzelf handgeschreven stuk met de volgende tekst (…)”

De grief is dus in zoverre terecht voorgedagen, dat bij de vaststaande feiten niet behoort te worden opgenomen dat de bespreking van 26 januari 2008 ging over de vraag of in 2007 een koopovereenkomst met betrekking tot de percelen II en III tot stand gekomen was. [appellant] heeft dat immers betwist.

3.5.3.

Dat de grief ten dele terecht is voorgedragen, voert op zichzelf niet tot het oordeel dat de rechtbank in het tussenvonnis ten onrechte een bewijsopdracht aan [appellant] heeft gegeven of in het eindvonnis ten onrechte de vordering van [appellant] heeft afgewezen. In zoverre verwerpt het hof de grief.

Naar aanleiding van grief 2

3.6.1.

[geïntimeerden] hebben in eerste aanleg als verweer gevoerd dat, voor zover zou komen vast te staan dat zij een koopovereenkomst hebben gesloten met betrekking tot de percelen II en III, niet [appellant] maar [appellant] BV de kopende partij is, zodat de vordering van [appellant] moet worden afgewezen. [appellant] heeft dat verweer bestreden en zich beroepen op het in kracht van gewijsde gegane vonnis van 17 maart 2010. Volgens [appellant] is in dat vonnis beslist dat de koopovereenkomst niet door [appellant] BV, maar door [appellant] in privé is aangegaan en staat dit dus tussen partijen vast. De rechtbank heeft in rov. 4.3 van het tussenvonnis van 13 maart 2013 vervolgens het volgende overwogen over dit geschilpunt:

“4.3. Het beroep van [appellant] op de bindende kracht van voormeld vonnis van

17 maart 2010 faalt, omdat niet voldaan is aan alle in artikel 236 Rv neergelegde

vereisten. Het vonnis van 17 maart 2010 is gewezen tussen [geïntimeerde 2] v.o.f. en

[appellant] B.V., terwijl in de onderhavige procedure de heer [appellant] , [geïntimeerde 2] v.o.f. en

de heer en mevrouw [geïntimeerde 2] procespartijen zijn. Anders dan [appellant] leest de rechtbank in de hierover onder “De feiten” geciteerde overweging uit het vonnis van 17 maart 2010

overigens niet dat is komen vast te staan dat er een koopovereenkomst met betrekking tot de percelen II en III tot stand is gekomen. In de onderhavige procedure zal opnieuw aan de orde komen of er een koopovereenkomst met betrekking tot de percelen II en III is gesloten en zo ja, wie daarbij als contractspartij heeft te gelden.”

3.6.2.

[appellant] is met grief 2 tegen deze overweging opgekomen. Voor zover [appellant] met de grief heeft willen betogen dat in rov. 3.6 van het vonnis van 17 maart 2010 is geoordeeld dat hij de kopende partij was bij de door hem gestelde overeenkomst met betrekking tot de drie percelen, en dat dit oordeel op grond van artikel 236 Rv bindende kracht heeft in de onderhavige procedure, verwerpt het hof de grief om meerdere redenen. Het hof stelt in dat verband voorop dat aan beslissingen in het vonnis van 17 maart 2010 geen bindende kracht als bedoeld in artikel 236 Rv toekomt in de onderhavige procedure, omdat van bindende kracht in de zin van artikel 236 Rv alleen sprake kan zijn in een ander geding tussen dezelfde partijen. Aan die voorwaarde is niet voldaan omdat het vonnis van 17 maart 2010 gewezen is in een procedure tussen [geïntimeerde 2] vof en [appellant] BV, en de onderhavige procedure aanhangig is tussen [geïntimeerden] en [appellant] in persoon.

3.6.3.

Het hof deelt voorts het oordeel van de rechtbank in het tussenvonnis van 13 maart 2013, dat de rechtbank in rov. 3.6 van het vonnis van 17 maart 2010 niet heeft geoordeeld dat vast is komen te staan dat een overeenkomst is gesloten met betrekking tot de percelen II en III. De rechtbank heeft in dat vonnis slechts geoordeeld dat uit de eigen stellingen van [appellant] BV volgt dat – voor zover komt vast te staan dat [geïntimeerde 2] vof de percelen II en III verkocht heeft – niet [appellant] BV maar [appellant] in privé de kopende partij was, zodat de vordering van [appellant] BV reeds om die reden niet toewijsbaar is. Het hof is daarom evenals de rechtbank van oordeel dat in de onderhavige procedure, zonder enige binding aan het vonnis van 17 maart 2010, beoordeeld moet worden of er een koopovereenkomst met betrekking tot de percelen II en III tot stand gekomen is en zo ja, tussen welke partijen. Die vragen komen hierna bij de bespreking van de grieven 4 tot en met 7 aan de orde. Hetgeen [appellant] in paragraaf 5.7 van de memorie van grieven heeft aangevoerd, zal het hof daarbij betrekken.

3.6.4.

Grief 2 wordt om bovenstaande redenen verworpen

Naar aanleiding van grief 3

3.7.1.

De rechtbank heeft in rov. 4.7 van het tussenvonnis van 13 maart 2013 geoordeeld:

  1. dat op [appellant] de bewijslast rust van zijn stelling dat tussen hem en [geïntimeerden] een koopovereenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot de percelen II en III;

  2. dat de stelling van [appellant] op grond van de ten tijde van het tussenvonnis beschikbare gedingstukken en producties nog niet voorshands bewezen kan worden geacht.

De rechtbank heeft [appellant] vervolgens toegelaten nader bewijs te leveren van zijn stelling.

3.7.2.

Tegen het onder A weergegeven oordeel over de bewijslastverdeling is [appellant] niet opgekomen. Dat oordeel is overigens in overeenstemming met de in artikel 150 Rv neergelegde hoofdregel van bewijslastverdeling.

3.7.3.

[appellant] is met grief 3 opgekomen tegen het onder B weergegeven oordeel dat hij ten tijde van het tussenvonnis van 13 maart 2013 nog niet voorshands in de bewijslevering geslaagd kon worden geacht. In de toelichting op de grief betoogt [appellant] dat de rechtbank hem, gelet op de door hem overgelegde producties en gelet op de overige gedingstukken, wel voorshands in de bewijslevering geslaagd had moeten achten.

3.7.4.

Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] bij deze grief geen belang. Vast staat immers dat inmiddels in eerste aanleg nadere bewijsvoering, met name door getuigenverhoren, heeft plaatsgevonden. Waar het in deze zaak op aankomt is of [appellant] mede gelet op die nadere bewijsvoering, geslaagd kan worden geacht in de bewijsvoering. Hoe het voorlopig bewijsoordeel ten tijde van het tussenvonnis had moeten luiden, is niet relevant meer. Ook als de rechtbank [appellant] in dat vonnis voorshands in de bewijslevering geslaagd zou hebben geacht, had bewijslevering moeten plaatsvinden. [geïntimeerden] hadden immers in eerste aanleg evenzeer bewijs aangeboden en hadden dan dus moeten worden toegelaten tot de levering van tegenbewijs.

3.7.5.

Om bovenstaande redenen verwerpt het hof grief 3.

Naar aanleiding van de grieven 4 tot en met 9

3.8.1.

Het hof zal de grieven 4 tot en met 9 gezamenlijk behandelen. Deze grieven zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank in het eindvonnis, dat [appellant] er niet in is geslaagd om te bewijzen dat hij op of omstreeks januari 2007 de percelen II en III van [geïntimeerden] heeft gekocht. Door deze grieven wordt de bewijswaardering aan het oordeel van het hof voorgelegd. Het hof zal beoordelen of [appellant] het betreffende bewijs op dit moment geleverd heeft.

3.8.2.

Het hof stelt voorop dat de verklaring die [appellant] als partijgetuige heeft afgelegd, het te bewijzen opgedragen feit bevestigt. Gelet op het bepaalde in artikel 164 lid 2 Rv kan de verklaring van [appellant] als partijgetuige echter alleen bewijs in zijn voordeel opleveren als de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Volgens vaste rechtspraak moet dat onvolledig bewijs dan zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen, dat het de partijverklaring voldoende geloofwaardig maakt.

3.8.3.

Overtuigend aanvullend bewijs kan in elk geval niet worden gevonden in een door beide partijen ondertekende koopovereenkomst. Een dergelijke schriftelijke overeenkomst die door beide partijen is ondertekend is niet beschikbaar. Overtuigend bewijs is evenmin te vinden in verklaringen van de personen met wie [appellant] stelt de overeenkomst te hebben gesloten. Zowel [geïntimeerde 2] als [geïntimeerde 3] hebben als getuige gemotiveerd en uitdrukkelijk betwist dat zij de door [appellant] gestelde overeenkomst met betrekking tot de percelen II en III hebben gesloten. Het hof merkt in dit verband op dat deze betwisting wordt ondersteund door de door [geïntimeerden] overgelegde brief van ABAB van 2 februari 2009, waarin staat dat ABAB [geïntimeerden] reeds op 9 januari 2007 heeft geadviseerd om “de komende jaren" bij voorkeur geen grond, althans hooguit het kleinste perceel (hof: perceel I) te verkopen. In het licht van dat advies komt de stelling van [geïntimeerden] , dat zij wel perceel I maar niet de percelen II en III hebben verkocht, het hof vooralsnog logisch voor.

3.8.4.

Naar het oordeel van het hof kan overtuigend aanvullend bewijs voor de stelling van [appellant] evenmin worden gevonden in de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] . Het hof acht die verklaringen daarvoor te vaag en te onduidelijk. Het hof verenigt zich met hetgeen de rechtbank over deze verklaringen heeft overwogen. Ook de in eerste aanleg door [appellant] overgelegde schriftelijke verklaring van [getuige 4] levert geen overtuigend aanvullend bewijs, nu [getuige 4] niet heeft aangegeven waar hij de gestelde wetenschap dat de overeenkomst gesloten zou zijn, aan heeft ontleend.

3.8.5.

Voldoende sterk aanvullend bewijs ligt evenmin besloten in het door [appellant] handgeschreven stuk van 27 januari 2007, ook niet indien dat stuk wordt bezien in licht van hetgeen [appellant] daarover heeft gesteld. Het hof acht daarvoor van belang dat het stuk niet is ondertekend door [geïntimeerden] Uit het stuk is bovendien niet af te leiden of het een bevestiging van een gesloten overeenkomst of slechts een vrijblijvend aanbod of plan voor in de toekomst mogelijk te sluiten overeenkomsten betreft.

3.8.6.

Dat [appellant] omstreeks maart 2007 bij de Rabobank een financieringsvoorstel heeft gevraagd voor de financiering van de gefaseerde aankoop van de percelen I, II en III, levert evenmin voldoende sterk aanvullend bewijs op. Daaruit blijkt slechts dat [appellant] zich omstreeks maart 2007 op het standpunt wilde stellen of meende te kunnen stellen dat hij de percelen I, II en III gekocht had of zou gaan kopen. Er is niet met voldoende zekerheid uit af te leiden dat [geïntimeerden] de percelen reeds aan [appellant] hadden verkocht.

3.8.7.

Verder levert ook de door [appellant] overgelegde transcriptie, die volgens hem een weergave vormt van het eind januari 2008 door hem met [geïntimeerden] gevoerde gesprek, vooralsnog geen voldoende sterk aanvullend bewijs op. Uit deze transcriptie van het langdurige gesprek blijkt naar het voorlopig oordeel van het hof weliswaar dat [appellant] [geïntimeerden] er met vasthoudendheid toe tracht te bewegen om de percelen II en III aan hem te leveren, maar niet met voldoende duidelijkheid dat [geïntimeerden] die percelen een jaar eerder (omstreeks januari 2007) zonder opschortende voorwaarde ten aanzien van de fiscale aspecten aan [appellant] verkocht hebben. De in de transcriptie neergelegde uitlatingen van [geïntimeerden] die [appellant] meent te kunnen interpreteren als een weigering om een bindende verplichting tot levering van de percelen II en III na te komen, kunnen naar het voorlopig oordeel van het hof in het verband van het hele gesprek evenzeer worden opgevat als een weigering door [geïntimeerden] om met [appellant] een onvoorwaardelijke overeenkomst ter zake de levering van de percelen te sluiten.

3.8.8.

[appellant] heeft in eerste aanleg bij conclusie na getuigenverhoor nog een kopie van een schriftelijke verklaring van de heer [getuige 1] van 13 augustus 2013 overgelegd. Het hof overweegt dat die kopie van zodanig slechte kwaliteit is dat de verklaring grotendeels onleesbaar is. Volgens de weergave van de inhoud van de verklaring in paragraaf 4.3 van de conclusie na enquête heeft [getuige 1] in de verklaring geschreven dat hij in 2007 aan [geïntimeerde 2] heeft gevraagd of [geïntimeerde 2] grond aan hem wilde verkopen en heeft [geïntimeerde 2] daarop aangegeven dat niet te willen doen, omdat hij “niet vrij was met de grond”. Volgens [appellant] wijst dit erop dat [geïntimeerde 2] de grond al aan [appellant] had verkocht. Naar het voorlopig oordeel van het hof levert deze verklaring echter geen relevant bewijs op voor de door [appellant] te bewijzen overeenkomst met betrekking tot de percelen II en III. Het hof stelt in dat kader voorop dat de gestelde uitlating betrekking kan hebben op het perceel I, dat door [geïntimeerden] aan [appellant] is verkocht. Voor zover de gestelde uitlating betrekking zou kunnen hebben op de percelen II en III kunnen de woorden “niet vrij zijn met de grond” bovendien betekenen dat [geïntimeerde 2] de grond om de fiscale redenen, zoals genoemd in het advies van ABAB van 9 januari 2007, (beter) niet kon verkopen. Reeds om deze redenen levert de schriftelijke verklaring van [getuige 1] vooralsnog geen relevante ondersteuning voor de stelling van [appellant] .

3.8.9.

[appellant] heeft bij de genoemde conclusie na getuigenverhoor voorts een kopie van een schriftelijke verklaring van de heer [broer geïntimeerde] (een broer van [geïntimeerde 2] ) van 12 augustus 2013 overgelegd. In deze verklaring staat dat [geïntimeerde 2] “al jaren geleden” tegen [broer geïntimeerde] heeft gezegd dat hij “de grond” had verkocht aan [appellant] . Deze schriftelijke verklaring levert onvoldoende aanvullend bewijs op omdat “de grond” geen specifieke aanduiding is en dus geen betrekking hoeft te hebben op de percelen II en III. Bovendien levert de schriftelijke verklaring onvoldoende bewijs op omdat het slechts een schriftelijke verklaring is en niet een ten overstaan van een rechterlijk ambtenaar onder ede afgelegde verklaring. [appellant] heeft bij zijn memorie van grieven als prod. 28 een aanvullende schriftelijke verklaring van [broer geïntimeerde] overgelegd, waarin staat, kort gezegd, dat met “de grond” de percelen II en III zijn bedoeld. Deze nadere schriftelijke verklaring levert onvoldoende bewijs op omdat het slechts een schriftelijke verklaring is en niet een ten overstaan van een rechterlijk ambtenaar onder ede afgelegde verklaring.

3.8.10.

[appellant] heeft aan het slot van de memorie van grieven aangeboden [broer geïntimeerde] als getuige te laten horen, zodat [broer geïntimeerde] zijn verklaring en in het bijzonder de betekenis van de daarin gebruikte woorden “de grond” nader kan toelichten. Het hof zal [appellant] tot deze aanvullende bewijslevering in de gelegenheid stellen.

3.8.11.

[appellant] heeft aan het slot van de memorie van grieven tevens aangeboden om de hiervoor in rov. 3.8.8 genoemde [getuige 1] als getuige te laten horen zodat deze zijn schriftelijke verklaring van 13 augustus 2013 kan toelichten. [appellant] kan de gelegenheid voor bewijslevering die het hof hem bij dit arrest geeft, ook benutten om [getuige 1] daartoe te horen.

3.8.12.

Het hof zal elk verder oordeel over de grieven 4 tot en met 9 aanhouden.

Naar aanleiding van de grieven 10 tot en met 12

3.9.

De grieven 10 tot en met 12 hebben naast de grieven 4 tot en met 9 geen zelfstandige betekenis en hoeven op dit moment niet nader besproken te worden.

Overleggen geluidsopname en te houden comparitie van partijen

3.10.1.

Het hof wenst in het kader van de verdere beoordeling van de zaak te beschikken over de geluidsopname die aan de hiervoor genoemde transcriptie ten grondslag heeft gelegen. [appellant] dient die geluidsopname, vastgelegd op een USB-stick of ander medium dat op een gebruikelijke computer af te spelen is, te deponeren ter griffie van het hof. Dit depot dient tenminste twee weken vóór de datum van de na te melden getuigenverhoren plaats te vinden.

3.10.2.

Het hof zal voorts een comparitie van partijen gelasten, te houden direct aansluitend aan de getuigenverhoren. Deze comparitie dient ertoe om de stand van zaken in de procedure te bespreken en om te bezien of de partijen het wenselijk achten een minnelijke regeling te treffen ter beëindiging van het geschil.

3.10.3.

Het hof houdt elk verder oordeel aan.

4 De uitspraak

Het hof:

draagt [appellant] op om tenminste twee weken vóór de datum van de na te melden getuigenverhoren de geluidsopname waar de als productie 6 bij de inleidende dagvaarding overgelegde transcriptie op is gebaseerd, op een USB-stick of ander medium dat op een gebruikelijke computer af te spelen is, te deponeren ter griffie van het hof;

laat [appellant] toe om aanvullend bewijs te leveren van zijn stelling dat hij op of omstreeks januari 2007 met [geïntimeerden] een koopovereenkomst heeft gesloten ter zake de percelen II en III;

bepaalt, voor het geval [appellant] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. J.F.M. Pols als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 27 oktober 2015 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van [appellant] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

bepaalt dat partijen, vergezeld van hun advocaten, aansluitend aan de getuigenverhoren zullen verschijnen voor voormelde raadsheer-commissaris op voormelde plaats, met de hiervoor onder rechtsoverweging 3.10.2 vermelde doeleinden;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, J.F.M. Pols en Th.C.M. Hendriks-Jansen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 13 oktober 2015.

griffier rolraadsheer