Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:3991

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-10-2015
Datum publicatie
09-10-2015
Zaaknummer
F 200 165 686_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

mentorschap

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2015/299
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 8 oktober 2015

Zaaknummer: F 200.165.686/01

Zaaknummer eerste aanleg: 3541751 EJ VERZ 14-6789 & 6790

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.C.M. Nuijten,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in principaal appel,

appellant in incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. C.C.W.G.M. Janssens.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingslocatie Middelburg, van 27 november 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 27 februari 2015, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de benoeming van de man tot mentor over van de nader te noemen zoon van partijen [minderjarige] .

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 29 april 2015, heeft de man verzocht de bestreden beschikking in stand te laten en het door de vrouw in appel verzochte af te wijzen.

Tevens heeft de man incidenteel appel ingesteld en verzocht primair voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de benoeming van de vrouw tot mentor en het verzoek van de vrouw daartoe af te wijzen en subsidiair de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft de gezamenlijke benoeming van de man en de vrouw tot mentor over [minderjarige] en opnieuw rechtdoende een onzijdig persoon te benoemen tot mentor over [minderjarige] .

2.2.1.

Bij verweerschrift in incidenteel appel met producties, ingekomen ter griffie op 11 juni 2015, heeft de vrouw verzocht de verzoeken van de man in incidenteel appel af te wijzen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 september 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Nuijten;

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Janssens.

2.3.1.

[minderjarige] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 12 augustus 2015;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 20 augustus 2015.

3 De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel

3.1.

Uit het middels echtscheiding ontbonden huwelijk van partijen is op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ) geboren.

[minderjarige] is vanaf zijn geboorte verstandelijk en lichamelijk gehandicapt.

3.2.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank - voor zover thans van belang - een mentorschap ingesteld over [minderjarige] met benoeming van de man en de vrouw tot mentoren.

3.3.

Partijen kunnen zich met deze beslissing voor zover zowel de man als de vrouw tot mentor zijn benoemd niet verenigen en zij zijn hiervan in (incidenteel) hoger beroep gekomen.

3.4.

De vrouw heeft ernstig bezwaar tegen de benoeming van de man als medementor ten behoeve van [minderjarige] en voert daartoe - kort samengevat en aangevuld ter zitting - het volgende aan.

Als moeder van [minderjarige] heeft de vrouw na de echtscheiding altijd voor [minderjarige] gezorgd en - omdat [minderjarige] bij haar in huis woonde - direct de meer ingrijpende beslissingen ten aanzien van hem moeten nemen. De man heeft zich altijd afzijdig gehouden van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Hij heeft ook nauwelijks contact gehad met het onderwijsteam dat [minderjarige] begeleidde. De man kent en onderkent de situatie van [minderjarige] helemaal niet.

Met de man valt niet te communiceren, hetgeen zich manifesteert in het ongewisse verloop van de bezoekregeling tussen hem en [minderjarige] . Gelet op de fricties tussen partijen is het voor de vrouw volstrekt ondenkbaar dat de man als medementor ten behoeve van [minderjarige] wordt benoemd.

3.5.

De man voert - kort samengevat en aangevuld ter zitting - het volgende aan.

De man is wel degelijk altijd betrokken geweest bij [minderjarige] ; het is juist de vrouw die sinds 2011 het contact tussen hem en [minderjarige] heeft gefrustreerd. In het belang van [minderjarige] heeft de man op zeker moment afstand genomen, doch dit wil niet zeggen dat hij niet heel graag bij [minderjarige] betrokken is en blijft en heel graag contact met hem zou willen hebben.

In 2014 heeft de man in het kader van een mediationtraject een periode prima omgang met [minderjarige] gehad. De - moeizaam verlopen - mediation heeft uiteindelijk geleid tot een - door de vrouw niet ondertekende - vaststellingsovereenkomst, waarin vermeld is dat indien [minderjarige] geen omgang wenst, hij daartoe niet gedwongen zal worden. De man kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de vrouw deze zinsnede in de overeenkomst aangrijpt om de omgang tussen de man en [minderjarige] te blijven frustreren. Iedere vorm van omgang is sindsdien weer gestopt, noch is er enig ander contact mogelijk met [minderjarige] en ook tussen de man en de vrouw is er geen enkel overleg over (de opvoeding van) [minderjarige] mogelijk.

Ter terechtzitting heeft de man verklaard dat, indien het hof niet toekomt aan de benoeming van een derde persoon, hij het medementorschap gehandhaafd wenst te zien.

3.6.

Het hof overweegt het volgende.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:450 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, indien een meerderjarige als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen, te zijnen behoeve een mentorschap instellen.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:452 BW benoemt de rechter die het mentorschap instelt, daarbij of zo spoedig mogelijk daarna een mentor. Hij vergewist zich van de bereidheid en vormt zich een oordeel over de geschiktheid van de te benoemen persoon.
De rechter volgt bij de benoeming van de mentor de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten. Is er geen uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende of passeert de rechter die, dan wordt bij voorkeur de echtgenoot, de geregistreerd partner dan wel andere levensgezel als mentor benoemd. In het geval dat het voornoemde niet van toepassing is dan wordt bij voorkeur een van zijn ouder, kinderen, broers of zusters tot mentor benoemd.
Ingevolge lid 9 van voornoemd artikel kan de rechter twee mentoren benoemen, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten.

3.6.1.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op dezelfde gronden die het hof na eigen beoordeling overneemt en tot de zijne maakt, zowel de man als de vrouw tot mentor over [minderjarige] heeft benoemd. Het hof voegt daar het volgende aan toe.
heeft recht op een goed contact met zijn beide ouders. Gelet op de kwetsbare situatie waarin hij verkeert, is het aan partijen - die, als ouders, beiden de verantwoordelijkheid dragen voor het lichamelijk en geestelijk welzijn van [minderjarige] - daar op een verantwoorde wijze vorm aan te geven. Dit betekent voor de vrouw, als de ouder die de dagelijkse zorg en begeleiding heeft, dat zij het contact tussen [minderjarige] en de man stimuleert en positief belicht en voor de man - die ter zitting heeft erkend dat de vrouw altijd goed voor [minderjarige] heeft gezorgd - dat hij de aanwijzingen van de vrouw aangaande de verzorging en begeleiding van [minderjarige] ter harte neemt en zich betrouwbaar toont in het nakomen van afspraken. Het is aan partijen om, in het belang van [minderjarige] , respectvol met elkaar om te gaan en welwillend te staan tegenover elkaars rol en betrokkenheid.

3.7.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingslocatie Middelburg, van 27 november 2014, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H.J.M Mertens-Steeghs, C.D.M. Lamers en H.M.A.W. Erven en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2015.