Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:3910

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-10-2015
Datum publicatie
06-07-2017
Zaaknummer
F 200.157.518/01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:919
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

begeleide omgangsregeling

ECLI:NL:GHSHE:2016:919

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 1 oktober 2015

Zaaknummer: F 200.157.518/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/260898 / FA RK 13-1562_2

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. S.A.J.C. Koopman-van Lieshout,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. J.W. Weehuizen.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

vestiging: [vestiging] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 11 juli 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 10 oktober 2014, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en te bepalen dat er een al dan niet begeleide omgangsregeling wordt vastgesteld tussen [minderjarige] en – naar het hof begrijpt – de vader.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 november 2014, heeft de moeder verzocht de vader in zijn beroep niet ontvankelijk te verklaren, althans om dat beroep af te wijzen als ongegrond.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de processen-verbaal van de mondelinge behandelingen in eerste aanleg d.d. 11 juni 2013 en 6 mei 2014.

2.5.

De mondelinge behandeling van het hof heeft plaatsgevonden op 21 april 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. Koopman-van Lieshout;

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Weehuizen;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de raad] .

2.5.1.

Ter gelegenheid van die zitting heeft het hof partijen voorgehouden dat – zakelijk weergegeven – het hof een nader raadsonderzoek naar de mogelijkheden van [minderjarige] om contact te hebben met de vader noodzakelijk achtte, eventueel uit te breiden met een beschermingsonderzoek.

De voorzitting heeft daarop medegedeeld dat het hof de zaak pro forma aanhoudt tot 3 september 2015 ten behoeve van het door de raad te verrichten onderzoek.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich onder de stukken bevindt.

2.6.

Ter griffie van het hof is nadien ingekomen:

  • -

    het rapport van de raad d.d. 28 juli 2015;

  • -

    het V8-formulier met één bijlage van de advocaat van de moeder d.d. 31 juli 2015;

  • -

    het V8-formulier met één bijlage van de advocaat van de vader d.d. 24 augustus 2015.

2.7.

Bij brief d.d. 27 augustus 2015 heeft het hof partijen en de raad bericht dat het hof uitspraak zal doen op 1 oktober 2015.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

Uit de relatie van partijen is geboren [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] .

De vader heeft [minderjarige] erkend.

De moeder oefent van rechtswege het gezag over [minderjarige] uit.

[minderjarige] woont bij de moeder.

3.2.

Bij beschikking van 14 juni 2013 heeft de rechtbank Oost-Brabant – kort en zakelijk weergegeven – bepaald dat de vader gerechtigd is tot begeleide omgang met [minderjarige] in het omgangshuis te [vestigingsplaats] van Stichting Maashorst en de behandeling van de zaak pro forma aangehouden tot 14 februari 2014 met het verzoek aan Stichting Maashorst om een rapport over het verloop van de begeleide omgang over te legen en aan de advocaten van partijen om de rechtbank te berichten of een, en zo ja welke, omgangsregeling kan worden vastgelegd.

3.3.

Bij beschikking d.d. 26 september 2013 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, het verzoek van de vader om de moeder te gebieden haar medewerking te verlenen aan de begeleide omgang in het omgangshuis en om in de tussenliggende periode, waarin dit traject nog niet is gestart, haar medewerking te verlenen aan de begeleide omgang van BOR Humanitas, afgewezen.

Voorts heeft voorzieningenrechter de raad gelast een onderzoek te doen naar de mogelijkheden van een omgangsregeling en de resultaten van dit onderzoek in te brengen in die procedure.

3.4.

Bij beschikking van 21 november 2013 heeft dit hof voormelde beschikking d.d. 14 juni 2013 bekrachtigd.

3.5.

Bij de bestreden beschikking, heeft de rechtbank Oost-Brabant het verzoek van de vader tot vaststelling van een (begeleide) omgangsregeling afgewezen.

3.6.

De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

Voor de in hoger beroep aangevoerde grieven en weren verwijst het hof naar de inhoud van het beroepschrift respectievelijk het verweerschrift.

3.7.

De raad heeft geadviseerd een begeleide omgangsregeling vast te stellen tussen [minderjarige] en de vader en daarbij de omgang te laten begeleiden door het omgangshuis en in afwachting van dit traject het verzoek tot omgang aan te houden met een termijnstelling voor terugkoppeling van de bevindingen van het omgangshuis. Bij de terugkoppeling van de resultaten van het omgangshuis dienen tevens de op dat moment bekend zijnde bevindingen van de gezinsvoogd te worden teruggekoppeld, voor wat betreft het verloop van de relationele sfeer tussen partijen, als ouders zijnde, buiten het traject van het omgangshuis om.

De raad heeft gelijktijdig, met de indiening van dit advies aan het hof, de kinderrechter verzocht [minderjarige] onder toezicht te stellen van Stichting Jeugdzorg Noord-Brabant.

3.8.

De vader heeft bij brief d.d. 24 augustus 2015, overgelegd bij voormeld V8-formullier d.d. 24 augustus 2015, aangevoerd dat hij zich kan verenigen met het advies van de raad en dat hij hoopt dat zo spoedig mogelijk aangevangen wordt met de begeleide omgang bij het omgangshuis.

3.9.

De moeder heeft bij brief d.d. 3 augustus 2015, overgelegd bij voormeld V8-formullier d.d. 31 juli 2015, aangevoerd dat zij, om redenen die in die brief vermeld staan, veel moeite heeft met het advies van de raad en dat zij de ontwikkelingen zal aanzien.

3.10.

Het hof beslist als volgt.

3.10.1.

Het hof zal, conform het advies van de raad, waartegen partijen geen uitdrukkelijk, althans gegronde bezwaren hebben geuit, bepalen dat de vader en [minderjarige] voorlopig recht hebben om omgang met elkaar in het kader van een begeleide omgangsregeling. Het hof zal partijen daartoe wederom naar het omgangshuis te ’s-Hertogenbosch van Stichting Maashorst verwijzen.

Het hof merkt hierbij op dat in het kader van deze omgangsbegeleiding gelijktijdig dient te worden gewerkt aan verbetering van de communicatie tussen partijen en het contact(herstel) tussen de vader en [minderjarige] .

De vorm en de frequentie van het contact(herstel) tussen de vader en [minderjarige] zal in overleg met de medewerkers van Stichting Maashorst en partijen nader kunnen worden bepaald.

3.10.2.

Het hof verzoekt het omgangshuis het hof tijdig vóór na te melden pro forma datum schriftelijk te informeren over de resultaten van de begeleide contacten c.q. het verloop van het traject, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift van deze schriftelijke informatie aan de raad en de raadslieden van partijen, alsmede – indien [minderjarige] op dat moment onder toezicht staat – aan Stichting Jeugdzorg Noord-Brabant, waarna zij in de gelegenheid zullen worden gesteld hierop te reageren en het hof te informeren over het door partijen gewenste verdere verloop van de onderhavige procedure.

Voorts zal het hof na afloop van de pro forma termijn, de gezinsvoogd verzoeken het hof informatie te verschaffen over het verloop van de verhoudingen tussen partijen als ouders, buiten het traject van het omgangshuis om.

3.11.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de verdere behandeling van de zaak gedurende zes maanden aanhouden, derhalve tot 1 april 2016 teneinde de resultaten van de begeleide contacten bij Stichting Maashorst af te wachten.

4 De beslissing

Het hof:

bepaalt dat de vader en [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] , voorlopig gerechtigd zijn tot contact met elkaar middels het omgangshuis van Stichting Maashorst te [vestigingsplaats] , onder begeleiding van het omgangshuis, waarbij de verdere invulling zal geschieden door het omgangshuis na overleg met partijen;

verzoekt het omgangshuis het hof tijdig vóór na te melden pro forma datum schriftelijk te informeren over de resultaten van de begeleide contactregeling c.q. het verloop van het traject, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift van deze schriftelijke informatie aan de raad en de raadslieden van partijen en – indien [minderjarige] op dat moment onder toezicht staat – Stichting Jeugdzorg Noord-Brabant;

houdt iedere verdere beslissing aan tot 1 april 2016 pro forma;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H.J.M. Mertens-Steeghs, M.J. van Laarhoven en M.K. de Menthon Bake en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2015.