Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:3908

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-10-2015
Datum publicatie
26-10-2015
Zaaknummer
F 200.151.397/01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:582
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Curatele

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 1 oktober 215

Zaaknummer: F 200.151.397/01

Zaaknummer eerste aanleg: 2591374 CU VERZ 13-58

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. M.M. van Kralingen-Haanstra,

tegen

[geïntimeerde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

en

[geïntimeerde 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

[geïntimeerde 3] ,

wonende te [woonplaats] ,

[geïntimeerde 4] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweersters,

hierna tezamen te noemen verweersters, dan wel afzonderlijk te noemen de echtgenote en de dochter(s),

advocaat: mr. S. Smeets.

5 De beschikking d.d. 19 februari 2015

Bij die beschikking heeft het hof een deskundigenonderzoek gelast ter beantwoording van de in die beschikking onder rechtsoverweging 3.7.5. geformuleerde vragen.

6 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

6.1.

Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van:

- het rapport van het deskundigenonderzoek d.d. 22 mei 2015, overgelegd door

prof. dr. F.R.J. Verhey, zenuwarts;

- de brief d.d. 30 juli 2015 met één bijlage van de advocaat van verweersters;

- de V-formulieren d.dis 3 augustus 2015 en 7 augustus 2015, beiden voorzien van één bijlage, van de advocaat van [appellant] ;

- de V-formulieren d.dis 5 augustus 2015 en 31 augustus 2015, beiden voorzien van één bijlage, van de advocaat van verweersters.

6.2.

Partijen hebben beiden de hen geboden gelegenheid om te reageren op het deskundigenrapport benut, verweersters bij brief van 30 juli 2015 en [appellant] bij brief van 3 augustus 2015.

Het hof zal voorbij gaan aan de brief van 5 augustus 2015 van de advocaat van verweersters. Deze brief ziet naar het oordeel van het hof niet op een reactie op het deskundigenrapport en een “nieuwe” schriftelijke ronde wordt in dit stadium van de procedure niet meer toegestaan.

6.3.

Nu partijen niet om voortzetting van de zitting hebben verzocht en het hof daartoe ook geen aanleiding ziet, zal het hof de zaak op de stukken afdoen.

7 De verdere beoordeling

7.1.

[appellant] stelt dat hij ten onrechte onder curatele is gesteld. Verweersters achten de door de kantonrechter uitgesproken ondercuratelestelling evenwel noodzakelijk.

7.2.

Ingevolge artikel 1:378 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan een meerderjarige door de kantonrechter onder curatele worden gesteld, wanneer hij tijdelijk of duurzaam zijn belangen niet behoorlijk waarneemt of zijn veiligheid of die van anderen in gevaar brengt, als gevolg van:

  1. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel

  2. gewoonte van drank- of drugsmisbruik,

en een voldoende behartiging van die belangen niet met een meer passende en minder verstrekkende voorziening kan worden bewerkstelligd.

7.3.

Aan de orde is de vraag of de kantonrechter terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat er bij [appellant] sprake is van een geestelijke stoornis die een ondercuratelestelling rechtvaardigt. Nu het hof ten tijde van de mondelinge behandeling in hoger beroep over onvoldoende medische informatie beschikte om hierover te kunnen oordelen, heeft het hof een deskundigenonderzoek gelast. Uit het deskundigenrappport d.d. 22 mei 2015 blijkt dat [appellant] op 18 maart 2015 een uitgebreid neurologisch onderzoek heeft gehad door prof. dr. F.R.J. Verhey (zenuwarts) en dr. [psychiater i.o.] (psychiater i.o.). Daarna zijn op 1 april 2015 bij [appellant] een ergotherapeutisch onderzoek en een neuropsychologisch onderzoek afgenomen.

Het hof constateert dat de onderzoeksvragen, zoals die door het hof zijn geformuleerd in de tussenbeschikking van 19 februari 2015, hierin in voldoende mate worden beantwoord.

Kort samengevat en voor zover thans relevant in het kader van de beoordeling of voldaan is aan de maatstaf van artikel 1:378 lid 1 BW, blijken uit de antwoorden op de onderzoeksvragen dat [appellant] te kampen heeft met licht cognitieve beperkingen, waarvan de beperkte ernst van de beperkingen past binnen een licht cognitieve stoornis. Verder blijkt uit de rapportage dat er bij [appellant] vooralsnog niet duidelijk sprake is van een zodanige geestelijke of lichamelijke toestand dat hij niet in staat is zijn belangen zelf behoorlijk waar te nemen of dat hij zijn veiligheid of die van anderen in gevaar brengt. Van een waanstoornis, zoals eerder gediagnosticeerd, is niet duidelijk sprake. Tot slot volgt uit het deskundigenonderzoek dat er bij [appellant] geen lichamelijke beperkingen spelen, maar wel, zoals reeds gesteld, lichte cognitieve stoornissen. Er is evenwel geen sprake van een ernstige vorm van dementie en de geconstateerde stoornissen zijn niet van zodanig ernstige aard dat aangenomen kan worden dat [appellant] hierdoor handelingsonbekwaam is.

7.4.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat niet is voldaan aan de wettelijke gronden voor een ondercuratelestelling zoals vastgelegd in artikel 1:378 lid 1 sub a en b. zodat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd en het inleidende verzoek tot ondercuratelestelling alsnog dient te worden afgewezen.

7.5.

Nu het primaire verzoek van [appellant] , zoals geformuleerd in zijn aanvullend beroepschrift, ingekomen ter griffie op 23 december 2014, slaagt, behoeven de overige verzoeken geen bespreking meer.

8 De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking;

wijst het inleidende verzoek tot ondercuratelestelling van [appellant] alsnog af;

bepaalt dat deze uitspraak op de voet van artikel 1: 390 BW, binnen tien dagen nadat deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, dient te worden bekendgemaakt in de Staatscourant, en gelast de griffier daarvoor zorg te dragen;

bepaalt dat de griffier op de voet van artikel 1: 391 BW aan het openbare Centraal Curatele- en bewindregister een verzoek doet tot doorhaling van de inschrijving van de curatele op het tijdstip dat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.C. Bijleveld-van der Slikke, E.A.M. Scheij en E.L. Schaafsma-Beversluis en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2015.