Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:3903

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-10-2015
Datum publicatie
06-10-2015
Zaaknummer
HD 200.137.834_01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Regelmatig bestuurder. In het aanvraagformulier / vragenformulier ex artikel 7:928 lid 6 BW is niet in alle opzichten duidelijk tot wie de vraag zich richt.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 928
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2016/8
NTHR 2016, afl. 1, p. 41
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.137.834/01

arrest van 6 oktober 2015

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. M.M. van der Marel te Eindhoven,

tegen

Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als NN,

advocaat: mr. D. Knottenbelt te Rotterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 31 juli 2013 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 mei 2013, gewezen tussen [appellante] als eiseres en NN als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 252177/HA ZA 12-521)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    het tegen NN verleende verstek;

  • -

    de zuivering van het verstek;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

( i) [appellante] heeft op 22 januari 2010 (via haar assurantietussenpersoon) bij NN een aanvraag gedaan voor het afsluiten van een motorrijtuigenverzekering voor een Volkswagen Transporter.

(ii) Op het aanvraagformulier (prod. 1 inleidende dagvaarding) is [appellante] als aanvrager vermeld en haar dochter [dochter appellante] (hierna: [dochter appellante] ) als regelmatige bestuurder. Op dit door [appellante] ondertekende aanvraagformulier is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

Voorgeschiedenis

Bij deze vragen dienen feiten vermeld te worden over het schadeverloop van de aanvrager/het bedrijf van de aanvrager en/of andere personen van wie het belang wordt meeverzekerd op deze verzekering, die zijn voorgevallen in de laatste acht jaar (..)

Zijn er schaden veroorzaakt/geleden door gebeurtenissen Ja

waarvoor de gevraagde verzekering dekking biedt?

Aantal schaden? 1

(..)

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Is er door een verzekeraar enige vorm van verzekering Nee

geweigerd of opgezegd (..)?

Is er sprake geweest van een aanraking met politie/justitie Nee

ter zake (van verdenking) van het plegen van een misdrijf?

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Wordt de rijvaardigheid van u en/of de regelmatige Nee

bestuurder beïnvloed door een lichaamsgebrek, een ziekte

of het gebruik van medicijnen?

Is er sprake (geweest) van voorwaardelijke ontzeggingvan Nee

de rijbevoegdheid aan u of de regelmatige bestuurder?

Toelichting Auto wordt gebruikt voor gehandicap-

tenvervoer van aanvrager+echtgenoot,

dochter is regelmatige bestuurder,

schoonzoon rijdt incidenteel

(..)

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- (..)

Mededelingsplicht

Aanvrager is verplicht de vragen in deze aanvraag volledig en naar waarheid te beantwoorden voor zichzelf én voor iedere andere persoon wiens belangen worden meeverzekerd, over wat hij zelf weet én wat die andere persoon weet. Aanvrager is hiervoor zelf verantwoordelijk, ook al beantwoordt een ander die vragen namens hem.”

(iii) [appellante] en haar inmiddels overleden echtgenoot kampten met lichamelijke aandoeningen. De te verzekeren Volkswagen Transporter was geschikt voor gehandicaptenvervoer. [appellante] noch wijlen haar echtgenoot kon of mocht een auto besturen; daarom werd hun dochter [dochter appellante] opgevoerd als regelmatige bestuurder.

(iv) De verzekeringsovereenkomst tussen NN en [appellante] (als verzekeringnemer) is op 8 januari 2010 tot stand gekomen (prod. 3 inleidende dagvaarding).

( v) Op 2 of 3 oktober 2010 is de Volkswagen Transporter gestolen. [appellante] heeft de diefstal gemeld bij haar assurantietussenpersoon en aanspraak gemaakt op uitkering onder de verzekeringsovereenkomst.

(vi) NN heeft naar aanleiding van de claim een onderzoek naar de toedracht laten instellen. Uit dit onderzoek is gebleken dat in 2008 aan [dochter appellante] een inboedelverzekering is geweigerd. De weigering hield verband met een verzwijging door [dochter appellante] van het strafrechtelijke verleden van haar partner [partner appellante] . Dit strafrechtelijke verleden bestond onder meer hieruit dat [partner appellante] de auto van [appellante] had beschadigd.

(vii) NN heeft bij brief van 10 januari 2011 (prod. 7 inleidende dagvaarding) dekking onder de verzekeringsovereenkomst geweigerd en de overeenkomst met onmiddellijke ingang opgezegd.

3.2.

[appellante] heeft gevorderd NN te veroordelen tot betaling van de nader te bepalen waarden van de auto, althans een gedeelte daarvan, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 3 oktober 2010. Zij vordert tevens veroordeling van NN tot betaling aan [appellante] van een bedrag van € 454,- en € 360,- op grond van artikel 1.1. en 2.2.6 van de polisvoorwaarden en een bedrag van € 1.788,- (het hof leest gezien par. 44 van de inleidende dagvaarding € 1.158,-) aan buitengerechtelijke kosten.

3.3.

NN heeft gemotiveerd betwist dat de als gevolg van de autodiefstal geleden schade is gedekt onder de verzekeringsovereenkomst. NN stelt dat [appellante] haar mededelingsplicht ex artikel 7:928 BW heeft geschonden omdat in het aanvraagformulier niet is vermeld dat [dochter appellante] , de regelmatige bestuurder van de te verzekeren Volkswagen Transporter, eerder een verzekering is geweigerd wegens verzwijging. Indien [appellante] het aanvraagformulier wel naar waarheid had ingevuld, zou NN geen overeenkomst met [appellante] hebben gesloten, zodat NN op grond van artikel 7:930 lid 4 BW geen uitkering is verschuldigd, aldus NN.

3.4.

De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep de vorderingen van [appellante] afgewezen en haar veroordeeld in de proceskosten. Zij heeft daartoe overwogen dat [dochter appellante] als beoogd bestuurster van de auto een persoon is van wie belangen worden meeverzekerd en dat in het aanvraagformulier is vermeld dat [appellante] als aanvraagster de vragen op het formulier tevens moet beantwoorden voor andere personen wier belangen tevens worden meeverzekerd. Dit brengt mee dat daar waar op het formulier wordt gevraagd naar een weigering van enige vorm van verzekering, dit ook geldt voor de weigering van een verzekering aan [dochter appellante] . Nu vaststaat dat aan [dochter appellante] in 2008 een verzekering is geweigerd, leidt dit tot de conclusie dat het antwoord “neen” foutief is, aldus de rechtbank. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat NN, gezien het door haar gevoerde acceptatiebeleid, bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering met [appellante] zou hebben gesloten.

3.5.

[appellante] heeft in hoger beroep twee grieven aangevoerd, geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen.

3.6.

[appellante] heeft geen grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [dochter appellante] als beoogd (regelmatig) bestuurster van de auto een persoon is van wie belangen worden meeverzekerd, zodat dit oordeel in hoger beroep tot uitgangspunt strekt.

3.7.

In grief 2 stelt [appellante] dat in het aanvraagformulier de vragen door doorgetrokken strepen in drie onderdelen zijn verdeeld en dat alleen in de onderdelen 1 en 3 specifiek wordt gevraagd naar feiten en omstandigheden van andere personen van wie het belang wordt meeverzekerd, althans van de regelmatige bestuurder. [appellante] stelt dat zij, gezien de tekst en de opbouw van het formulier, niet heeft begrepen of behoorde te begrijpen dat ook het tweede onderdeel, waarin wordt gevraagd naar het verzekeringsverleden, betrekking had op andere personen van het wie het belang wordt meeverzekerd, althans op de regelmatige bestuurder.

3.8.

Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 7:928 lid 1 BW de verzekeringnemer vóór het sluiten van de verzekeringsovereenkomst aan de verzekeraar alle feiten moet meedelen die hij kent of behoort te kennen en waarvan, naar hij weet of behoort te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar of, en zo ja, op welke voorwaarden, deze de verzekering zal willen sluiten, afhangt of kan afhangen. Ingevolge artikel 7:928 lid 2 BW omvat de in lid 1 bedoelde mededelingsplicht van de verzekeringnemer ook hetgeen een hem bekende derde van wie de belangen bij het sluiten van de verzekering gedekt zijn, had moeten mededelen indien hij zelf verzekeringnemer was geweest.

3.9.

Indien de verzekering, zoals in het onderhavige geval, wordt gesloten op de grondslag van een door de verzekeraar gehanteerde vragenlijst (aanvraagformulier) ex artikel 7:928 lid 6 BW, geeft de verzekeraar te kennen dat hij alleen over de gevraagde feiten wil worden geïnformeerd en alleen die feiten voor hem van belang zijn. Daarbij gelden de volgende uitgangspunten: 1. de verzekeringnemer mag de op die vragenlijst voorkomende vragen opvatten overeenkomstig de zin die hij aan die vragen onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mag toekennen; 2. de verzekeraar kan zich niet erop beroepen dat feiten waarnaar niet was gevraagd, niet zijn medegedeeld, tenzij is gehandeld met het opzet de verzekeraar te misleiden; en 3. heeft de verzekeraar vóór het aangaan van de verzekering mededeling gevraagd van feiten die een ander dan de verzekeringnemer betreffen, dan is deze gehouden de desbetreffende vragen volledig en naar waarheid te beantwoorden; heeft de verzekeraar niet gevraagd naar feiten die een ander dan de verzekeringnemer betreffen, dan is de onder 2. vermelde regel van toepassing (vgl. HR 20 december 1996, NJ 1997, 638).

3.10.

Naar het oordeel van het hof is in het aanvraagformulier (op bladzijde 3) niet in alle opzichten duidelijk tot wie de vraag zich richt. Evenals [appellante] is het hof van oordeel dat door de redactie van het aanvraagformulier de vragen zijn verdeeld in drie onderdelen. De vragen met betrekking tot het schadeverleden (het eerste onderdeel) richten zich expliciet tot de aanvrager en/of andere personen van wie het belang wordt meeverzekerd; dit geldt ook voor de vragen met betrekking tot de rijvaardigheid en rijbevoegdheid (het derde onderdeel) die zich expliciet richten tot de aanvrager en de regelmatige bestuurder en kennelijk weer niet tot andere personen van wie de belangen onder de verzekering zijn gedekt. In de hier aan de orde zijnde vraag over het verzekeringsverleden (het tweede onderdeel) is in de vraagstelling in het geheel niet tot uitdrukking gebracht tot wie de vraag zich richt. De vraag luidt slechts: “Is door een verzekeraar enige vorm van verzekering geweigerd of opgezegd (..)?”

Die onduidelijkheid wordt naar het oordeel van het hof niet weggenomen of opgehelderd door het vermelde op bladzijde 4 van het aanvraagformulier (onder het kopje mededelingsplicht) dat “Aanvrager (..) verplicht (is) de vragen in deze aanvraag volledig en naar waarheid te beantwoorden voor zichzelf én voor iedere andere persoon wiens belangen worden meeverzekerd”. Hieruit blijkt immers niet dat de vraag over het verzekeringsverleden in het tweede onderdeel, anders dan de vragen in de onderdelen een en drie, zich mede richt tot de derde belanghebbende, althans tot de regelmatige bestuurder.

Naar het oordeel van het hof heeft de verzekeraar vóór het aangaan van de verzekering derhalve niet gericht een mededeling gevraagd van feiten die een ander dan de verzekeringnemer betreffen. Het hof is voorts van oordeel dat [appellante] als behoorlijk en zorgvuldig verzekeringnemer aan de hand van de vragen op het aanvraagformulier ook redelijkerwijs niet had moeten begrijpen dat de desbetreffende vraag zich mede richtte tot de regelmatige bestuurder. Dat [appellante] in dezen heeft gehandeld met het opzet de verzekeraar te misleiden, heeft NN niet gemotiveerd gesteld. De conclusie luidt dat NN zich niet erop kan beroepen dat [appellante] de vraag naar het verzekeringsverleden van de regelmatige bestuurder onjuist heeft beantwoord.

Aan de stelling van NN dat het “papieren” formulier dat [appellante] thuis heeft ingevuld qua lay-out en tekst mogelijk afweek van het onderhavige door [appellante] ondertekende aanvraagformulier, wordt als onvoldoende onderbouwd voorbijgegaan. Het hof merkt daarbij op dat de verzekeringsovereenkomst ook is gesloten op de grondslag van het door NN gehanteerde aanvraagformulier en dat NN zich erop beroept dat de vragen op laatstgenoemd formulier niet juist zijn beantwoord.

3.11.

De conclusie is dat grief 2 slaagt. Grief 1 waarin [appellante] opkomt tegen het oordeel van de rechtbank dat NN geen verzekering zou hebben gesloten met [appellante] indien zij van de ware stand van zaken op de hoogte zou zijn geweest, behoeft derhalve geen beoordeling. Het bewijsaanbod van NN wordt gepasseerd nu geen feiten te bewijzen aangeboden zijn die, indien bewezen, tot een ander oordeel leiden.

3.12.

De slotsom luidt dat NN jegens [appellante] gehouden is tot uitkering onder de verzekeringsovereenkomst over te gaan.

Het betreft hier allereerst de waarde van het motorrijtuig. [appellante] heeft ter zake van NN gevorderd vergoeding van de (nog nader te bepalen) waarde van de auto conform de polisvoorwaarden van NN. De Volkswagen Transporter, bouwjaar 2010, ten tijde van de diefstal nog geen 12 maanden oud, had een oorspronkelijke cataloguswaarde van € 34.500,-. Het hof begrijpt dat [appellante] laatstgenoemd bedrag vordert en dat ook NN dit zo heeft begrepen (par. 6.1. conclusie van antwoord). Ingevolge artikel 1.1 van de door NN overgelegde Voorwaarden Cascoverzekering Personenauto (hierna: de polisvoorwaarden) (prod. 2 conclusie van antwoord) geldt als maximum verzekerde som voor het motorrijtuig de som die is vermeld op het polisblad achter ‘Casco’, zijnde voormeld bedrag van € 34.500,-. Nu de schade (als gevolg van de diefstal) is ontstaan binnen 12 maanden na de datum van afgifte van het kentekenbewijs (4 januari 2010) (prod. 10 inleidende dagvaarding) zal het hof de waarde van de auto vaststellen op de maximum verzekerde som. Dit is ook in overeenstemming met het bepaalde in artikel 2.2 aanhef en onder a van de polisvoorwaarden. [appellante] heeft over de door NN te vergoeden waarde van de auto wettelijke rente gevorderd vanaf de dag van aangifte van de diefstal, zijnde 3 oktober 2010. NN heeft dit betwist en bij conclusie van antwoord gesteld dat zij de wettelijke rente eerst is verschuldigd vanaf het moment dat zij in verzuim was, zijnde 10 januari 2011 toen NN de schadeclaim afwees. Het had vervolgens op de weg van [appellante] gelegen om nader te onderbouwen dat de wettelijke rente reeds eerder, vanaf het door haar genoemde tijdstip, was verschuldigd. Nu zij zulks heeft nagelaten zal het hof de wettelijke rente over voormeld bedrag van € 34.500,- toewijzen vanaf 10 januari 2011.

NN heeft niet betwist dat op grond van artikel 1.1 van de polisvoorwaarden boven de verzekerde som tevens een bedrag van € 454,- is meeverzekerd ter zake de op of in het motorrijtuig bevestigde onderdelen die niet tot de standaarduitvoering behoren. Dit onderdeel van de vordering is derhalve toewijsbaar.

[appellante] heeft voorts uit hoofde van artikel 2.2.6 van de polisvoorwaarden een dagvergoeding gevorderd van € 360,-. [appellante] heeft de betreffende bladzijde van de polisvoorwaarden echter niet overgelegd. Het hof zal daarom het door NN genoemde bedrag van € 330,- toewijzen, zijnde de in artikel 2.4. van de polisvoorwaarden genoemde dagvergoeding.

3.13.

Ten aanzien van buitengerechtelijke kosten geldt dat zij op de voet van art. 6:96 lid 2 BW voor vergoeding in aanmerking komen, onder meer als het gaat om redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte, behoudens ingeval krachtens artikel 241 Rv de regels over proceskosten van toepassing zijn. [appellante] heeft ter zake gesteld dat door haar advocaat meerdere brieven zijn gestuurd teneinde betaling door NN te bewerkstelligen. NN heeft erkend dat, nadat zij de schadeclaim bij brief van 10 januari 2011 had afgewezen, er veelvuldig is gecorrespondeerd tussen de advocaat van [appellante] en NN (par. 2.12 conclusie van antwoord). De buitengerechtelijke kosten zullen derhalve worden toegewezen tot een bedrag van € 1.158,- (zijnde twee punten van het toepasselijke liquidatietarief III).

3.14.

De slotsom luidt dat het vonnis waarvan beroep dient te wordt vernietigd en dat de vorderingen van [appellante] worden toegewezen op de wijze zoals hiervoor en het in het dictum van dit arrest is vermeld.

NN zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in proceskosten van beide instanties.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep,

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt NN tot betaling aan [appellante] van een bedrag van € 36.442,- (€ 34.500,- + € 454,- + € 330,- + € 1.158,-), te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 34.500,- vanaf 10 januari 2011 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt NN in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [appellante] worden begroot op € 163,64 aan verschotten en op € 1.158,- aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 391,82 aan verschotten en op € 1.158,- aan salaris advocaat voor het hoger beroep, en voor wat betreft de nakosten op € 131,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden,

en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. S. Riemens, P.M. Arnoldus-Smit en J.J. Janssen,

en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 6 oktober 2015.

griffier rolraadsheer