Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:3901

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-10-2015
Datum publicatie
06-10-2015
Zaaknummer
HD 200 153 873_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:63
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort Geding;

vordering tot afgifte medisch dossier na overlijden;

geheimhouding hulpverlener;

concrete aanwijzingen voor zwaarwegend belang

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 457
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2015/312
GJ 2015/140
JBP 2015/138
GZR-Updates.nl 2016-0088 met annotatie van E. Pans
ERF-Updates.nl 2015-0334
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.153.873/01

arrest van 6 oktober 2015

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. drs. M.L. Daniëls te Rijen,

tegen

Stichting Volckaert,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als Volckaert,

advocaat: mr. A.G.W. Verstraten te Tilburg,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 13 januari 2015 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant onder zaaknummer C/02/282379 gewezen vonnis in kort geding van 8 juli 2014.

5 Het verloop van de procedure

5.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep van 25 juli 2014;

  • -

    het herstelexploot van 4 augustus 2014 (houdende herstel van vormgebrek met alsnog aanzegging van de juiste zittingsdatum);

  • -

    de akte van [appellante] van 7 oktober 2014;

  • -

    de memorie van grieven van 4 november 2014 met twee grieven en twee producties;

  • -

    het tussenarrest van 13 januari 2015.

  • -

    de memorie van antwoord van 24 februari 2015;

  • -

    de akte van [appellante] van 17 maart 2015 met drie producties;

  • -

    de antwoordakte van Volckaert van 14 april 2015.

5.2.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6 De beoordeling

6.1.

De voorzieningenrechter heeft in de bestreden beslissing een aantal feiten vastgesteld. Tegen die vaststelling is geen grief gericht. Het hof zal uitgaan van dezelfde feiten met een enkele aanvulling, die als volgt luiden:

a. [appellante] is de dochter van [de moeder] , geboren op [geboortedatum] 1933 (hierna: moeder).

b. Moeder had bij testament, verleden voor de notaris op 29 december 2004, ¾ deel van haar nalatenschap toebedeeld aan [appellante] en ¼ deel aan haar andere dochter, mevrouw [dochter 2] .

c. Bij testament, verleden voor de notaris op 23 november 2007, heeft moeder alle eerder door haar gemaakte uiterste wilsbeschikkingen herroepen en bepaald dat tot haar erfgenamen worden benoemd, de erfgenamen volgens de wet, voor de delen en op de wijze als door de wet bij erfopvolging bij versterf is bepaald.

d. Op 19 april 2010 is moeder onder behandeling gesteld en opgenomen op een gesloten afdeling in een verzorgingscentrum van Volckaert te [vestigingsplaats] , genaamd Woonzorgcentrum Buurstede.

e. Wegens de lichamelijke en geestelijke toestand van moeder heeft de kantonrechter van de rechtbank Breda, thans Zeeland-West-Brabant, op verzoek van [appellante] en mevrouw [dochter 2] bij beschikking van 7 december 2010 een bewind ingesteld over alle goederen die aan moeder toebehoren of aan haar zullen gaan toebehoren, waarbij mevrouw [bewindvoerder] is benoemd tot bewindvoerder. Bij voormelde beschikking heeft de kantonrechter tevens een mentorschap over moeder ingesteld, waarbij mevrouw [dochter 2] is benoemd tot mentor (hierna: de mentor).

f. Omdat [appellante] door de mentor niet op de hoogte werd gehouden van de lichamelijke en geestelijke toestand van moeder, heeft zij bij de kantonrechter van de rechtbank Breda, thans Zeeland-West-Brabant, een verzoek ingediend om alsnog een onafhankelijke (mede)mentor aan te stellen.

g. Bij beschikking van 10 februari 2012 heeft de kantonrechter het verzoek van [appellante] afgewezen, omdat [appellante] zowel schriftelijk als mondeling ter zitting heeft aangegeven dat zij geen reden heeft om te twijfelen aan het functioneren van de mentor. Met betrekking tot de informatievoorziening over moeder is in voormelde beschikking opgenomen dat de mentor het verplegend personeel van het tehuis toestemming zal geven om [appellante] rechtstreeks te informeren over haar gezondheid, indien [appellante] daarom verzoekt.

h. Enkele weken voor het overlijden van moeder heeft de mentor Volckaert verzocht om aan [appellante] geen inzage meer te verschaffen in de dossiers van moeder.

i. Op 16 juli 2013 is moeder overleden.

j. Bij brief van 24 januari 2014 heeft de advocaat van [appellante] Volckaert verzocht om het medisch en zorgdossier van moeder aan [appellante] ter beschikking te stellen.

k. Bij brief van 11 februari 2014 heeft Volckaert aan de advocaat van [appellante] medegedeeld dat zij het medisch en zorgdossier niet aan [appellante] ter beschikking zal stellen, omdat moeder hiervoor geen schriftelijke toestemming heeft verleend.

6.2.

[appellante] vordert in eerste aanleg en in hoger beroep dat de voorzieningenrechter/het hof bij uitspraak, uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

I. Volckaert gebiedt om binnen twee dagen na de dag waarop dit vonnis/arrest is uitgesproken, althans binnen twee dagen na betekening van dit vonnis/arrest, aan [appellante] een afschrift ter beschikking te stellen van het volledig voorhanden zijnde medisch en zorgdossier betreffende moeder, met bepaling dat Volckaert voor elke (gedeelte van een) dag dat zij in gebreke blijft aan dit vonnis/arrest te voldoen een dwangsom zal verbeuren van

€ 5.000,00, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen bedrag, voor iedere dag dat Volckaert in gebreke blijft;

subsidiair:

II. Volckaert gebiedt om binnen twee dagen na de dag waarop dit vonnis/arrest is uitgesproken, althans binnen twee dagen na betekening van dit vonnis/arrest, aan een door [appellante] aan te wijzen medisch deskundige een afschrift ter beschikking te stellen van het volledig voorhanden zijnde medisch en zorgdossier betreffende moeder, met bepaling dat Volckaert voor elke (gedeelte van een) dag dat zij in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen een dwangsom zal verbeuren van € 5.000,00, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen bedrag, voor iedere dag dat Volckaert in gebreke blijft;

primair en subsidiair:

III. Volckaert veroordeelt in de kosten van deze procedure.

6.3.

De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [appellante] afgewezen en daartoe het volgende overwogen:

“3.4. Ingevolge artikel 7:457 BW draagt de hulpverlener zorg dat aan anderen dan de patiënt geen inlichtingen over de patiënt dan wel inzage in of afschrift van de bescheiden worden verstrekt dan met toestemming van de patiënt. De wetgever heeft weliswaar geen regeling getroffen voor het verstrekken van inlichtingen na het overlijden van de patiënt, doch aangenomen wordt dat de geheimhoudingsplicht voor een hulpverlener in het algemeen ook geldt na de dood van de patiënt.

3.5.

Naar heersende rechtsopvatting bestaat een mogelijkheid voor doorbreking van de geheimhoudingsplicht in het geval van zwaarwegende belangen. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 20 april 2001 (ECLI:HR:2001:AB1210) geoordeeld dat inbreuk kan worden gemaakt op de geheimhoudingsplicht, indien er voldoende concrete aanwijzingen bestaan dat een ander zwaarwegend belang geschaad zou kunnen worden. Volgens dit arrest dient te worden voldaan aan de volgende voorwaarden: (i) er bestaan zwaarwegende aanwijzingen dat er sprake was van wilsonbekwaamheid ten tijde van het opmaken van het testament, (ii) het is aannemelijk dat de overledene bij leven toestemming zou hebben gegeven en/of (iii) deze wijze van gegevensopenbaring is de enige effectieve mogelijkheid om de gewenste opheldering te verschaffen.

3.6.

Voor wat betreft het bestaan van zwaarwegende aanwijzingen dat er sprake was van wilsonbekwaamheid ten tijde van het opmaken van het testament, stelt [appellante] in haar dagvaarding dat reeds enkele jaren voorafgaand aan het overlijden van moeder is gebleken dat de gesteldheid van moeder achteruit ging. Volgens [appellante] kon moeder ten tijde van het laten opstellen en passeren van haar uiterste wilsbeschikking op 23 november 2007 dan ook niet, althans onvoldoende, begrijpen wat zij deed en miste zij het vermogen om haar wil te bepalen en te verklaren. In 2010 was de gesteldheid van moeder, zo stelt [appellante] in haar dagvaarding, dusdanig verslechterd dat er ingegrepen moest worden. Zo is moeder op 19 april 2010 opgenomen in Wooncentrum Buurstede op een gesloten afdeling en heeft de kantonrechter bij beschikking van 7 december 2010 een mentor en een onafhankelijke bewindvoerder aangesteld, omdat moeder als gevolg van haar lichamelijke en geestelijke toestand niet meer in staat was zelf ten volle haar belangen van vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke aard behoorlijk waar te nemen. Verder stelt [appellante] desgevraagd ter zitting dat zij uit het dossier van moeder heeft vernomen dat moeder in 2006 vergeetachtig werd genoemd en dat er bij moeder in 2007 een geriatrische screening is afgenomen in verband met de financiële familiebelangen. Tenslotte stelt [appellante] dat de notaris ten tijde van het verlijden van een eerder door moeder in 2004 opgemaakt testament, aan moeder had gevraagd of haar geestelijke gesteldheid in orde was, waarna de notaris op 29 december 2004 dit testament heeft laten passeren.

3.7.

Gelet op de door [appellante] gevorderde voorziening en in het licht van voornoemde jurisprudentie van de Hoge Raad, overweegt de voorzieningenrechter dat het op de weg van [appellante] ligt om in voldoende mate aannemelijk te maken dat er zwaarwegende aanwijzingen bestaan dat moeder ten tijde van het opmaken van het testament, verleden voor de notaris op 23 november 2007, wilsonbekwaam was.

3.8.

De overigens niet onderbouwde stelling dat de gesteldheid van moeder enkele jaren voorafgaand aan haar overlijden achteruit ging is onvoldoende concreet om een zwaarwegende aanwijzing aannemelijk te maken. Niet duidelijk is welke aandoening is bedoeld met de achteruitgang van de gesteldheid van moeder terwijl voorts tussen de tijdstippen van het passeren van de uiterste wilsbeschikking van moeder op 23 november 2007 en haar overlijden op 16 juli 2013 meer dan enkele jaren zijn verlopen.

3.9.

Ook uit de stelling dat uit het dossier dat [appellante] heeft ingezien blijkt dat moeder in 2006 vergeetachtig was, volgt geen zwaarwegende aanwijzing. Enkel vergeetachtigheid vormt immers een onvoldoende aanwijzing om te kunnen concluderen dat sprake is van wilsonbekwaamheid.

3.10.

De omstandigheid dat er in 2007 een geriatrische screening bij moeder is afgenomen vormt naar het oordeel van de voorzieningenrechter evenmin een zwaarwegende aanwijzing. Vervolgens is niet eerder dan op 7 december 2010 door de kantonrechter bij beschikking een mentor en een onafhankelijke bewindvoerder aangesteld terwijl moeder eerst op 19 april 2010 opgenomen is in Woonzorgcentrum Buurstede en tot die datum zelfstandig heeft gewoond.

3.11.

Door [appellante] is ter zitting naar voren gebracht dat zij niet bekend is met de lichamelijke en geestelijke toestand van moeder ten tijde van het door moeder opgemaakte testament, verleden voor de notaris op 23 november 2007. Volgens [appellante] dienen de gegevens uit het medisch en zorgdossier van moeder hierover uitsluitsel te geven. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter lijkt [appellante] met deze stelling eraan voorbij te gaan dat zwaarwegende aanwijzingen van wilsonbekwaamheid een voorwaarde zijn voor het verkrijgen van het dossier.

3.12.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [appellante] onvoldoende feiten heeft gesteld om te kunnen concluderen dat er zwaarwegende aanwijzingen bestaan dat moeder ten tijde van het opmaken van het testament, verleden voor de notaris op 23 november 2007, wilsonbekwaam was. Nu zowel het primair gevorderde geformuleerd onder I als het subsidiair gevorderde geformuleerd II, reeds om deze reden dient te worden afgewezen, kunnen de overige in rechtsoverweging 3.5 genoemde voorwaarden onbesproken blijven.”

6.4.

[appellante] komt tegen deze overwegingen op met twee grieven. Met grief 1 voert zij aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het op de weg van [appellante] lag om in voldoende mate aannemelijk te maken dat er zwaarwegende aanwijzingen bestaan dat moeder ten tijde van het opmaken van het testament wilsonbekwaam was. Zij voert daartoe aan dat het wilsonbekwaam zijn voornamelijk een medische beoordeling is en dat zij op geen enkele andere wijze aan gegevens kan komen. Zowel de behandelend huisarts als het CAK (CIZ? hof), door welke instelling de indicatiestelling voor dagbehandeling en hulpverlening in de thuissituatie en de opname wordt afgegeven, hebben meegedeeld dat het medisch dossier na de opname is overgedragen aan Volckaert, aldus [appellante] .

Met grief 2 komt [appellante] op tegen de overweging van de voorzieningenrechter dat zij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zwaarwegende aanwijzingen bestaan dat moeder ten tijde van het opmaken van het testament wilsonbekwaam was. Daartoe voert [appellante] onder meer aan dat moeder op 19 april 2010 is opgenomen op een gesloten afdeling, dat dementie een langdurig traject is waarbij al jaren voorafgaand aan een opname op een gesloten afdeling sprake is van de ziekte en progressie daarvan. Voorts voert [appellante] aan dat enige jaren voor de opname al werd gesproken over vergeetachtigheid, dat sprake was van ambulante hulpverlening en dat moeder werd gehaald en gebracht voor dagbehandeling. Reeds jaren voor de opname heeft, aldus [appellante] , een geriatrische screening plaatsgevonden. Ook die gegevens bevinden zich in het behandeldossier bij Volckaert.

[appellante] stelt voorts belang te hebben bij inzage in het medisch en zorgdossier om te beoordelen of moeder op het moment van het opmaken van het testament op 23 november 2007 reeds wilsonbekwaam was en om informatie te krijgen over de aanwezigheid van erfelijke componenten/ziekten, zodat zij eventueel spoedig maatregelen kan nemen.

6.5.

Volckaert voert aan dat zij een geheimhoudingsplicht heeft, maar refereert zich aan het oordeel van het hof.

Spoedeisend belang

6.6.

De vraag of een eisende partij in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, dient beantwoord te worden aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. [appellante] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij, onder andere in verband met de inroeping van de nietigheid van het testament, een spoedeisend belang heeft bij haar vordering in kort geding.

Beoordelingsmaatstaf

6.7.

In kort geding dient beoordeeld te worden of het waarschijnlijk is dat de bodemrechter een vordering tot afgifte van het medisch en zorgdossier zal toewijzen.

Het hof stelt in dat kader het volgende voorop. De geheimhoudingsplicht (neergelegd in art 7:457 BW), waaraan ook Volckaert gebonden is, geldt onverkort na de dood van de patiënt. Niettemin komt aan nabestaanden een recht op inzage toe, indien er concrete aanwijzingen bestaan dat een ander zwaarwegend belang geschaad zou kunnen worden (zie HR 20 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1201). De partij die afgifte of inzage vordert dient derhalve het bestaan van dergelijke concrete aanwijzingen aannemelijk te maken.

Grief 1, die zich in de kern richt tegen de overweging van de voorzieningenrechter dat [appellante] dergelijke concrete aanwijzingen aannemelijk moet maken, faalt derhalve.

Concrete aanwijzingen wilsonbekwaamheid moeder?

6.8.

Vervolgens moet beoordeeld worden of er voldoende concrete aanwijzingen zijn voor de stelling dat de moeder van [appellante] wilsonbekwaam was ten tijde van het verlijden van het testament op 23 november 2007. Dat moeder op 19 april 2010 (bijna tweeëneenhalf jaar later) is opgenomen op de gesloten afdeling van Volckaert acht het hof, mede gelet op het tijdsverloop, voorshands geen concrete aanwijzing voor de stelling dat zij op 23 november 2007 niet in staat was haar wil te bepalen. Hetzelfde geldt voor de algemene stellingen van [appellante] dat haar moeder ook voor de opname naar dagbehandeling werd gebracht en gehaald, dat sprake was van ambulante behandeling en dat er jaren voor de opname is gesproken over vergeetachtigheid van moeder en een eerder geriatrisch onderzoek zou hebben plaatsgevonden. Daarbij betrekt het hof dat vergeetachtigheid geenszins op een lijn te stellen is met (een vermoeden van) wilsonbekwaamheid en dat het enkele feit dat een geriatrisch onderzoek heeft plaatsgevonden, zonder nadere toelichting, evenmin een concrete aanwijzing van wilsonbekwaamheid vormt.

Nu al deze omstandigheden, ook in onderling verband bezien, onvoldoende concrete aanwijzingen vormen voor de stelling dat haar moeder op 23 november 2007 wilsonbekwaam was, wordt de vordering van [appellante] , voor zover gegrond op dit belang (het aanvechten van de rechtsgeldigheid van het testament), afgewezen.

Concrete aanwijzingen voor een ander zwaarwegend belang

6.9.

[appellante] heeft voorts aangevoerd dat zij geïnformeerd wil worden over de aanwezigheid van erfelijke componenten/ziekten, zodat zij eventueel spoedig maatregelen kan nemen.

Dat sprake is van concrete aanwijzingen voor dergelijke erfelijke componenten/ziekten heeft [appellante] voorshands onvoldoende onderbouwd. Honorering van deze stelling zou in feite betekenen dat altijd afgifte van het medisch dossier zou moeten plaatsvinden, indien een zoon of dochter deze algemene stelling betrekt. Dat is in strijd met de belangen die met geheimhouding zijn gediend. Van [appellante] mag gevergd worden dat zij nader toelicht welke concrete aanwijzingen er zijn op grond waarvan zij vreest dat sprake is van erfelijke componenten/ziekten, waartegen zij spoedig maatregelen dient te nemen.

[appellante] heeft ook aangevoerd dat zij inzage in het medisch en zorgdossier wenst om daarmee na te gaan of haar moeder steeds de juiste zorg heeft gehad. [appellante] stelt grote emotionele problemen te hebben met de situatie over het ziektebeeld van haar moeder en de wijze hoe met haar is omgegaan. Dit is echter, mede gelet op de belangen die met geheimhouding van een medisch dossier zijn gediend, niet te beschouwen als een zwaarwegend belang.

6.10.

Het vorenstaande leidt ertoe dat het hof het vonnis van de voorzieningenrechter zal bekrachtigen. Het hof zal [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten aan de zijde van Volckaert. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen als na te melden.

De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het tussen partijen op 8 juli 2014 gewezen vonnis;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van Volckaert worden begroot op € 704,-- aan verschotten en op € 894,-- aan salaris advocaat, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden, R.J.M. Cremers en P.P.M. Rousseau en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 6 oktober 2015.

griffier rolraadsheer