Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:3889

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-10-2015
Datum publicatie
19-10-2015
Zaaknummer
14/00919
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:5287, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijzondere compensatieregeling, artikel 27, paragraaf 2 en 3 Verdrag België. Belanghebbende woont in Nederland. Hij werkte voorheen uitsluitend in België, waardoor hij, op grond van Verordening 1408/71, sociaal verzekerd was in België. In het onderhavige jaar is hij een deel van zijn werkzaamheden ook in Nederland gaan verrichten, waardoor hij o.g.v. de Verordening uitsluitend verzekerd werd in Nederland. De hoogte van de bijzondere compensatie wordt als volgt berekend. Eerst berekent men het bedrag dat de belastingplichtige onder het nieuwe verdrag met België uit 2001 (uiteindelijk, na toepassing van heffingskortingen en toepassing van de verdragsregels) verschuldigd is aan belasting en sociale premies in Nederland en België (bedrag N); vervolgens berekent men het bedrag dat de belastingplichtige aan belasting en sociale premies verschuldigd zou zijn geweest als de grensarbeidersregeling van het oude verdrag nog zou gelden (bedrag O). Als bedrag N hoger is dan bedrag O, wordt het verschil onder de naam bijzondere compensatie als in Nederland verrekenbare loonheffing aangemerkt. In het onderhavige geval is N lager dan O. Belanghebbende elimineert in zijn berekening ten onrechte het in Nederland verschuldigde bedrag aan premies. Kennelijk vergelijkt hij – ten onrechte – zijn huidige situatie (werken deels in Nederland en deels in België) met zijn voormalige situatie (werken uitsluitend in België). De grensarbeidersregeling regelde echter niet de verzekeringsplicht.

(hoger beroep ongegrond)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/2262
Belastingadvies 2015/23.8
V-N 2016/3.11 met annotatie van Redactie
FutD 2015-2717
NTFR 2015/3084 met annotatie van Mr. S.R. Pancham
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 14/00919

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 1 augustus 2014, nummer AWB 14/20 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2010 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 108.367 (aanslagnummer [aanslagnummer] ).

1.2.

Belanghebbende heeft tegen deze aanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij uitspraak van 25 november 2013 het bezwaar afgewezen en de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar op regelmatige wijze beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 1 augustus 2014, procedurenummer AWB 14/20, het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 122. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De zitting heeft plaatsgehad op 21 augustus 2015 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, namens de Inspecteur, [A] en [B] .

1.6.

Belanghebbende noch zijn gemachtigde is verschenen. De griffier heeft verklaard dat zij belanghebbende bij op 17 juni 2015, met nummer [nummer] , aangetekend naar het door belanghebbende zelf opgegeven adres verzonden uitnodiging, waarvan een afschrift tot de stukken behoort, heeft kennis gegeven van datum, plaats en tijdstip van de zitting. Tot de stukken van het geding behoort een kopie van het op de onderhavige uitnodiging betrekking hebbende gedeelte van de lijst van aangetekende verzendbewijzen en een schermprint van de op dat verzendbewijs betrekking hebbende statusinformatie. Hieruit volgt dat de uitnodiging op 18 juni 2015 op het door belanghebbende opgegeven adres is afgeleverd.

1.7.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende woont in Nederland. Hij werkte voorafgaande aan het onderhavige jaar (2010) uitsluitend in België in loondienst. Op grond van EU Verordening 1408/71 (hierna: de Verordening) was hij daarom (uitsluitend) in België sociaal verzekerd. Het heffingsrecht over zijn salaris was op grond van artikel 15, lid 1, van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, met Protocollen; Luxemburg, 5 juni 2001 (hierna: het Verdrag), toegewezen aan België.

2.2.

Tot het jaar 2010 was belanghebbende dus zowel inkomstenbelasting als premies sociale verzekeringen verschuldigd in België.

2.3.

In het jaar 2010 veranderde de situatie. Belanghebbende ging toen (overigens voor dezelfde werkgever) een deel van zijn werkzaamheden in Nederland verrichten. Op grond van de Verordening was hij daardoor niet langer in België onderworpen aan de sociale zekerheid, maar (uitsluitend) in Nederland. Voor de inkomstenbelasting gold, kort gezegd, dat het gedeelte van het salaris dat toerekenbaar was aan de in Nederland verrichte werkzaamheden (€ 33.590), in Nederland belastbaar was, terwijl België heffingsbevoegdheid had over het deel van het salaris dat toerekenbaar was aan de in België verrichtte werkzaamheden (€ 97.931).

2.4.

Het Verdrag trad in werking op 1 januari 2003. Vóór die tijd gold het op 19 oktober 1970 gesloten belastingverdrag met België (hierna: het oude verdrag). Op grond van de zogenoemde grensarbeidersregeling die gold onder het oude verdrag, werden looninkomsten van belastingplichtigen die woonden in Nederland in de grensstreek en werkten in België, (uitsluitend) in Nederland belast met inkomstenbelasting. Belanghebbende kwalificeerde onder het oude verdrag als grensarbeider voor de grensarbeidersregeling.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft de hoogte van de bijzondere compensatieregeling als bedoeld in artikel 27 van het Verdrag. Belanghebbende bepleit een bedrag van € 5.974, de Inspecteur bepleit een bedrag van nihil.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. De Inspecteur heeft ter zitting geen nieuwe argumenten aangevoerd.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar en verlaging van de aanslag met een bedrag aan bijzondere compensatie ter grootte van € 5.974. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

De relevante bepalingen in het Verdrag luiden als volgt.

“Artikel 27

Compensatieregeling voor Nederlandse grensarbeiders

1. (…)

2. Ten aanzien van natuurlijke personen die inwoner zijn van Nederland en die beloningen verkrijgen die voor het tijdstip waarop de bepalingen van dit Verdrag van toepassing zijn, ingevolge de bepalingen van paragraaf 3, subparagraaf 1, van artikel 15 van de op 19 oktober 1970 te Brussel getekende Overeenkomst tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van het Koninkrijk der Nederlanden tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen naar het inkomen en naar het vermogen en tot het vaststellen van enige andere regelen verband houdende met de belastingheffing, met Protocol, ter heffing aan Nederland waren toegewezen en die ingevolge de bepalingen van artikel 15 van dit Verdrag ter heffing aan België zijn toegewezen, zal Nederland een netto inkomensachteruitgang die zij als gevolg van die wijziging in de toedeling van heffingsrechten lijden, compenseren tot het moment waarop die netto inkomensachteruitgang nihil bedraagt of tot het moment waarop zij niet langer zodanige beloningen uit dezelfde dienstbetrekking verkrijgen. Deze compensatie wordt gerealiseerd door, voor zover nodig, in België verschuldigde belasting en bijdragen en premies sociale zekerheid, voor zover deze vergelijkbaar zijn met premies die worden geheven ingevolge de Wet financiering volksverzekeringen, aan te merken als ingehouden Nederlandse loonbelasting en te verrekenen met de in Nederland verschuldigde belasting en premie als is bedoeld in de Wet financiering volksverzekeringen.

3. Voor de toepassing van paragraaf 2 wordt onder netto inkomensachteruitgang verstaan het jaarlijks vast te stellen verschil tussen de som van de Nederlandse en Belgische belasting alsmede premie als is bedoeld in de Wet financiering volksverzekeringen dan wel daarmee vergelijkbare bijdragen en premies ingevolge de Belgische sociale zekerheid die de in die paragraaf bedoelde natuurlijke persoon met toepassing van de bepalingen van dit Verdrag uiteindelijk verschuldigd is over zijn inkomen, en de som van de hiervoor bedoelde Nederlandse en Belgische belasting en premie als is bedoeld in de Wet financiering volksverzekeringen dan wel daarmee vergelijkbare bijdragen en premies ingevolge de Belgische sociale zekerheid die hij daarover verschuldigd zou zijn geweest indien met betrekking tot de in die paragraaf bedoelde beloningen van die natuurlijke persoon de bepalingen van paragraaf 3, subparagraaf 1, van artikel 15 van de op 19 oktober 1970 te Brussel getekende Overeenkomst tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van het Koninkrijk der Nederlanden tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen naar het inkomen en naar het vermogen en tot het vaststellen van enige andere regelen verband houdende met de belastingheffing, met Protocol, van toepassing zouden zijn geweest.”

4.2.

Paragraaf 2 introduceert de bijzondere compensatieregeling en omschrijft haar doel: Nederland zal (…) een netto inkomensachteruitgang die (grensarbeiders) als gevolg van (de) wijziging in de toedeling van heffingsrechten lijden, compenseren. De bedoelde “wijziging in de toedeling van heffingsrechten” betreft specifiek de wijziging die het gevolg is van het vervallen van de onder het oude verdrag geldende grensarbeidersregeling (zie hierboven, overweging 2.4).

4.3.

Paragraaf 3 geeft regels voor het berekenen van de hoogte van de compensatie. Deze regels komen hier op neer. Men berekent eerst het bedrag dat de belastingplichtige onder het (nieuwe) Verdrag (uiteindelijk, na toepassing van heffingskortingen en toepassing van de verdragsregels) verschuldigd is aan belasting en sociale premies in Nederland en België; dit bedrag duidt het Hof aan als bedrag N (het Nieuwe bedrag). Vervolgens berekent men het bedrag dat de belastingplichtige aan belasting en sociale premies verschuldigd zou zijn geweest als de grensarbeidersregeling van het oude verdrag nog zou gelden (bedrag O; het Oude bedrag). Als bedrag N hoger is dan bedrag O, wordt het verschil onder de naam bijzondere compensatie als in Nederland verrekenbare loonheffing aangemerkt en vermindert dat bijgevolg het bedrag aan (per saldo) verschuldigde Nederlandse inkomstenbelasting.

4.4.

Het verschil tussen N en O moet, aldus paragraaf 3, jaarlijks opnieuw worden vastgesteld.

4.5.

Bedrag N laat zich voor het onderhavige jaar als volgt berekenen. De door belanghebbende in Nederland verschuldigde inkomstenbelasting bedroeg € 39.151. De door belanghebbende in België verschuldigde inkomstenbelasting (personenbelasting genaamd) bedroeg € 34.343. In België waren geen sociale premies verschuldigd, omdat belanghebbende (uitsluitend) in Nederland verzekerd was. Voor de in Nederland verschuldigde inkomstenbelasting geldt het volgende. Belanghebbende was als inwoner van Nederland ook belastingplichtig voor zijn in België verdiende salaris, maar daarvoor verleende Nederland voorkoming van dubbele belasting ter grootte van € 35.382. De heffingskorting in Nederland bedroeg € 3.420. De in Nederland verschuldigde sociale premies bedroegen € 10.197. Bedrag N is dus (€ 39.151 +€ 10.197 + € 34.343 -/- € 35.382 -/- € 3.420 + € 1 afrondingsverschil =) € 44.890.

4.6.

Bedrag O laat zich voor het onderhavige jaar als volgt berekenen. Indien de grensarbeidersregeling nog van toepassing zou zijn geweest, dan had Nederland aan inkomstenbelasting een bedrag kunnen heffen van € 39.151, verminderd met de heffingskorting van € 3.420. Wat de volksverzekeringen betreft, is er geen verschil tussen de oude en de nieuwe situatie. In een situatie als de onderhavige – waarin belanghebbende als inwoner van Nederland deels in Nederland en deels in België werkzaamheden in loondienst verricht – zou belanghebbende namelijk ook als de grensarbeidersregeling nog van toepassing zou zijn (uitsluitend) in Nederland sociaal verzekerd zijn. De verzekeringsplicht vloei immers rechtstreeks voort uit de Verordening en staat los van de grensarbeidersregeling. De in Nederland verschuldigde premies zouden ook in dat geval € 10.197 hebben bedragen. Bedrag O is derhalve (€ 39.151 -/- € 3.420 + € 10.197 =) € 45.928.

4.7.

Belanghebbende elimineert dus ten onrechte het bedrag aan premies van € 10.197 uit bedrag O. Kennelijk vergelijkt hij – ten onrechte – zijn huidige situatie (werken deels in Nederland en deels in België) met zijn voormalige situatie (werken uitsluitend in België).

4.8.

Nu bedrag N lager uitvalt dan bedrag O, heeft belanghebbende geen recht op toepassing van de bijzondere compensatieregeling. Voor zover hij een achteruitgang in zijn netto-inkomen ervaart, wordt die niet veroorzaakt door het vervallen van de grensarbeidersregeling.

Slotsom

4.9.

De slotsom is dat het Hof zich op alle punten aansluit bij de Rechtbank, zodat het hoger beroep ongegrond is en de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.10.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.11.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 1 oktober 2015 door W.E.M. van Nispen tot Sevenaer, voorzitter, V.M. van Daalen-Mannaerts en G.J. van Muijen, in tegenwoordigheid van M.M. Dondorp-Loopstra, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.