Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:3888

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-10-2015
Datum publicatie
19-10-2015
Zaaknummer
13/01160
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan belanghebbende is een aanslag leges opgelegd naar aanleiding van zijn aanvraag om een omgevingsvergunning. De Heffingsambtenaar heeft ter zitting verklaard dat het normblad NEN 2631, evenals de ROEB-lijst, niet zijn gepubliceerd, noch elektronisch noch in krant, en dat ze ook niet ter inzage zijn gelegd. Het normblad NEN 2631, evenals de ROEB-lijst, zijn derhalve niet op de in artikel 139, lid 3, van de Gemeentewet voorgeschreven wijze bekendgemaakt. De gemeentelijke regeling op grond waarvan de bouwkosten kunnen worden geraamd met toepassing van normblad NEN 2631 dan wel de ROEB-lijst is derhalve onverbindend. Het Hof vernietigt de aanslag.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 139
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/2260
Belastingblad 2015/475 met annotatie van M.R.P. de Bruin
V-N 2015/65.24.8
FutD 2015-2629
NTFR 2015/2922 met annotatie van Mr. M.P. van der Burg
Onder redactie van Tina van der Linden-Smith, met medewerking van Kea Kroeks-de Raaij annotatie in UDH:IR/12821
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 13/01160

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 9 oktober 2013, nummer AWB 13/674 in het geding tussen

belanghebbende,

en

het hoofd van de afdeling financiën van de gemeente Cranendonck,

hierna: de Heffingsambtenaar,

betreffende de hierna te vermelden aanslag leges.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is met dagtekening 28 november 2012 onder nummer [nummer 1] een aanslag “Leges reguliere Bouwvergunning 2e fase [nummer 2] ” opgelegd ten bedrage van € 3.559,52.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar van 8 januari 2013 heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard en de aanslag verminderd tot een bedrag van € 3.390,45.

1.3.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 44. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 118. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 13 augustus 2015 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar is toen verschenen en gehoord namens de Heffingsambtenaar, de heer [A] . Belanghebbende is niet verschenen. De griffier heeft verklaard dat zij belanghebbende bij op 1 juni 2015, met nummer [aantekenlijstnummer] , aangetekend naar het door belanghebbende zelf opgegeven adres verzonden uitnodiging, waarvan een afschrift tot de stukken behoort, heeft kennis gegeven van datum, plaats en tijdstip van de zitting.

Tot de stukken van het geding behoort een kopie van het op de onderhavige uitnodiging betrekking hebbende gedeelte van de lijst van aangetekende verzendbewijzen en een schermprint van de op dat verzendbewijs betrekking hebbende statusinformatie.

Hieruit volgt dat de uitnodiging op 2 juni 2015 op het door belanghebbende opgegeven adres is afgeleverd.

1.6.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.7.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende heeft een aanvraag om een omgevingsvergunning, tweede fase, ingediend voor het oprichten van een vleesvarkensstal en het veranderen van een vleesvarkensstal op het perceel gelegen aan [a-straat] 19/a te [woonplaats] .

2.2.

De Raad van de gemeente Cranendonck (hierna: de Raad) heeft op 8 november 2011 de “Verordening op de heffing en de invordering van leges 2012” (hierna: de Legesverordening) vastgesteld. In de Legesverordening is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam “leges” worden rechten geheven voor:

a. het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten;

b. (…);

een en ander zoals genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel. (…)

Artikel 5 Maatstaven van heffing en tarieven

1. De leges worden geheven naar de maatstaven en tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.”.

2.3.

De Raad heeft eveneens op 8 november 2011 de “Tarieventabel leges, behorende bij de Legesverordening 2012” (hierna: de Tarieventabel) vastgesteld. In de Tarieventabel is onder meer het volgende bepaald:

“2.1.1 Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder: (…)

2.1.1.2 bouwkosten:

de aannemingssom exclusief omzetbelasting, als bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, van de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken 1989 (UAV 1989), voor het uit te voeren werk, of voor zover deze ontbreekt een raming van de bouwkosten, exclusief omzetbelasting, bedoeld in het normblad NEN 2631, uitgave 1979, of zoals dit normblad laatstelijk is vervangen of gewijzigd. Indien het bouwen geheel of gedeeltelijk door zelfwerkzaamheid geschiedt wordt in deze titel onder bouwkosten verstaan:

de prijs die aan een derde in het economische verkeer zou moeten worden betaald voor het tot stand brengen van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; (…)

2.3.1

Bouwactiviteiten

2.3.1.1 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, bedraagt het tarief:

(…)

2.3.1.1.1 indien de bouwkosten minder dan € 10.000 bedragen: € 306,-

2.3.1.1.2 indien de bouwkosten € 10.000 tot € 100.000 bedragen: € 306

vermeerderd met 3,06%

van de bouwkosten boven € 10.000,-;

2.3.1.1.3 indien de bouwkosten € 100.000 tot € 250.000 bedragen: € 3.060,-

vermeerderd met: 2,50%

van de bouwkosten boven € 100.000

2.3.1.1.4. indien de bouwkosten € 250.000 tot € 500.000 bedragen: € 6.810,-

vermeerderd met: 2,29%

van de bouwkosten boven € 250.000,-; (…)

2.3.13

Omgevingsvergunning in twee fasen

Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning op verzoek in twee fasen plaatsvindt, als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, van de Wabo, bedraagt het tarief:

2.3.13.1 (…)

2.3.13.2 voor het in behandeling nemen van de aanvraag voor een beschikking met betrekking tot de tweede fase: 50% van het in onderdeel 2.3.1 berekende tarief”.

In “Weekblad De Grenskoerier” van 16 november 2011 is bekend gemaakt dat de Raad de Legesverordening en de bijbehorende Tarieventabel heeft vastgesteld.

2.4.

De Raad heeft ook op 8 november 2011 “De eerste wijziging van de tarieventabel behorende bij de Verordening op de heffing en de invordering van leges 2012” vastgesteld.

2.5.

Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Cranendonck heeft op 7 december 2011 de “Lijst met eenheidsprijzen welke is opgesteld door het ROEB” (hierna: de ROEB-lijst) vastgesteld. In de ROEB-lijst is onder meer het volgende bepaald:

“Overzicht bouwkosten ten behoeve van berekeningen voor de bouwleges-toets

(…)

2012

De vermelde prijzen gelden per eenheid zoals vermeld

excl. BTW

(euro)

excl. BTW

(euro)

eenheid

(…)

8.

VARKENSSTAL

8.1

(…)

8.2

Stal voor vleesvarkens (traditioneel metselwerk)

380,00

452,20

per m2

8.3

(…)

* Voor systeembouw zoals beton en staalwanden ligt de prijs per m2 € 60,00 (excl. BTW) lager

(…)

12.

OVERIGE ARGRARISCHE BEDRIJFSGEBOUWEN

12.1

(…)

12.2

(…)

12.3

Opslagloods (beton gevels)

115,00

136,85

per m2

12.4

Prefab werktuigen/opslagloods (stalen gevels)

95,00

113,05

per m2

(…)”.

2.6.

De aannemingssom als bedoeld in artikel 2.1.1.2 van de Tarieventabel voor het oprichten van een vleesvarkensstal en het veranderen van een vleesvarkensstal is niet voorhanden.

2.7.

Bij het opleggen van de aanslag leges eerste fase is de Heffingsambtenaar aanvankelijk uitgegaan van een bedrag aan bouwkosten van € 263.495. Bij uitspraak op bezwaar van 13 januari 2011 heeft de Heffingsambtenaar de bouwkosten verminderd tot een bedrag van € 248.835, omdat bij het opleggen van de aanslag geen rekening was gehouden met de prefabwanden van de opslagloods. Belanghebbende heeft geen beroep ingesteld tegen deze uitspraak op bezwaar.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de Heffingsambtenaar de bouwkosten tot een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Heffingsambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag, tot een berekend naar een bedrag aan bouwkosten van € 200.000. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Vooraf en ambtshalve

4.1.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 1 december 1993, nr. 27341, ECLI:NL:HR:1993:ZC5524, Belastingblad 1994/277, het volgende overwogen:

“Het behoort tot de taak van de rechter in belastingzaken, die immers zelfstandig vaststelt welke rechtsregels in het gegeven geval toepasselijk zijn, zich ervan te vergewissen of een aan de belastingplichtige opgelegde heffing ten tijde van de vaststelling daarvan, berustte op een wettelijke regeling ten aanzien waarvan is voldaan aan de formele vereisten die door de wet voor de verbindendheid van die regeling worden gesteld. Voor de verbindendheid van een wettelijke regeling kan vereist zijn dat de regeling op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Voor gemeentelijke belastingverordeningen zal het vereiste van bekendmaking gelden met ingang van de inwerkingtreding van de nieuwe Gemeentewet.”.

Het Hof dient derhalve ambtshalve te toetsen of de Legesverordening, de daarbij behorende Tarieventabel en bijlagen op de voorgeschreven wijze zijn bekendgemaakt.

4.2.

Het Hof constateert dat de Legesverordening en de daarbij behorende Tarieventabel op de wettelijk voorgeschreven wijze zijn bekendgemaakt (zie 2.3).

4.3.

Ten aanzien van de bekendmaking van het normblad NEN 2631, evenals de ROEB-lijst, heeft het volgende te gelden.

4.4.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 19 juni 2015, nr. 14/00520, ECLI:NL:HR:2015:1669, V-N 2015/32.9 en Belastingblad 2015/328, ten aanzien van de bekendmaking van het normblad NEN 2631 het volgende overwogen:

“2.4.3. De artikelen 139 en 217 van de Gemeentewet stellen eisen aan de kenbaarheid van de maatstaven waarnaar gemeentebelastingen worden geheven. In een geval waarin de gemeentelijke regelgeving in het kader van de omschrijving van de heffingsmaatstaf verwijst naar NEN‑normen, is aan voormelde eisen, mede naar hun strekking, voldaan indien de gemeente die normen bekendmaakt door terinzagelegging op de wijze die in artikel 139, lid 3, van de Gemeentewet is voorzien voor bijlagen, en desgevraagd papieren afschriften van die normen verstrekt tegen betaling van bedragen die niet hoger zijn dan de tarieven die de gemeente hanteert voor het verstrekken van papieren afschriften van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden. (…)”.

4.5.

In artikel 139, leden 1 en 3, van de Gemeentewet, tekst met ingang van 1 januari 2014, is het volgende bepaald:

“1. Besluiten van het gemeentebestuur die algemeen verbindende voorschriften inhouden, verbinden niet dan wanneer zij zijn bekendgemaakt in het gemeenteblad.

2. (…).

3. In afwijking van het eerste lid kan een besluit als bedoeld in dat lid bepalen dat een bij het besluit behorende bijlage wordt bekendgemaakt door terinzagelegging.”.

4.6.

De Heffingsambtenaar heeft ter zitting verklaard dat het normblad NEN 2631, evenals de ROEB-lijst, niet zijn gepubliceerd, noch elektronisch noch in krant, en dat zij ook niet ter inzage zijn gelegd. Het normblad NEN 2631, evenals de ROEB-lijst, zijn derhalve niet op de in artikel 139, lid 3, van de Gemeentewet voorgeschreven wijze bekendgemaakt.

4.7.

De bepaling van artikel 139, lid 3, van de Gemeentewet is echter eerst met ingang van 1 januari 2014 ingevoerd. Ten tijde van de vaststelling van de Legesverordening en de Tarieventabel en ten tijde van de vaststelling van de aanslag luidde artikel 139 van de Gemeentewet (tekst van 23 februari 2011 tot 1 januari 2014), voor zover hier relevant, als volgt:

“1. Besluiten van het gemeentebestuur die algemeen verbindende voorschriften inhouden, verbinden niet dan wanneer zij zijn bekendgemaakt.

2. De bekendmaking geschiedt:

a. door plaatsing in het op een algemeen toegankelijke wijze uit te geven gemeenteblad;

b. bij gebreke van een gemeenteblad, door terinzagelegging voor de tijd van twaalf weken op het gemeentehuis of op een andere door het college te bepalen plaats en door het doen van mededeling daarvan in een plaatselijk verschijnend dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad. (…)”.

4.8.

De in 4.7 geciteerde tekst van artikel 139 van de Gemeentewet bevatte in dat tijdvak niet expliciet een bepaling omtrent de bekendmaking van bij een besluit behorende bijlagen.

4.9.

De wijziging van artikel 139 van de Gemeentewet per 1 januari 2014 is in de wetsgeschiedenis als volgt toegelicht:

“Als de Staatscourant elektronisch gepubliceerd wordt, is het niet langer noodzakelijk om algemeen verbindende voorschriften in een bijlage op te nemen. Tot op heden kent de Staatscourant twee soorten bijlagen: supplementen en bijvoegsels. Sommige zeer omvangrijke regelingen kunnen nu worden opgenomen in een supplement bij de Staatscourant. Bepaalde vaste categorieën van documenten worden als bijvoegsel opgenomen, zoals de adviezen van de Raad van State bij amvb’s en adviezen van de Raad van State en nadere rapporten bij niet ingediende wetsvoorstellen. Bij elektronische publicatie op internet zullen voornoemde stukken in de elektronische Staatscourant zelf kunnen worden opgenomen (…). Stukken die om technische redenen ook niet via internet bekendgemaakt kunnen worden, zullen op grond van de uitzonderingsmogelijkheid van artikel 5, eerste lid, kunnen worden bekendgemaakt door terinzagelegging. Die mogelijkheid bestaat overigens op dit moment ook al en wordt over het algemeen gebruikt voor bepaalde bijlagen bij regelingen zoals maquettes of afbeeldingen die te groot zouden zijn voor publicatie in de Staatscourant (bijvoorbeeld bepaalde plattegronden of modelformulieren) In de toekomst zullen sommige van deze bijlagen wel in de elektronische Staatscourant kunnen worden opgenomen. Voor andere stukken zal de mogelijkheid van bekendmaking door terinzagelegging moeten blijven bestaan, omdat het ook een stuk kan betreffen, dat niet in een elektronisch bestand weer te geven is of alleen in een dermate groot bestand, dat het niet geschikt is voor plaatsing op internet. Aangezien dergelijke beperkingen zich op dezelfde wijze kunnen manifesteren bij de elektronische bekendmaking in het Staatsblad, wordt de uitzonderingsmogelijkheid van artikel 5, eerste lid uitgebreid naar wetten en amvb’s.

(…)

Deze wijzigingen zetten de bevoegdheid van medeoverheden tot elektronische bekendmaking met ingang van een nog te bepalen tijdstip om in een verplichting. Gemeenteblad, provinciaal blad, waterschapsblad en het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie worden na inwerkingtreding van deze bepalingen elektronisch uitgegeven. Zie voorts de toelichting op de artikelen II, III, IV en V.”.

Kamerstukken II 2006-2007, 31 084, nr. 3, Memorie van Toelichting, p. 23 en 28.

4.10.

Gelet op de in 4.9 aangehaalde wetsgeschiedenis is de achtergrond van de wijziging van artikel 139 van de Gemeentewet gelegen in het voorzien in de mogelijkheid en later de plicht van elektronische bekendmaking van algemeen verbindende voorschriften en andere besluiten van algemene strekking, afkomstig van decentrale overheden. De bepaling omtrent de bekendmaking van bij een besluit behorende bijlagen is uitsluitend in de wet opgenomen om (i) stukken die om technische redenen niet via internet bekendgemaakt kunnen worden, (ii) stukken die niet in een elektronisch bestand zijn weer te geven of (iii) stukken die niet geschikt zijn voor plaatsing op internet, uit te zonderen van de elektronische publicatieplicht. Het Hof is van oordeel dat met ingang van 1 januari 2014 niet is beoogd de bekendmaking van bij een besluit behorende bijlagen als zodanig te wijzigen. Derhalve is het Hof van oordeel dat de bekendmaking van bij een besluit behorende bijlagen met ingang van 1 januari 2014 als zodanig niet is gewijzigd ten opzichte van de wettekst zoals die gold tussen 23 februari 2011 en 1 januari 2014.

4.11.

Gelet op hetgeen hiervóór is overwogen, is het normblad NEN 2631, evenals de ROEB-lijst, niet op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt. Het voorwerp van de belasting is derhalve, voor zover het de toepassing van normblad NEN 2631 en de ROEB-lijst, betreft, niet overeenkomstig artikel 217 van de Gemeentewet in de Legesverordening vermeld. De gemeentelijke regeling op grond waarvan de bouwkosten kunnen worden geraamd met toepassing van normblad NEN 2631 dan wel de ROEB-lijst is derhalve onverbindend.

4.12.

Niet in geschil is dat de aannemingssom niet voorhanden is. Voorts kunnen, zoals het Hof in 4.11 heeft geoordeeld, de bouwkosten niet worden geraamd met toepassing van normblad NEN 2631 noch de ROEB-lijst. Derhalve is het Hof van oordeel dat de aanslag dient te worden vernietigd.

Ten aanzien van het geschil

4.13.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, behoeft de geschilvraag geen beantwoording meer.

Slotsom

4.14.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd. Doende wat de Rechtbank had behoren te doen, zal het Hof het beroep gegrond verklaren en de uitspraak van de Heffingsambtenaar alsmede de aanslag vernietigen.

Ten aanzien van het griffierecht

4.15.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 44 respectievelijk € 118 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.16.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Heffingsambtenaar;

  • -

    vernietigt de aanslag; en

  • -

    gelast dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 162 vergoedt;

Aldus gedaan op 1 oktober 2015 door W.E.M. van Nispen tot Sevenaer, voorzitter, P.A.G.M. Cools en A.O. Lubbers, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

De uitspraak is ondertekend door de griffier, alsmede door P.A.G.M. Cools, aangezien de voorzitter is verhinderd deze te ondertekenen.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.