Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:3860

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-10-2015
Datum publicatie
01-10-2015
Zaaknummer
20-004369-12
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:2479, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Volgt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-004369-12

Uitspraak : 1 oktober 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 17 december 2012 in de strafzaak met parketnummer

01-009605-12 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [woonplaats] op [geboortedag] 1985,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van – kort gezegd – oplichting, meermalen gepleegd (feit 1) en diefstal door middel van valse sleutels (feit 2) veroordeeld tot een werkstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren met bijzondere voorwaarden. Voorts heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 21.029,48, te vermeerderen met de wettelijke rente en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. Tot slot heeft de politierechter een schadevergoedingsmaatregel opgelegd ter hoogte van € 28.307,38, subsidiair 176 dagen hechtenis.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen tot een bedrag van € 21.029,48 en de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen tot een bedrag van € 28.307,38, subsidiair 176 dagen hechtenis.

De verdediging heeft bepleit dat het hof verdachte zal vrijspreken van het onder 1 ten laste gelegde. Voorts heeft de verdediging bepleit dat het hof het onder 2 ten laste gelegde bewezen kan verklaren tot een bedrag van € 4.500,-- en verdachte voor het meerdere zal vrijspreken.

Ten aanzien van de eventueel op te leggen straf heeft de verdediging het hof verzocht, afhankelijk van hetgeen het hof bewezen verklaard, aansluiting te zoeken bij de straf die is opgelegd door de politierechter. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de verdediging bepleit dat het hof de benadeelde partij met betrekking tot de schadeposten betrekking hebbend op de afgesloten kredieten niet-ontvankelijk zal verklaren indien het hof komt tot de bepleitte vrijspraak van feit 1, en anders aansluiting zal zoeken bij de beslissing van de politierechter.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 4 maart 2010 en/of 5 maart 2010 te Veghel (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [bank 1] en/of [bank 2] heeft bewogen tot de afgifte van (een) krediet(en) en/of lening(en), in elk geval van enig goed, hebbende verdachte (telkens) met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid zich voorgedaan als zijnde [slachtoffer] en/of (vervolgens) op haar naam (een) krediet(en)/lening(en) afgesloten en/of aangevraagd, waardoor [bank 1] en/of [bank 2] (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2.
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 april 2009 tot en met 1 juli 2009 te Veghel met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer geldbedrag(en) (waarde circa 7080 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkwamen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Onder 1 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij – kort en zakelijk weergegeven – zich op of omstreeks 4 maart 2010 en/of 5 maart 2010 schuldig heeft gemaakt aan oplichting. Uit het dossier komt evenwel onomstotelijk naar voren dat de in de tenlastelegging genoemde kredieten waar deze verdenking op ziet, zijn afgesloten op respectievelijk 4 maart 2009 en 5 maart 2009 (zie hiervoor onder meer pagina’s 54 en 56 van het dossier).

Het hof zal verdachte dientengevolge bij gebrek aan wettig bewijs vrijspreken van het onder 1 ten laste gelegde. De ten laste gelegde pleegdata zijn zo specifiek dat het hof de grondslag van de tenlastelegging zou verlaten door als pleegdata bewezen te verklaren dat de feiten zijn gepleegd omstreeks de ten laste gelegde pleegdata. Evenmin kan het hof tot een bewezen verklaring komen door aan te nemen dat sprake is van een kennelijke verschrijving. Indien al sprake is van een verschrijving dan is deze niet kennelijk.

Nu het hof verdachte van het onder 1 ten laste gelegde zal vrijspreken, behoeft hetgeen door de verdediging ter zake overigens is aangevoerd, geen nadere bespreking.

Bewijs

De verdediging heeft bepleit dat het hof verdachte zal vrijspreken van het ten laste gelegde geldbedrag voor zover het ten laste gelegde bedrag het door hem bekende bedrag van

€ 4.500,-- overstijgt. Ter onderbouwing hiervan heeft de raadsvrouwe aangevoerd dat voor dit deel van het geldbedrag enkel de verklaring van [slachtoffer] voorhanden is en hieruit onvoldoende blijkt dat verdachte degene is geweest die dat geld heeft opgenomen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Op grond van het verhandelde ter terechtzitting is voor het hof het navolgende komen vast te staan.1

Verdachte heeft op 2 maart 2011 ten overstaan van de politie – zakelijk weergegeven – verklaard dat hij in Veghel bij de [bank 3] zonder [slachtoffer] medeweten, althans zonder haar toestemming, een aantal keer bedragen heeft opgenomen met haar creditcard.2

Aangeefster [slachtoffer] heeft op 6 januari 2012 ten overstaan van de politie – zakelijk weergegeven – verklaard dat verdachte inderdaad meerdere keren zonder haar medeweten geldopnames met haar creditcard heeft gedaan.3

Blijkens het proces-verbaal ter terechtzitting van de politierechter van 17 december 2012

is aangeefster op die terechtzitting als getuige gehoord. Bij deze gelegenheid heeft zij

– zakelijk weergegeven – verklaard dat zij na het doen van aangifte nader onderzoek heeft verricht naar de creditcardopnames. Zij kwam er toen achter dat het een bedrag van

€ 7.500,-- betrof.4

Bij het schadeopgaveformulier misdrijven dat [slachtoffer] als benadeelde partij in deze zaak heeft ingevuld, zijn als bijlagen een drietal rekeningoverzichten [bank 3] gevoegd.

Uit deze overzichten blijkt dat de volgende bankopnames met de creditcard hebben plaatsgevonden:

 24-04-2009 24-04-2009 [bank 3] 750,00

 24-04-2009 28-04-2009 [bank 3] 750,00

 24-04-2009 28-05-2009 [bank 3] 750,00

 24-04-2009 29-05-2009 [bank 3] 750,00

 24-04-2009 30-05-2009 [bank 3] 750,00

 24-04-2009 31-05-2009 [bank 4] 230,00

 24-04-2009 28-06-2009 [bank 4] 750,00

 24-04-2009 29-06-2009 [bank 3] 750,00

 24-04-2009 30-06-2009 [bank 3] 750,00

 24-04-2009 01-07-2009 [bank 3] 50,00

Het hof komt op basis van deze bankopnames tot een totaal bedrag van € 6.280,--.

Dit totaalbedrag betreft een lager bedrag dan het bedrag dat aangeefster heeft genoemd. Dit verschil is te verklaren door het feit dat het hof, gelet op de ten laste gelegde pleegplaats Veghel, de opnames met de creditcard gedaan in Scheveningen (€ 800,--) niet kan meenemen in de bewezenverklaring. Hetzelfde geldt voor de in rekening gebrachte kosten (€ 54,--), nu deze geldbedragen niet door verdachte wederrechtelijk zijn toegeëigend. Tot slot heeft het hof evenmin de “PAYPAL” bedragen (€ 143,--) meegenomen, omdat aangeefster ten overstaan van de politie heeft verklaard dat verdachte met haar creditcard alleen heeft gepind.

Nu het door het hof vastgestelde geldbedrag valt binnen het bedrag dat verdachte volgens aangeefster zich wederrechtelijk heeft toegeëigend en bij gebrek aan contra-indicaties, is voor het hof voldoende komen vast te staan dat verdachte degene is geweest die deze creditcardopnames heeft gedaan.

Gelet op vorenstaande bewijsmiddelen – in onderlinge samenhang en verband bezien – is voor het hof genoegzaam komen vast te staan dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hieronder bewezen is verklaard.

Het hof verwerpt het verweer.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

2.
hij op tijdstippen in de periode van 24 april 2009 tot en met 1 juli 2009 te Veghel met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geldbedragen (waarde 6.280 euro) toebehorende aan [slachtoffer] , waarbij verdachte de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Het hof heeft daarbij gelet op:

 de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

 de omstandigheid dat verdachte blijkens het hem betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie van 28 juli 2015 voorafgaand aan het bewezen verklaarde reeds meerdere malen, namelijk in 2003, 2005 en 2006 onherroepelijk is veroordeeld ter zake van verduistering en oplichting;

 de omstandigheid dat verdachte ernstig misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat het slachtoffer in hem stelde;

 het leed en de overlast dat het bewezen verklaarde handelen van verdachte bij het slachtoffer teweeg heeft gebracht.

Ofschoon het hof komt tot een bewezenverklaring van minder dan waarvan in de vordering van de advocaat-generaal is uitgegaan, kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met de oplegging van een lagere of gelijke straf die is gevorderd door de advocaat-generaal, omdat hierin naar ’s hofs oordeel onvoldoende de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking komt.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf wil het hof enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking brengen en anderzijds de strafoplegging dienstbaar maken aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 28.307,38. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 21.029,48. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering, zodat de vordering in volle omvang aan het oordeel van het hof is onderworpen.

De vordering bestaat een de navolgende posten:

  1. Kredietcontracten ad € 20.779,48;

  2. Opnames bij [bank 3] ad € 7.277,90;

  3. Immateriële schade ad € 250,00.

Nu aan verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade van de schadepost “kredietcontracten veroorzaakt zou zijn, geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan de benadeelde partij ten aanzien van die schadepost niet in haar vordering worden ontvangen.

Voorts is voor het hof komen vast te staan dat aan de benadeelde partij bij vonnis van de rechtbank Almelo van 12 september 2012 de schadepost “Opnames bij [bank 3] ” reeds aan de benadeelde partij is toegekend. Met de eerste rechter en de advocaat-generaal is het hof derhalve van oordeel dat de benadeelde partij ook ten aanzien van die schadepost niet in haar vordering kan worden ontvangen. Wel zal het hof, gelijk aan de eerste rechter en de vordering van de advocaat-generaal, de schadevergoedingsmaatregel ten aanzien van deze schadepost opleggen.

Tot slot is uit het onderzoek ter terechtzitting het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtsstreek immateriële schade heeft geleden, zodat de schadepost “immateriële schade” toewijsbaar is.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het hof ziet aanleiding om ter zake van de schadeposten “Opnames bij [bank 3] ” en “Immateriële schade” de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 24 april 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 7.527,90 (zevenduizend vijfhonderdzevenentwintig euro en negentig cent) bestaande uit € 7.277,90 (zevenduizend tweehonderdzevenenzeventig euro en negentig cent) materiële schade en € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 72 (tweeënzeventig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 24 april 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. K.J. van Dijk, voorzitter,

mr. R.R. Everaars-Katerberg en mr. A.R. Hartmann, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. Tatters, griffier,

en op 1 oktober 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. R.R. Everaars-Katerberg is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 In de hierna volgende bewijsmiddelen wordt – tenzij anders vermeld – verwezen naar het proces-verbaal van Politieregio Brabant-Noord, district Maas en Leijgraaf, registratienummer PL21ZO 2011021841, gesloten op 3 maart 2011, bestaande uit in wettige vorm opgemaakte processen-verbaal en/of geschriften en doorgenummerd van pagina 1 tot en met 87, hierna te noemen politiedossier.

2 Zie pagina 66 van het politiedossier.

3 Zie pagina 74 van het politiedossier.

4 Zie het proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg van 17 maart 2012, pagina 5.