Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:3789

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-09-2015
Datum publicatie
30-09-2015
Zaaknummer
HD 200.152.910_01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Verstek
Inhoudsindicatie

Hoger beroep niet-ontvankelijk want de vordering waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen beloopt, met inbegrip van de daarover tot aan de dag van de inleidende dagvaarding verschenen rente, aanzienlijk minder dan de in artikel 332 lid 1 Rv genoemde appelgrens van € 1.750,--.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 332
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.152.910/01

arrest van 29 september 2015

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. Z. Yeral te Roosendaal,

tegen

[International Travel] International Travel B.V.,

handelend onder de naam [Vliegvakanties] Vliegvakanties,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. E.G.M. van den Heuvel te Breda,

op het bij exploot van dagvaarding van 9 juli 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, van 9 april 2014, gewezen tussen [appellant] als opposant en [geïntimeerde] als geopposeerde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 2609801 CV EXPL 13-10566)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. Dat vonnis is gewezen in een verzetprocedure. Aan die procedure is een verstekprocedure vooraf gegaan waarin de kantonrechter van de rechtbank Breda, zittingsplaats Tilburg, onder zaaknummer 660521 CV EXPL 11-4080 vonnis heeft gewezen op 18 mei 2011.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord met een productie.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.1. Het beroepen vonnis is gewezen in een verzetprocedure. In de aan die verzetprocedure voorafgaande verstekprocedure vorderde [geïntimeerde] veroordeling van [appellant] tot betaling van:

 een hoofdsom van € 863,50, vermeerderd met de contractuele rente van 12% per jaar over dat bedrag vanaf de dag van de inleidende dagvaarding, zijnde 18 april 2011, tot aan de dag van de voldoening;

 € 77,50 aan over de hoofdsom vervallen rente over de periode tot 12 april 2011;

 € 150,-- aan buitengerechtelijke incassokosten.

3.1.2. In het verstekvonnis van 18 mei 2011 heeft de kantonrechter, kort gezegd, de vordering toegewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld.

3.1.3. [appellant] heeft verzet ingesteld, waarna de partijen in eerste aanleg de verzetprocedure hebben gevoerd.

3.1.4. In het verzetvonnis van 9 april 2014 heeft de kantonrechter het verstekvonnis vernietigd en, opnieuw rechtdoende:

 [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde] een hoofdsom van € 863,50 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 23 september 2010;

 [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde] ter zake buitengerechtelijke incassokosten € 129,53 te betalen;

 [appellant] in de proceskosten veroordeeld;

 het meer of anders gevorderde afgewezen.

3.2.1. [appellant] heeft in hoger beroep een grief aangevoerd tegen het vonnis van 9 april 2014 en geconcludeerd tot vernietiging van dat vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] .

3.2.2. [geïntimeerde] heeft in haar memorie van antwoord allereerst aangevoerd dat het [appellant] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het hoger beroep, omdat de waarde van de door [geïntimeerde] ingestelde vordering onder het in artikel 332 lid 1 Rv genoemde bedrag van € 1.750,-- ligt.

3.2.3. Artikel 332 lid 1 Rv luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

“Partijen kunnen van een in eerste aanleg gewezen vonnis in hoger beroep komen, tenzij de vordering waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen niet meer beloopt dan € 1750 (…). Voor de toepassing van de eerste zin wordt de tot aan de dag van dagvaarding in eerste aanleg verschenen rente bij de vordering inbegrepen.”

In het onderhavige geval beloopt de vordering waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen, met inbegrip van de daarover tot aan de dag van de inleidende dagvaarding verschenen rente, aanzienlijk minder dan € 1.750,--. Dat brengt mee dat tegen het vonnis van 9 april 2014 geen hoger beroep open stond. Het hof zal [appellant] daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

4 De uitspraak

Het hof:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, van 9 april 2014;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, en begroot die kosten aan de zijde van [geïntimeerde] op 704,-- aan vast recht en op € 632,-- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, M.G.W.M. Stienissen en O.G.H. Milar en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 29 september 2015.

griffier rolraadsheer