Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:3776

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-09-2015
Datum publicatie
05-10-2015
Zaaknummer
HD 200.145.202_01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kopers van nieuwbouwhuis krijgen door wijziging van gemeentelijke plannen geen stukje openbaar groen maar een parkeerplaats voor hun deur. Vordering van kopers tegen de projectontwikkelaar afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.145.202/01

arrest van 29 september 2015

in de zaak van

1 [appellant],
wonende te [woonplaats],

2. [appellante],
wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna aan te duiden als [appellant] en [appellante],

advocaat: mr. N. van Kuppeveld te Nijmegen,

tegen

Brabanthuis B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als Brabanthuis,

advocaat: mr. C.M. van der Corput te Veldhoven,

op het bij exploot van dagvaarding van 14 februari 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, locatie Eindhoven, van 21 november 2013, gewezen tussen [appellant] en [appellante] als eisers en Brabanthuis als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 901344/CV EXPL 13-6331)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met 17 producties (nrs. 1 tot en met 17);

  • -

    de depotakte van 24 juni 2014, waaruit blijkt dat de advocaat van [appellant] en [appellante] een cd-rom heeft gedeponeerd ter griffie van het hof;

  • -

    de memorie van antwoord met zes producties (A tot en met F];

  • -

    de akte van [appellant] en [appellante] met 10 producties (nrs. 17 tot en met 26);

  • -

    de antwoordakte van Brabanthuis.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. Brabanthuis heeft onder punt 2 van haar memorie van antwoord onder meer melding gemaakt van “de aantekeningen van de griffier van de comparitie van partijen van 26 september 2013”. Voor de goede orde stelt het hof vast dat dergelijke aantekeningen zich niet in het aan het hof overgelegde procesdossier van het geding in eerste aanleg bevinden. Uit het vonnis blijkt ook niet dat die aantekeningen aan de partijen zijn verstrekt.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. [appellant] en [appellante] hebben op 9 april 2010 met Brabanthuis een koop-/aannemingsovereenkomst gesloten ter zake de koop van een in de gemeente [woonplaats] gelegen perceel grond met een daarop te realiseren nieuwbouwwoning. Het perceel is ter plaatse kadastraal bekend als [sectieletter] nummer [sectienummer] en in de koopovereenkomst benoemd met het bouwnummer 603. Aan de woning is het adres [adres] toegekend.

  2. Bovenaan blz. 15 van de koop-/aannemingsovereenkomst staat, voor zover thans van belang, het volgende:

“De verkrijger verklaart een afschrift te hebben ontvangen van de navolgende documenten welke een onverbrekelijk geheel vormen met deze overeenkomst:

(…)

5. Technische omschrijving d.d. 10-03-2010

6. Tekening VK-B1 d.d. 10-03-2010 (alleen voor bouwnummers 601 t/m 609)”

De woning met het bouwnummer 603 betreft een woning in een rij. Op tekening VK-B1 (waarvan een uitsnede als productie 2 bij de memorie van grieven is overgelegd) eindigt een schuin liggend voetpad voor de woning met bouwnummer 604 die, bezien vanuit de straat, links naast de woning van [appellant] en [appellante] is gelegen. Verder is op de tekening het laatste parkeervak ingetekend voor de woning met bouwnummer 605, welke woning, bezien vanuit de straat, links naast de woning met bouwnummer 604 is gelegen. Op de tekening is voor de woning met bouwnummer 603 een klein schuin aflopend gemeenteplantsoen weergegeven.

Het perceel is bij notariële akte van 7 juni 2010 aan [appellant] en [appellante] geleverd. Op bladzijde 5 van de akte is sprake van een erfdienstbaarheid van voetpad “met betrekking tot de op de aan deze akte gehechte situatietekening als voetpad aangegeven strook grond, (…)”. De aan de akte gehechte situatietekening bevond zich ook in de verkoopbrochure. Ook op die tekening werd de situatie weergegeven zoals hiervoor onder c) beschreven.

Om de bouw mogelijk te maken, is voor het betreffende gebied in 2009 een vrijstellingsprocedure ex artikel 19 WRO doorlopen. Op 6 februari 2012 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan vastgesteld en aangeboden aan het college van Gedeputeerde Staten.

Op 13 maart 2012 heeft Brabanthuis de woning van [appellant] en [appellante] aan hen opgeleverd.

Na de realisatie van de woningen, heeft de gemeente de infrastructuur, waaronder het schuin liggende voetpad en de parkeervakken, aangelegd. Daarbij zijn het einde van het schuin liggende voetpad en het laatste parkeervak voor de woning van [appellant] en [appellante] aangelegd. Als gevolg van deze wijziging heeft de gemeente vier parkeerplaatsen meer gerealiseerd dan op onder meer tekening VK-B1 was aangegeven.

Bij brief van hun toenmalig advocaat van 20 juni 2012 hebben [appellant] en [appellante] Brabanthuis aansprakelijk gesteld voor de omstandigheid dat voor hun woning geen grasstrook maar een voetpad en een parkeerplaats zijn gerealiseerd.

[appellant] en [appellante] hebben als productie 16 bij de memorie van grieven een kopie overgelegd van een (deel van) een e-mailbericht van [verkoopmakelaar], die als verkopend makelaar is opgetreden bij de totstandkoming van de koop-/aannemingsovereenkomst, aan [appellant] en [appellante]. Wanneer dit bericht verzonden is, blijkt niet uit de onvolledige kopie. In het bericht staat onder meer:

“Wij zijn in onze gesprekken voor wat betreft de inrichting van het openbaar gebied uitgegaan van de situatie tekening welke in de brochure en op de tekening is opgenomen.”

[appellant] en [appellante] hebben op 25 maart 2014 bij het college van B&W een verzoek ingediend om toekenning van een vergoeding voor planschade. In het verzoek staat onder meer het volgende:

“Meer specifiek gaat het om de wijziging betreffende de bestemming van de strook grond aan de voorzijde van de woning van cliënten. Daar waar de betreffende strook op grond van de vrijstelling ex artikel 19 WRO uit 2009 een groenbestemming had, is in voornoemde bestemmingsplan gekozen voor de bestemming Verkeer. Bij de aankoop van hun woning zijn cliënten uitgegaan van een groenstrook voor hun deur, hetgeen destijds bleek uit de verbeelding van de betreffende vrijstelling.”

Het verzoek om vergoeding van planschade is afgewezen. [appellant] en [appellante] hebben tegen de afwijzing een bezwaarschrift ingediend.

3.2.1.

In de onderhavige procedure vorderen [appellant] en [appellante], kort gezegd:

primair: veroordeling van Brabanthuis tot betaling van € 15.000,-- vermeerderd met wettelijke rente;

subsidiair: de koopprijs van € 179.947,-- te verminderen met een bedrag groot € 15.000,-- vermeerderd met wettelijke rente, en veroordeling van Brabanthuis tot terugbetaling van het bedrag van € 15.000,-- vermeerderd met wettelijke rente;

met veroordeling van Brabanthuis in de proceskosten.

3.2.2.

Deze vorderingen baseren [appellant] en [appellante] op de volgende rechtsgronden:

 primair: een toerekenbare tekortkoming van Brabanthuis;

 subsidiair: eenzijdige dwaling in de zin van artikel 6:228 lid 1 sub a en b BW;

 meer subsidiair: wederzijdse dwaling in de zin van artikel 6:228 lid 1 sub c BW;

 nog meer subsidiair: onrechtmatig handelen van Brabanthuis.

3.2.3.

Brabanthuis heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.2.4.

In het vonnis van 21 november 2013 heeft de kantonrechter als volgt geoordeeld:

 Van een tekortkoming van Brabanthuis in de nakoming van de koop-/aannemingsovereenkomst is geen sprake (rov. 3.3).

 Het beroep op eenzijdige dwaling gaat niet op (rov. 3.6).

 Het beroep op wederzijdse dwaling gaat niet op (rov. 3.7).

 De stelling van [appellant] en [appellante] dat Brabanthuis onrechtmatig heeft gehandeld is onvoldoende onderbouwd (rov. 3.8).

Op grond van deze oordelen heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellant] en [appellante] afgewezen en [appellant] en [appellante] in de proceskosten veroordeeld.

3.3.

[appellant] en [appellante] hebben in hoger beroep vier grieven aangevoerd. [appellant] en [appellante] hebben op basis van deze grieven geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van hun vorderingen.

3.4.

Brabanthuis heeft bij haar memorie van antwoord, randnummers 19 en 20, aangevoerd dat [appellant] en [appellante] hun rechten verspeeld hebben omdat zij bij de oplevering van de woning op 13 maart 2012 geen opmerkingen hebben gemaakt over de realisatie van het voetpad en de parkeerplaats voor hun woning. Het hof verwerpt dit betoog omdat de infrastructuur pas ná de oplevering van de woning gerealiseerd is.

Naar aanleiding van grief 1: toerekenbare tekortkoming?

3.5.1.

Het hof zal eerst de grief 1 behandelen. Door middel van deze grief betogen [appellant] en [appellante] dat Brabanthuis in de nakoming van de koop-/aannemingsovereenkomst tekortgeschoten is omdat de situatie die voor de woning is gerealiseerd, niet beantwoordt aan hetgeen [appellant] en [appellante] op grond van de overeenkomst mochten verwachten. Volgens [appellant] en [appellante] mochten zij op grond van de overeenkomst verwachten dat voor hun woning geen stoep en een parkeerplaats, maar een klein gemeenteplantsoen zou worden gerealiseerd.

3.5.2.

Het hof stelt dienaangaande voorop dat de tussen partijen geldende koop-/aannemingsovereenkomst is neergelegd in een schriftelijk stuk, namelijk in de tussen partijen ondertekende overeenkomst van 9 april 2010. Volgens [appellant] en [appellante] ligt in die overeenkomst besloten dat voor de woning een gemeenteplantsoen zou worden gerealiseerd. [appellant] en [appellante] baseren die stelling op het feit dat in de overeenkomst is vermeld, kort gezegd, dat tekening VK-B1 een onverbrekelijk geheel vormt met deze overeenkomst, terwijl op die tekening voor de woning van [appellant] en [appellante] een klein gemeenteplantsoen is ingetekend. Brabanthuis heeft gemotiveerd betwist dat tekening VK-B1 er (mede) toe diende om aan te geven dat voor de woning geen stoep en parkeerplaats maar een gemeenteplantsoen zou worden gerealiseerd.

3.5.3.

Het hof constateert dat in de tekst van de overeenkomst geen enkele bepaling over de inrichting van het voor het perceel gelegen openbare gebied is opgenomen. Uit de tekst is dus niet af te leiden dat Brabanthuis daarover door het sluiten van de overeenkomst enige verbintenis op zich heeft genomen. [appellant] en [appellante] hebben voorts niet de stelling van Brabanthuis betwist dat ook in de bij de overeenkomst behorende en daarmee een geheel vormende technische omschrijving niets is opgenomen over de inrichting van het (geen onderdeel van het verkochte perceel uitmakende) openbare gebied. De tekst van de overeenkomst ziet met andere woorden uitsluitend op het te leveren perceel zelf en op de daarop te bouwen woning.

3.5.4.

De omstandigheid dat tekening VK-B1 geacht moet worden een geheel te vormen met de koop-/aannemingsovereenkomst, brengt bij deze stand van zaken niet mee dat Brabanthuis de verbintenis op zich heeft genomen voor de woning een gemeenteplantsoen te realiseren en evenmin dat Brabanthuis heeft gegarandeerd dat voor de woning een gemeenteplantsoen gerealiseerd zou worden. Het hof tekent hierbij aan dat [appellant] en [appellante] als productie 2 bij de memorie van grieven slechts een uitsnede uit tekening VK-B1 hebben overgelegd. De volledige tekening VK-B1 is overgelegd als onderdeel van de ten behoeve van de comparitie van partijen in eerste aanleg ingediende productie 5. Uit die productie blijkt dat de tekening aanzienlijk groter is en dat daarop allerlei informatie staat over, kort gezegd, de voor- en achtergevels, de inrichting van de begane grond, eerste verdieping en tweede verdieping en de bij dit alles te hanteren maatvoeringen. Naar het oordeel van het hof is evident dat de tekening vanwege deze informatie over de te bouwen woning(en) als “onverbrekelijk geheel” bij de overeenkomst is gevoegd. Dat de tekening mede bij de overeenkomst is gevoegd vanwege de daarop zichtbare weergave van een klein deel van het openbaar gebied, is uit de overeenkomst in het geheel niet af te leiden. De omstandigheid dat op de tekening ook een overzicht van – kort gezegd – het huizenblok is opgenomen, moet bij deze stand van zaken geacht worden geen ander doel te hebben dan het weergeven van de plaats waar een woning met een bepaald bouwnummer zich in het huizenblok bevindt.

3.5.5.

De stelling van [appellant] en [appellante] dat de verkoopprijs van de woning onder andere gekoppeld was aan het uitzicht en de hoeveelheid ‘groen’ voor de deur, voert niet tot een ander oordeel. Uit de door [appellant] en [appellante] als onderdeel van productie 3 bij de memorie van grieven overgelegde lijst met de verkoopprijzen blijkt dat de verkoopprijs van hun woning even hoog was als de verkooprijs van onder meer de naastgelegen woningen met bouwnummers 602, 604 en 605, terwijl destijds al vast stond dat de woningen met de bouwnummers 604 en 605 geen openbaar groen voor de deur zouden krijgen. Er is dus geen sprake van dat de vraagprijs van de woning van [appellant] en [appellante] hoger was dan bijvoorbeeld de woningen met de bouwnummers 604 en 605 omdat voor de woning van [appellant] en [appellante] een klein gemeenteplantsoen zou worden gerealiseerd. Een vraagprijs die € 4.000,-- hoger was, was alleen aan de orde verderop in de straat bij bouwnummers 613 tot en met 617, waar voor de deur een aanzienlijk groter gemeenteplantsoen was voorzien en ook is gerealiseerd.

3.5.6.

Ook aan de tekening in de verkoopbrochure kan niet de gevolgtrekking worden verbonden dat de wijze van inrichting van het openbaar gebied voor de woning, onderdeel uitmaakt van de koop-/aannemingsovereenkomst. De tekst van de overeenkomst en de tekst van de notariële leveringsakte van 7 juni 2010 bieden daarvoor geen aanknopingspunt. Brabanthuis heeft er terecht op gewezen dat die situatietekening blijkens het bepaalde op blz. 5 van de akte aan de akte is gehecht in verband met de vestiging van een erfdienstbaarheid van voetpad, en niet om bepaalde (andere) aanspraken met betrekking tot de inrichting van het openbaar gebied vast te leggen.

3.5.7.

Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat Brabanthuis bij de koop-/aanneemovereenkomst niet de verbintenis op zich heeft genomen om ervoor te zorgen dat voor de woning van [appellant] en [appellante] geen stoep en parkeerplaats maar een gemeenteplantsoen zou worden gerealiseerd. Evenmin heeft Brabanthuis bij deze overeenkomst een daartoe strekkende garantie gegeven. Het hof verwijst volledigheidshalve ook naar hetgeen hierna ten aanzien van het beroep op dwaling zal worden overwogen.

3.5.8.

Dat aan de door Brabanthuis voor [appellant] en [appellante] gebouwde woning bouwkundige gebreken kleven is niet gesteld of gebleken. Van tekortkomingen met betrekking tot het geleverde perceel is evenmin gebleken. Het hof komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat een tekortkoming van Brabanthuis in de nakoming van de koop-/aannemingsovereenkomst niet is komen vast te staan. In die overeenkomst lagen eenvoudigweg geen verbintenissen met betrekking tot de inrichting van het openbaar gebied besloten. Grief 1 moet daarom worden verworpen.

Naar aanleiding van grief 2: dwaling?

3.6.1.

[appellant] en [appellante] hebben hun vorderingen in eerste aanleg subsidiair gebaseerd op eenzijdige dwaling in de zin van artikel 6:228 lid 1 sub a en b BW en meer subsidiair op wederzijdse dwaling in de zin van artikel 6:228 lid 1 sub c BW. De kantonrechter heeft beide grondslagen verworpen. [appellant] en [appellante] zijn daartegen opgekomen met grief 2. In de toelichting op die grief stellen zij beide grondslagen weer aan de orde.

3.6.2.

Het hof stelt voorop dat [appellant] en [appellante] op grond van de door hen gestelde dwaling geen vernietiging van de overeenkomst vorderen maar – kennelijk – wijziging van de gevolgen van de overeenkomst door de rechter op de voet van artikel 6:230 lid 2 BW, aldus dat de rechter de kooprijs met € 15.000,-- vermindert.

3.6.3.

Uit artikel 6:228 lid 2 BW volgt dat die vordering niet kan worden gebaseerd op een dwaling die uitsluitend een toekomstige omstandigheid betreft of die in verband met de aard van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen of de omstandigheden van het geval voor rekening van de dwalende behoort te blijven.

3.6.4.

Het hof zal daarom eerst onderzoeken of de gestelde dwaling een ten tijde van het sluiten van de overeenkomst nog toekomstige omstandigheid betrof. Volgens Brabanthuis was dat het geval. Brabanthuis heeft onder verwijzing naar enkele bij de conclusie van antwoord overgelegde producties gesteld dat ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst en ten tijde van de levering in het ontwerpbestemmingsplan nog een stukje openbaar groen voorzien was voor de woning, en dat pas enige tijd ná het sluiten van de koopovereenkomst en ná de levering van het perceel duidelijk werd dat de gemeente voor de woning van [appellant] en [appellante] geen plantsoentje maar een parkeerplaats zou realiseren. [appellant] en [appellante] hebben dat betwist. Zij hebben onder verwijzing naar de als productie 9 bij de memorie van grieven overgelegde pagina 9 van het stedenbouwkundig ontwerp van 19 mei 2009 gesteld dat bij Brabanthuis al in 2009 bekend was dat voor de woning een parkeerplaats zou worden gerealiseerd. Volgens [appellant] en [appellante] blijkt hetzelfde uit een filmpje dat geplaatst is op youtube (https://www.youtube.com/[webadres]), waarvan zij als prod. 8 bij de memorie van grieven enkele beelden hebben overgelegd.

3.6.5.

Het hof volgt [appellant] en [appellante] niet in dit betoog. De situatie die op pagina 9 van het stedenbouwkundig ontwerp van 19 mei 2009 te zien is (met parkeerplaatsen in de lengterichting van de weg), komt niet overeen met de situatie die uiteindelijk is gerealiseerd (met parkeerplaatsen dwars op de rijrichting). Hetzelfde geldt voor de beelden die te zien zijn op het genoemde filmpje. Het betreft hier klaarblijkelijk slechts voorlopige visies of “artist impressions” die niet zijn gerealiseerd en die ook geen onderdeel hebben gevormd van het ontwerpbestemmingsplan.

3.6.6.

Dit blijkt te meer uit het feit dat volgens de door Brabanthuis als productie 5 bij de conclusie van antwoord overgelegde tekening van [Adviseurs] Adviseurs van oktober 2010, voor het door [appellant] en [appellante] gekochte perceel wel degelijk een kleine groenstrook staat ingetekend, en verderop parkeerplaatsen haaks op de rijrichting. Volgens de vermelding op deze tekening betreft dit stuk een concept voor het ontwerpbestemmingsplan van de gemeente [woonplaats] voor het in geding zijnde terrein. Op grond hiervan kan het hof niet anders concluderen dan dat op dat moment, een half jaar ná het sluiten van de koop-/aannemingsovereenkomst en vier maanden ná de levering van het perceel aan [appellant] en [appellante], nog niet vast stond dat voor de woning van [appellant] en [appellante] een parkeerplaats en het genoemde schuine trottoir zouden worden gerealiseerd. Op dat moment bestond bij de gemeente kennelijk nog het voornemen ter plaatse een klein gemeenteplantsoen te realiseren met daarnaast parkeerplaatsen dwars op de rijrichting, een en ander zoals ook aangegeven op tekening VK-B1 en op de tekening die onderdeel vormde van de verkoopbrochure. Dit stemt ook overeen met hetgeen [appellant] en [appellante] zelf hebben gesteld in hun verzoek tot het toekennen van planschade:

“Meer specifiek gaat het om de wijziging betreffende de bestemming van de strook grond aan de voorzijde van de woning van cliënten. Daar waar de betreffende strook op grond van de vrijstelling ex artikel 19 WRO uit 2009 een groenbestemming had, is in voornoemde bestemmingsplan gekozen voor de bestemming Verkeer. Bij de aankoop van hun woning zijn cliënten uitgegaan van een groenstrook voor hun deur, hetgeen destijds bleek uit de verbeelding van de betreffende vrijstelling.”

3.6.7.

Als productie 8 bij de conclusie van antwoord heeft Brabanthuis een e-mail 18 juli 2011 van de heer Tigchelaar van de gemeente aan de heer [vertegenwoordiger Brabanthuis] van Brabanthuis overgelegd met een als bijlage bij die mail gevoegde tekening. Ook op die tekening stonden voor het perceel van [appellant] en [appellante] nog steeds het stukje openbaar groen en pas verderop de parkeerplaatsen dwars op de rijrichting weergegeven. De stelling van [appellant] en [appellante] dat op dat moment al was besloten om dit anders uit te voeren, met een parkeerplaats voor hun woning, is naar het oordeel van het hof gelet op deze producties onvoldoende onderbouwd.

3.6.8.

Brabanthuis heeft verder onder verwijzing naar blz. 4 van het door haar als productie 7 bij de conclusie van antwoord overgelegde informatiebulletin van juli 2011 gesteld dat een aantal bewoners omstreeks die periode bij de gemeente is gaan vragen om de realisatie van meer parkeerplaatsen. [appellant] en [appellante] hebben dat niet gemotiveerd betwist. Verder staat tussen partijen vast dat door de wijze waarop de infrastructuur uiteindelijk is uitgevoerd, vier extra parkeerplaatsen zijn gerealiseerd. De heroverweging die daartoe heeft geleid, is kennelijk pas in de tweede helft van 2011 in gang gezet.

3.6.9.

Bij deze stand van zaken kan het hof niet anders concluderen dan dat de dwaling waar [appellant] en [appellante] zich op beroepen, ten tijde van het sluiten van de overeenkomst en ten tijde van de levering van het perceel nog uitsluitend een toekomstige omstandigheid betrof.

3.6.10.

Door [appellant] en [appellante] is nog gesteld dat zij aanvankelijk niet wisten dat de grond waarop de openbare infrastructuur voor hun woning zou worden gerealiseerd, door Brabanthuis in eigendom zou worden overgedragen aan de gemeente. Voor zover zij daarover hebben gedwaald, moet die dwaling echter naar het oordeel van het hof voor hun eigen rekening blijven. Het is immers bij projecten als het onderhavige volstrekt gebruikelijk dat de grond waarop de openbare infrastructuur wordt gerealiseerd, voor zover die nog geen eigendom van de betreffende gemeente is, aan die gemeente in eigendom wordt overgedragen. Een andere gang van zaken is hoogst ongebruikelijk en niet goed voorstelbaar.

3.6.11.

Het hof benadrukt in dit verband ook dat het aan de gemeente is om te beslissen over de inrichting van het openbare gebied/de infrastructuur rondom de woningen. [appellant] en [appellante] hebben niet gemotiveerd betwist dat Brabanthuis daar geen zeggenschap in heeft.

3.6.12.

[appellant] en [appellante] hebben nog gesteld dat zij voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst met de door Brabanthuis ingeschakelde makelaar hebben besproken dat het voor hen van essentieel belang was dat er geen parkeerplaatsen recht voor de deur zouden komen en dat de makelaar hen toen heeft meegedeeld dat er, gelet op de verkoopbrochure, een groenstrook voor de deur zou komen. Volgens [appellant] en [appellante] was die mededeling onjuist en kunnen zij zich daarom beroepen op dwaling als bedoeld in artikel 6:228 lid 1 sub a BW (dwaling als gevolg van een onjuiste inlichting van de wederpartij). Het hof volgt dit standpunt van [appellant] en [appellante] niet. Op het moment dat de makelaar aan [appellant] en [appellante] meedeelde dat wat betreft de inrichting van het openbaar gebied (vooralsnog) uitgegaan kon worden van de situatietekening welke in de brochure en op tekening VK-B1 was opgenomen, was die mededeling immers juist. Uit hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen volgt dat de situatie op de betreffende tekeningen op dat moment immers nog overeenstemde met de tekeningen die behoorden bij het ontwerpbestemmingsplan. Pas meer dan een jaar na de verkoop en levering van het perceel aan [appellant] en [appellante] is de gemeente een andere koers gaan varen, kennelijk mede om een iets hoger aantal parkeerplaatsen bij de woningen te kunnen realiseren. Dat de makelaar zou hebben gegarandeerd dat een dergelijke wijziging van de gemeentelijke plannen zich nimmer voor zou doen, is uit de stellingen van [appellant] en [appellante] niet af te leiden. De uitlatingen van de makelaar kunnen dus niet onjuist worden geacht en nemen dus niet weg dat de dwaling een omstandigheid betreft die op het moment van het sluiten van de overeenkomst uitsluitend toekomstig was in de zin van artikel 6:228 lid 2 BW. Dit brengt mee dat bewijslevering over de uitlatingen van de makelaar achterwege kan blijven en dat het beroep op (eenzijdige of tweezijdige) dwaling niet kan worden gehonoreerd.

3.6.13.

Het hof voegt daar nog aan toe dat de dwaling in de gegeven omstandigheden in de rechtsverhouding tussen enerzijds Brabanthuis en anderzijds [appellant] en [appellante] voor rekening van [appellant] en [appellante] behoort te blijven in de zin van artikel 6:228 lid 2 BW. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat Brabanthuis geen zeggenschap heeft over de wijze waarop de gemeente het openbaar gebied inricht en dat [appellant] en [appellante] zich hadden moeten realiseren dat op voorhand niet volledig kon worden uitgesloten dat zich nog een wijziging zou voordoen van de in de tekening bij het voorlopig bestemmingsplan neergelegde gemeentelijke plannen met betrekking tot de situatie voor hun perceel.

3.6.14.

Dat de wijziging van de gemeentelijke plannen voor [appellant] en [appellante] onaangenaam is geweest, kan in de rechtsverhouding tussen enerzijds [appellant] en [appellante] en anderzijds Brabanthuis niet tot een andere uitkomst leiden. Grief 2 kan om de bovenstaande redenen geen doel treffen.

Naar aanleiding van grief 3: onrechtmatig handelen

3.7.1.

In de toelichting op hun derde grief betogen [appellant] en [appellante] aan dat Brabanthuis onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld door bewust te verzwijgen dat de gemeente recht voor hun deur parkeerplaatsen zou situeren.

3.7.2.

Het hof volgt [appellant] en [appellante] daar niet in. De situatie die Brabanthuis en haar verkopende makelaar voor en bij het sluiten van de koopovereenkomst (en bij de levering van het perceel) hebben geschetst, te weten dat de gemeentelijke plannen op dat moment inhielden dat er een kleine groenstrook voor de woning zou komen, was immers juist. Pas op een later moment heeft de gemeente de betreffende plannen gewijzigd. Zoals hiervoor is overwogen, bieden de vele producties geen aanknopingspunten voor de stelling van [appellant] en [appellante], dat Brabanthuis al ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst wist dat er voor de woning geen stukje openbaar groen maar een parkeerplaats zou komen. Bij deze stand van zaken kan niet worden geoordeeld dat Brabanthuis jegens [appellant] en [appellante] onrechtmatig heeft gehandeld door misleidende informatie te geven of door belangrijke informatie te verzwijgen. Grief 3 moet dus worden verworpen.

Naar aanleiding van grief 4: proceskosten en veeggrief

3.8.

Gezien het vorenoverwogene heeft de rechtbank [appellant] en [appellante] terecht in de proceskosten veroordeeld. Voor het overige heeft grief 4 naast de grieven 1, 2 en 3 geen zelfstandige betekenis en moet dus eveneens worden verworpen.

Conclusie en verdere afdoening

3.9.

Omdat geen van de grieven doel heeft getroffen, zal het hof het beroepen vonnis bekrachtigen. Het hof zal [appellant] en [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het hoger beroep. Het hof zal deze kostenveroordeling, zoals door Brabanthuis gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, locatie Eindhoven, onder zaaknummer 901344/CV EXPL 13-6331 tussen partijen gewezen vonnis van 21 november 2013;

veroordeelt [appellant] en [appellante] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van Brabanthuis tot op heden begroot op € 1.920,-- aan vast recht en op € 1.341,-- aan salaris advocaat;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, M.G.W.M. Stienissen en J.H.C. Schouten en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 29 september 2015.

griffier rolraadsheer