Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:3762

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-09-2015
Datum publicatie
30-09-2015
Zaaknummer
HD 200.141.069_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:5350
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:2992, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg op ECLI:NL:GHSHE:2014:5350; declaraties advocaat; Wtbz niet meer van toepassing; aan zich houden of terugwijzen; overeenkomst van opdracht; klachtplicht; het gebruikelijke loon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.141.069/01

arrest van 29 september 2015

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. A.N.A.G. Boer te Klimmen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. F.C. Schirmeister te Maastricht,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 16 december 2014 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht onder zaaknummer 515138/CV EXPL 13-888 gewezen vonnis van 9 oktober 2013.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 16 december 2014;

  • -

    de akte van [appellant] van 13 januari 2015;

  • -

    de antwoordakte van [geïntimeerde] van 27 januari 2015.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6 De verdere beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

6.1.

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof, kort gezegd, overwogen dat verwijzing naar de raad van toezicht voor het volgen van een begrotingsprocedure in het kader van de Wet tarieven in burgerlijke zaken (Wtbz), zoals in deze zaak voorwerp van geschil is, niet meer mogelijk is. Het hof heeft de zaak naar de rol verwezen teneinde partijen de gelegenheid te geven hun stellingen in verband hiermee aan te passen.

6.2.

[appellant] heeft in zijn akte van 13 januari 2015 zijn stellingen gehandhaafd, waaronder de stellingen dat de burgerlijke rechter bevoegd is op zijn vorderingen te beslissen en dat het hof de zaak, na vernietiging van het bestreden vonnis op dit punt, dient terug te wijzen naar de kantonrechter ter verdere beoordeling en beslissing.

6.3.

[geïntimeerde] heeft zich in zijn akte van 27 januari 2015 op het standpunt gesteld dat het hof de zaak verder dient af te doen.

6.4.

Het hof overweegt het volgende. Nu de Wtbz in deze zaak niet meer van toepassing is, staat de bijzondere rechtsgang waarin door deze wet werd voorzien hier ook niet meer open. De burgerlijke rechter is nu bevoegd om van alle geschillen over het salaris, dat door een advocaat aan zijn cliënt is berekend, kennis te nemen. Het bestreden vonnis kan dan ook niet in stand blijven. De hierop gerichte grief van [appellant] slaagt.

6.5.

Vervolgens is de vraag of het hof de zaak aan zich dient te houden of de zaak dient terug te wijzen naar de kantonrechter ter verdere afdoening en beslissing. Hieromtrent overweegt het hof het volgende. In HR 11 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0857; NJ 2010/581, m.nt. H.J. Snijders is met betrekking tot de devolutieve werking van het appel als volgt beslist. Door het hoger beroep tegen een einduitspraak wordt in beginsel de gehele zaak, zoals zij voor de eerste rechter diende, naar de hogere rechter overgebracht ter beslissing door deze. Deze regel brengt mee dat de hogere rechter zich niet deels aan deze hem opgedragen taak mag onttrekken door een gedeelte van de beslissing van het aan zijn oordeel onderworpene over te laten aan de rechter die zijn oordeel over de zaak reeds heeft gegeven. Onverkorte toepassing van deze regel brengt weliswaar mee dat in een aantal gevallen een substantieel gedeelte van het geschil tussen partijen slechts in één feitelijke instantie zal worden berecht, doch nu die gevallen zich niet met behulp van een duidelijk en in de praktijk eenvoudig te hanteren criterium laten onderscheiden, dient voormelde regel steeds toepassing te vinden, met uitzondering evenwel van de gevallen waarin de appelrechter een uitspraak van de rechter in eerste aanleg vernietigt waarbij deze zich onbevoegd heeft verklaard van het geschil kennis te nemen, hetzij wegens ontbreken van rechtsmacht van de Nederlandse rechter, hetzij op grond van het bepaalde in art. 1022 lid 2 Rv, hetzij uit hoofde van het onderwerp van het geschil. Met deze uitzonderingen kan op één lijn worden gesteld het geval waarin in eerste aanleg ten onrechte ontslag van instantie is verleend en waarin dus de rechter op louter processuele gronden eveneens niet aan een inhoudelijke behandeling van de zaak tussen de betrokken partijen is toegekomen.

In de onderhavige zaak waarin de kantonrechter zich in het deelvonnis onbevoegd had verklaard om een oordeel te geven over het door [appellant] gevorderde bedrag aan salaris (en waarin in zoverre sprake was van een einduitspraak) doet geen van de in het arrest van 11 december 2009 genoemde uitzonderingen zich voor. Het hof dient derhalve in het onderhavige geval de zaak aan zich te houden.

6.6.

Aan het hof ligt nu de vraag voor of de vorderingen van [appellant] kunnen worden toegewezen. Bij de beoordeling van die vraag is het hof gebonden aan de door de kantonrechter genomen eindbeslissingen als deze niet door een grief worden bestreden. Als niet bestreden staat vast dat tussen partijen een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen. [geïntimeerde] heeft immers in nummer 49 van de memorie van antwoord, tevens voorwaardelijk incidenteel appel – anders dan hij in nummer 22 van die memorie lijkt te stellen – met zoveel woorden erkend dat er wel een overeenkomst van opdracht is gesloten, waarmee hij zijn eerdere verweer dat dat niet het geval was uitdrukkelijk heeft prijsgegeven. Tegen de beslissing dat niet is komen vast te staan dat partijen een concreet bedrag per uur afgesproken hebben op basis waarvan [appellant] voor [geïntimeerde] werkzaamheden zou verrichten, heeft [appellant] in appel een grief gericht. In zoverre komt het hof terug van overweging 3.4. in zijn tussenarrest van 16 december 2014. Het hof overwoog dat [appellant] één grief heeft geformuleerd en daarin heeft betoogd dat de kantonrechter zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard. Daarbij heeft het hof over het hoofd gezien dat [appellant] in nummer 10 van de memorie van grieven, ook voor [geïntimeerde] kenbaar, een grief heeft geformuleerd tegen de beslissing van de kantonrechter dat niet is komen vast te staan dat partijen een uurloon hebben afgesproken.

Tegen de beslissingen van de kantonrechter dat [geïntimeerde] wel loon verschuldigd is en dat [appellant] het recht op betaling niet verwerkt heeft, heeft [geïntimeerde] grieven gericht in incidenteel appel.

De grieven in incidenteel appel

6.7.1.

Tegen de vordering van [appellant] om loon te betalen, voert [geïntimeerde] als verweer in zijn incidentele grief 1 aan dat hij geen loon verschuldigd is aan [appellant] . Daartoe heeft hij in eerste aanleg en in appel het volgende gesteld. Ten eerste zijn zij niet overeengekomen dat [geïntimeerde] aan [appellant] loon zou betalen. Ten tweede heeft [appellant] zijn declaraties steeds aan Interpolis gestuurd en Interpolis heeft de declaraties voldaan. Daarom mocht [geïntimeerde] erop vertrouwen dat Interpolis het loon zou betalen en hoefde [geïntimeerde] niet te verwachten rechtstreeks door [appellant] tot betaling van loon te worden aangesproken. Ten derde is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [geïntimeerde] rechtstreeks door [appellant] tot betaling van loon wordt aangesproken, aangezien [geïntimeerde] een bijstandsuitkering ontving en in aanmerking kwam voor gefinancierde rechtsbijstand en niet schriftelijk afgesproken is dat hij daarvan afzag of dat een uurtarief in rekening gebracht mocht worden op het moment dat de toevoeging zou worden ingetrokken. Ten vierde heeft [appellant] geen resultaat behaald en is hij in zijn dienstverlening jegens [geïntimeerde] ernstig tekortgeschoten. [appellant] is niet voortvarend te werk gegaan en heeft ernstige fouten gemaakt. Met name het doen van een niet van tevoren door [geïntimeerde] goedgekeurd voorstel aan Interpolis is onvergeeflijk en het heeft zijn onderhandelingspositie ten opzichte van Interpolis ondermijnd. Ten vijfde is [appellant] volledig betaald door Interpolis. De door Interpolis betaalde bedragen zijn in overeenstemming met de dubbele redelijkheidstoets. Ten zesde heeft [appellant] op geen enkele wijze duidelijk gemaakt dat de door hem gestelde werkzaamheden ook daadwerkelijk door hem zijn verricht. [appellant] lijkt slechts één tarief te hanteren, terwijl het leeuwendeel van zijn werkzaamheden secretarieel van aard is geweest en heeft bestaan uit het doorsturen van stukken en het opstellen – door de secretaresse – van eenvoudige brieven.

6.7.2.

Het hof is van oordeel dat het verweer van [geïntimeerde] , dat hij aan [appellant] geen loon verschuldigd is, niet slaagt en overweegt daartoe het volgende.

Ook als partijen niet expliciet zouden zijn overeengekomen dat [geïntimeerde] aan [appellant] loon zou betalen, zou dat nog niet betekenen dat [geïntimeerde] geen loon verschuldigd is. Niet (meer) in geschil is dat partijen een overeenkomst van opdracht gesloten hebben en dat de overeenkomst door [appellant] is aangegaan in de uitoefening van zijn beroep. Op grond van artikel 7:405 lid 2 BW is [geïntimeerde] in beginsel loon verschuldigd aan [appellant] en wel het loon dat partijen hebben afgesproken dan wel het op de gebruikelijke wijze berekende loon of, bij gebreke daarvan, een redelijk loon.

In het licht van het voorgaande heeft [geïntimeerde] aan het enkele feit dat [appellant] zijn declaraties rechtstreeks naar Interpolis stuurde niet het vertrouwen mogen ontlenen dat hij geen loon aan [appellant] verschuldigd zou zijn. Nu hij door [appellant] tot betaling wordt aangesproken, kan [geïntimeerde] dit feit dan ook niet aan [appellant] tegenwerpen.

Het gestelde tekortschieten van [appellant] in de nakoming van de overeenkomst kan evenmin met succes worden aangevoerd tegen de vordering tot betaling. Indien [appellant] in zijn verplichtingen jegens [geïntimeerde] tekortgeschoten is en zonder afspraak hierover geen toevoeging voor [geïntimeerde] heeft aangevraagd, had [geïntimeerde] zijn eigen prestatie kunnen opschorten – bijvoorbeeld door Interpolis te verzoeken om voorlopig de betalingen aan [appellant] te stoppen – of [appellant] kunnen aanspreken tot schadevergoeding op grond van niet-nakomen. Hierop is in deze procedure geen beroep gedaan. De enkele stelling dat [appellant] is tekortgeschoten bevrijdt [geïntimeerde] echter niet van zijn betalingsverplichting.

Voor zover [geïntimeerde] heeft betoogd dat hij niet meer verschuldigd zou zijn dan de eigen bijdrage als [appellant] een toevoeging zou hebben aangevraagd, is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] zijn stelling onvoldoende onderbouwd heeft; dit met name in het licht van het feit dat toevoegingen in letselschadezaken in de regel slechts voorwaardelijk worden verleend en meestal ingetrokken worden zodra een uitkering wordt betaald en de rechtsbijstand bij de aansprakelijke partij in rekening kan worden gebracht.

De stelling dat [appellant] volledig is betaald door Interpolis, wordt door [geïntimeerde] zelf tegengesproken. In de conclusie van antwoord onder nummer 23 en in de conclusie van dupliek onder nummer 24 stelt [geïntimeerde] immers dat Interpolis een bedrag van € 702,90 niet heeft voldaan aan [appellant] .

In het licht van de gespecificeerde declaraties die [appellant] ter onderbouwing van de door hem gestelde werkzaamheden bij inleidende dagvaarding heeft overgelegd, heeft [geïntimeerde] zijn verweer dat [appellant] niet inzichtelijk heeft gemaakt dat de door hem gestelde werkzaamheden ook daadwerkelijk door hem zijn verricht en niet heeft onderscheiden in door hem zelf en door zijn secretaresse verrichte werkzaamheden, onvoldoende onderbouwd.

Grief 1 in incidenteel appel faalt.

6.8.1.

Tegen de vordering van [appellant] om loon te betalen, voert [geïntimeerde] ook als verweer dat [appellant] zijn rechten jegens [geïntimeerde] heeft verwerkt als bedoeld in artikel 6:89 BW.

Daartoe voert [geïntimeerde] aan dat [appellant] nooit bij [geïntimeerde] heeft geklaagd over te late of onvolledige betaling.

6.8.2.

Het hof is van oordeel dat het verweer van [geïntimeerde] niet slaagt en legt aan dat oordeel het volgende ten grondslag.

In het midden latend of artikel 6:89 BW wel van toepassing is op een tekortkoming in de betaling van een geldsom, zoals hier het geval is, heeft [geïntimeerde] met de enkele stelling dat [appellant] niet heeft geklaagd, niet voldaan aan de stelplicht die, gelet op de uitspraak van de HR van 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3593, wat betreft de aanvang van de klachttermijn en de tijdigheid van de klacht in deze op hem rust.

Grief 2 in incidenteel appel faalt.

6.9.

Nu de verweren van [geïntimeerde] niet slagen, is [geïntimeerde] loon verschuldigd aan [appellant] .

Grief 1 in principaal appel

6.10.1.

[appellant] stelt primair met [geïntimeerde] te hebben afgesproken dat [geïntimeerde] hem een uurloon zou betalen van € 225,00 exclusief BTW, 5% dossier- en administratiekosten en verschotten. Ter onderbouwing van deze stelling voert [appellant] het volgende aan. In de eerste plaats heeft [appellant] het overeengekomen honorarium vermeld in zijn brief van 27 april 2007 aan Interpolis. Een kopie van deze brief is naar [geïntimeerde] gezonden. [geïntimeerde] heeft naar aanleiding van deze brief contact opgenomen met [appellant] , maar in het gesprek niets gezegd over het honorarium. [appellant] meent dat hiermee vaststaat dat [geïntimeerde] heeft ingestemd met het honorarium. In de tweede plaats meent [appellant] dat hij erop mocht vertrouwen dat [geïntimeerde] instemde met het honorarium, nu [geïntimeerde] de brief zonder tegenbericht gehouden heeft en het overeengekomen honorarium niet heeft betwist en voorts Interpolis gedurende vijf jaren het honorarium van [appellant] voor [geïntimeerde] heeft vergoed.

6.10.2.

Subsidiair, voor het geval niet komt vast te staan dat partijen een uurloon hebben afgesproken, stelt [appellant] dat [geïntimeerde] het op gebruikelijke wijze berekende loon aan hem verschuldigd is, zoals bedoeld in artikel 7:405 lid 2 BW, hetgeen eveneens neerkomt op een bedrag van € 225,00 exclusief BTW, 5% dossier- en administratiekosten en verschotten. [appellant] voert hiertoe aan dat hij in die tijd dit loon met al zijn letselschadecliënten overeenkwam en het overeengekomen loon altijd meldde bij de verantwoordelijke assuradeur, in dit geval Interpolis. Als [geïntimeerde] daarop in het geheel niet reageert, mag het ervoor worden gehouden dat [geïntimeerde] die afspraak ook met hem heeft gemaakt, aldus [appellant] .

6.10.3.

Het hof is van oordeel dat uitgegaan kan worden van een uurloon van € 225,00 exclusief BTW, 5% dossier- en administratiekosten en verschotten. Weliswaar is niet komen vast te staan dat [appellant] dit uurtarief expliciet met [geïntimeerde] overeengekomen is, maar de stelling van [appellant] dat het uurloon van € 225,00 exclusief BTW, 5% dossier- en administratiekosten en verschotten ook te gelden heeft als het op gebruikelijke wijze berekende loon, heeft [geïntimeerde] niet betwist en komt overigens ook het hof aannemelijk voor.

In zoverre slaagt grief 1 in principaal appel.

De vordering: loon en kosten

6.11.1.

[appellant] stelt dat een bedrag van € 2.169,69 aan loon en kosten onbetaald is gebleven.

Deze stelling heeft hij als volgt onderbouwd. Per 20 december 2012 stond er op de facturen van [geïntimeerde] in totaal nog een bedrag van € 5.669,69 open. Op 8 januari 2013 heeft Interpolis aan [appellant] € 3.500,00 betaald; derhalve is een bedrag van € 2.169,69 aan loon en kosten onbetaald gebleven.

6.11.2.

[geïntimeerde] heeft betwist dat een bedrag van € 2.169,69 aan loon en kosten onbetaald is gebleven. Uit correspondentie met Interpolis blijkt dat Interpolis facturen van [appellant] heeft ontvangen voor een totaalbedrag van € 12.086,62 en dat Interpolis hierop betalingen heeft verricht van in totaal € 11.383,72; derhalve is een bedrag van € 702,90 onbetaald gebleven, aldus [geïntimeerde] .

6.11.3.

Het hof overweegt het volgende. Uit het door [appellant] als productie 1 bij de inleidende dagvaarding overgelegde overzicht blijkt dat op 20 december 2012 onder meer de factuur met omschrijving [factuuromschrijving] openstond voor een bedrag van € 1.466,79.

Deze factuur is niet vermeld als gefactureerd bedrag in het overzicht van gefactureerde bedragen in de door [geïntimeerde] als productie 19 bij de conclusie van antwoord overgelegde e-mail van 9 januari 2013 van [medewerker van Intertpolis] namens Interpolis aan [appellant] . Als productie 16 bij de inleidende dagvaarding heeft [appellant] deze factuur, gedateerd 18 juli 2011, in het geding gebracht, alsmede een bijbehorende specificatie van de gedeclareerde werkzaamheden. [geïntimeerde] heeft gesteld dat Interpolis van de van [appellant] ontvangen facturen een bedrag van € 702,90 onbetaald heeft gelaten. Uit het door [geïntimeerde] verstrekte overzicht leidt het hof af dat Interpolis de factuur van € 1.466,79 evenmin heeft betaald. Aldus heeft [geïntimeerde] de stelling van [appellant] dat € 2.169,69 aan loon en kosten onbetaald is gebleven, onvoldoende gemotiveerd betwist. Van deze twee bedragen, tezamen € 2.169,69 vordert [appellant] naar het oordeel van het hof dan ook terecht betaling.

Schade te late betaling

6.12.1.

[appellant] vordert ook betaling van een bedrag van € 569,71 aan rente tot aan de dag waarop de inleidende dagvaarding is uitgebracht. Daaraan legt hij ten grondslag dat Interpolis verschillende nota’s te laat heeft betaald.

6.12.2.

[geïntimeerde] heeft betwist rente verschuldigd te zijn.

6.12.3.

Het hof overweegt het volgende. Ingevolge artikel 6:119 BW bestaat de schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening ervan in verzuim is geweest.

Ingevolge artikel 6:82 BW treedt het verzuim in, wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen deze termijn uitblijft.

Gesteld noch gebleken is dat in dit geval het verzuim zonder ingebrekestelling intreedt als bedoeld in artikel 6:83 BW.

Naar het oordeel van het hof kan de brief van [appellant] aan [geïntimeerde] van 20 december 2012 worden aangemerkt als een ingebrekestelling. Van een eerdere ingebrekestelling van [geïntimeerde] is niet gebleken.

In die brief van 20 december 2012 schrijft [appellant] onder meer dat hij [geïntimeerde] nog één keer de gelegenheid geeft om het totale bedrag te betalen binnen “14 dagen na heden”. [geïntimeerde] is dit niet nagekomen en dat betekent dat rente verschuldigd is over het bedrag van € 2.169,69 met ingang van 4 januari 2013.

Buitengerechtelijke incassokosten

6.13.

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal worden afgewezen. Uit de door [appellant] gegeven omschrijving van de verrichte werkzaamheden blijkt niet dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan [appellant] vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

Overig

6.14.

Grief 3 in incidenteel appel behoeft, gelet op het voorgaande, geen bespreking meer.

6.15.

Het hof zal [geïntimeerde] als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij in de kosten van beide instanties veroordelen.

6.15.1.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:

– explootkosten € 78,34

– griffierecht € 213,00

totaal verschotten € 291,34

en voor salaris advocaat/gemachtigde overeenkomstig het liquidatietarief:

2 punten x € 150,00 € 300,00.

6.15.2.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:

– explootkosten € 77,52

– griffierecht € 308,00

totaal verschotten € 385,52

en voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief:

1. punt x € 632,00 in het principaal appel € 632,00

1. punt x € 316,00 in het incidenteel appel € 316,00.

6.15.3.

Het hof zal de nakosten begroten op € 131,00 indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,00 vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden.

6.15.4.

De door [appellant] gevorderde wettelijke rente over de proceskostenveroordeling zal op de na te melden wijze worden toegewezen. Met het oog op de redelijke termijn voor nakoming als bedoeld in artikel 6:82 lid 1 BW, zal het hof de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten eerst vanaf veertien dagen na de dag van deze uitspraak toewijzen.

7 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] tegen bewijs van kwijting aan [appellant] te betalen een bedrag van
€ 2.169,69, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag met ingang van 4 januari 2013 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [appellant] worden begroot op € 291,00 aan verschotten en op € 300,00 aan salaris advocaat in eerste aanleg, op € 385,52 aan verschotten en op € 948,00 aan salaris advocaat voor het hoger beroep en wat betreft de nakosten op € 131,00 indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,00 vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M.A. de Groot-van Dijken, C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden en P.P.M. Rousseau en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 29 september 2015.

griffier rolraad