Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:3736

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-09-2015
Datum publicatie
08-10-2015
Zaaknummer
F 200.165.157/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

machtiging schenking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2015-0359
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 24 september 2015

Zaaknummer: F 200.165.157/01

Zaaknummer eerste aanleg: 3587620 OV VERZ 14-6560

in de zaak in hoger beroep van:

[curator] ,

in zijn hoedanigheid van curator van [curandus] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. L.E.M. de Vries-Blom.

Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt:

- [belanghebbende 1] (hierna: de vader);

- [belanghebbende 2] ;

- [belanghebbende 3] ;

- [belanghebbende 4] ;

- [belanghebbende 5] ;

- [belanghebbende 6] .

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, sector kanton, locatie Bergen op Zoom van 18 november 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 16 februari 2015, heeft de curator verzocht voormelde beschikking te vernietigen, naar het hof begrijpt voor zover een voorwaarde aan de schenking is gesteld, en, opnieuw rechtdoende, de curator machtiging te verlenen tot schenking van een bedrag van € 5.000,- aan ieder van de zes kinderen van de vader en aan deze machtiging een repeterende werking te verlenen, zodat deze schenking ieder jaar kan plaatsvinden.

2.2.

Er is geen verweerschrift ingekomen ter griffie.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 juli 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [belanghebbende 2] en [belanghebbende 4] , bijgestaan door mr. De Vries-Blom.

2.3.1.

[curator] , [belanghebbende 1] , [belanghebbende 3] , [belanghebbende 5] en [belanghebbende 6] zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 10 juni 2014;

  • -

    het V-formulier met bijlagen van de advocaat van appellant d.d. 9 maart 2015.

2.4.1.

Conform afspraak is na de mondelinge behandeling nog ingekomen het V-formulier met bijlagen van de advocaat van appellant d.d. 21 augustus 2015.

3 De beoordeling

3.1.

De vader is bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, sector kanton, locatie Bergen op Zoom van 24 juni 2014 onder curatele gesteld met benoeming van [curator] en [belanghebbende 3] tot curatoren.

3.2.

De curator [curator] heeft op 12 november 2014 de kantonrechter verzocht toestemming te verlenen voor schenking van een deel van het vermogen van de vader, te weten € 30.000,- gelijkelijk verdeeld over de zes kinderen van de vader.

3.3.

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter machtiging verleend tot schenking van een bedrag van € 5.000,- aan ieder van de zes kinderen van de vader, onder de voorwaarde dat de schenking eerst mag plaatsvinden na de verkoop van de woning, staande en gelegen te ( [postcode] ) [plaats] aan de [adres] .

3.4.

Appellant kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

Appellant voert aan, zoals aangevuld ter zitting, dat de woning van de vader inmiddels is verkocht en binnenkort zal worden geleverd aan de kopers. Appellant stelt dat de verkoop van de woning van de vader niet noodzakelijk is om de gewenste schenkingen te doen. De vader beschikt over voldoende vermogen; op de verkochte woning met een WOZ-waarde van € 331.000,- rust geen hypotheek en de vader heeft een vermogen van in totaal € 154.235,45 op verschillende bankrekeningen staan en in verschillende effecten belegd. De liquide middelen van de vader zullen de komende vier jaar in ieder geval niet onder € 20.000,- zakken, zodat de verzorging van de vader financieel gezien geen enkel gevaar loopt.

Daarbij wenst appellant het primaire verzoek aan te vullen in die zin dat wordt verzocht om een doorlopende machtiging om jaarlijks schenkingen tot voornoemde bedragen te mogen doen.

Appellant stelt dat sprake is van een schenkingstraditie sinds 2010. In 2010 is voor het eerst door de vader aan vijf van de zes de kinderen een bedrag van € 4.500,- geschonken. Aan het zesde kind was reeds een auto met dezelfde waarde geschonken en aan de kleinkinderen een bedrag van € 2.000,- per kind. In 2011 is wederom voormeld bedrag geschonken aan ieder kleinkind. In 2012 is er niet geschonken vanwege de slechte gezondheid en de veelvuldige ziekenhuisbezoeken van de vader. In 2013 is aan de zes kinderen van de vader een bedrag van € 4.000,- per kind geschonken.

3.6.

Het hof overweegt het volgende.

3.6.1.

Ingevolge de aanbevelingen curatele van het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton (hierna: LOVCK) wordt voor de vermogensrechtelijke taken van de curator verwezen naar de Aanbevelingen meerderjarigenbewind. Ingevolge de aanbevelingen omtrent schenking wordt een door de bewindvoerder ingediend verzoek om te worden gemachtigd tot het doen van een schenking namens een rechthebbende die zijn wil niet kan bepalen, als hoofdregel afgewezen indien er geen schenkingstraditie wordt aangetoond. Er zijn bijzondere omstandigheden denkbaar op grond waarvan kan worden afgeweken van die hoofdregel. Daarnaast wordt een schenking in beginsel, ook als er wel sprake is van een schenkingstraditie, niet toegestaan indien het liquide vermogen van de rechthebbende door de schenking minder wordt dan € 30.000,-. Van deze grens kan worden afgeweken indien de kantonrechter van oordeel is dat daarmee de toekomstige verzorging van de rechthebbende geen gevaar loopt.

3.6.2.

Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat in dit geval sprake is van een bijzondere omstandigheid op grond waarvan het verzoek tot schenking kan worden toegewezen. Uit de – na de mondelinge behandeling toegezonden – koopovereenkomst van

5 juni 2015 en de akte van levering van 7 augustus 2015 is het hof namelijk gebleken dat de woning van de vader inmiddels is verkocht en geleverd aan derden. De netto-opbrengst van deze verkoop is € 294.893,24, zoals blijkt uit het daartoe overgelegde bankafschrift, zodat de eenmalige schenkingen van € 5.000,- per kind naar het oordeel van het hof verantwoord kunnen worden gedaan.

3.6.3.

Verder overweegt het hof dat appellant onvoldoende inzicht heeft verstrekt in de hoogte van het overige vermogen van de vader op dit moment. De vader is dan wel in het bezit van een effectenportefeuille, maar de huidige waarde hiervan is het hof niet duidelijk geworden, terwijl vast staat dat het verloop van aandelenkoersen in de toekomst per definitie onzeker is. Tevens is onvoldoende duidelijk welke bedragen nodig zijn voor een adequate verzorging van de vader.

Hetgeen door de curator is aangevoerd omtrent de schenkingen aan de kinderen en kleinkinderen in 2010, aan de kleinkinderen in 2011 en aan de kinderen in 2013 is op zich evenmin voldoende om het verzoek voor een doorlopende machtiging voor schenkingen aan de kinderen te wettigen. Nog daargelaten of deze schenkingen op zich voldoende blijk geven van een schenkingstraditie, deze zijn naar het oordeel van het hof onvoldoende aanleiding om een doorlopende machtiging te verlenen ten gevolge waarvan de rechterlijke toets op het restkapitaal zou komen te vervallen en er aldus geen rechterlijke controle meer zou zijn op de behartiging van de belangen van de vader, de curandus. Het hof overweegt daarbij dat het appellant vrij staat om ieder jaar bij de kantonrechter een verzoek te doen tot schenking van een deel van het vermogen van de vader, zodat op dat moment de meest recente stand van zaken kan worden betrokken in de beoordeling van het verzoek.

3.7.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, sector kanton, locatie Bergen op Zoom van 18 november 2014, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, M.C. Bijleveld-van der Slikke en

H.J. Witkamp en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2015.