Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:3712

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-09-2015
Datum publicatie
16-10-2015
Zaaknummer
13/01030
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:2434
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof Den Bosch oordeelt dat naheffingsaanslagen omzetbelasting terecht zijn opgelegd

Belanghebbende heeft over de tijdvakken 1 maart 2006 tot en met 31 maart 2006 en 1 maart 2007 tot en met 31 maart 2007 voorbelasting in aftrek gebracht ter zake van de levering en plaatsing van een staalconstructie/loods. De Inspecteur heeft de in aftrek gebrachte voorbelasting nageheven. De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag over het tijdvak 1 maart 2006 tot en met 31 maart 2006 verminderd en de naheffingsaanslag over het tijdvak 1 maart 2007 tot en met 31 maart 2007 in stand gelaten.

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Met de Rechtbank is het Hof van oordeel dat enkel ten aanzien van de levering van de staalconstructie aannemelijk is dat jegens belanghebbende is gepresteerd. In zoverre is terecht voorbelasting in aftrek gebracht. Ten aanzien van de overige aan belanghebbende gefactureerde bedragen is het Hof van oordeel dat jegens belanghebbende niet is gepresteerd, zodat ten onrechte aftrek van voorbelasting is geclaimd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/2249
FutD 2015-2558
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 13/01030

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 20 augustus 2013, nummer AWB 13/1660 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen naheffingsaanslag.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is onder aanslagnummer [aanslagnummer] over het tijdvak 1 maart 2006 tot en met 31 maart 2006 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd tot een bedrag van € 10.471 aan belasting, alsmede een beschikking heffingsrente tot een bedrag van € 1.690.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep alsmede het beroep in de zaak met kenmerk AWB 13/1661 heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende eenmaal griffierecht geheven van € 318.

De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag van € 7.003, de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig verminderd, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 472 en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht tot een bedrag van € 159 aan deze vergoedt.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 478.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft belanghebbende vóór de zitting een nader stuk ingediend. Dit stuk is in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 16 juli 2014 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, namens belanghebbende de heren [belanghebbende 2] , enig aandeelhouder en bestuurder van belanghebbende, en [A] , advocaat te [B] , alsmede, namens de Inspecteur, mevrouw [C] en de heer [D] .

1.6.

Het Hof heeft de zaak gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de zaak 13/01031. In laatstgenoemde zaak heeft het Hof het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. De behandeling van de onderhavige zaak is toen eveneens aangehouden.

1.7.

Het onderzoek ter nadere zitting heeft plaatsgehad op 20 maart 2015 te ‘s-Hertogenbosch. Bij aanvang van de zitting zijn partijen erop gewezen, dat de meervoudige Belastingkamer tijdens het onderzoek ter zitting op 16 juli 2014 was samengesteld uit mr. drs. P.A.M. Pijnenburg, mr. drs. T.A. Gladpootjes en mr. J.A. Meijer en dat de zaak verder wordt behandeld in een gewijzigde samenstelling van de Kamer door mr. drs. P.A.M. Pijnenburg, mr. drs. T.A. Gladpootjes en mr. W.P.J. Schramade, en dat de zaak wordt voortgezet, gelet op artikel 8:64, derde lid, van de Awb, in de stand waarin zij zich bevond op 16 juli 2014. Partijen hebben verklaard daar geen bezwaar tegen te hebben. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, namens belanghebbende de heren [belanghebbende 2] , enig aandeelhouder en bestuurder van belanghebbende, en [A] , advocaat te [B] , alsmede, namens de Inspecteur, mevrouw [C] en de heer [D] .

1.8.

De Inspecteur heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.9.

Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

1.10.

Van de beide zittingen is geen proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende dreef in 2006 een groot- en kleinhandel in gebruikte auto’s. De activiteiten bestonden vooral uit het restaureren en assembleren van trucks.

2.2.

Over het tijdvak 1 maart 2006 tot en met 31 maart 2006 heeft belanghebbende aangifte omzetbelasting gedaan naar een bedrag van -/- € 6.019, zijnde het saldo van de berekende omzetbelasting van € 5.349 en de voorbelasting van € 11.368. Het bedrag van € 6.019 heeft belanghebbende terugontvangen.

2.3.

Van het bedrag van voorbelasting van € 11.368 zag een bedrag van € 10.471 op twee facturen van [E] (hierna: [E] ) aan [F] , te weten:

Notanummer

Datum

Omschrijving

Bedrag

BTW 19 %

Totaal

251

29 maart 2006

Aan u geleverd staalconstructie loods

€ 36.862,60

€ 7.003,89

€ 43.866,49

252

29 maart 2006

Aan u geleverd staalconstructie loods

€ 18.250,00

€ 3.467,50

€ 21.717,50

Op de betreffende facturen staat een stempel ‘GEBOEKT’. Op de factuur met nummer 252 staat daarnaast handgeschreven ‘Kontant’. Volgens de facturen zouden de totaalbedragen per bank zijn betaald.

2.4.

[E] was destijds een onderneming van [G] . De onderneming is op 12 januari 2006 uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel uitgeschreven. [E] heeft de in rekening gebrachte omzetbelasting niet op aangifte voldaan.

2.5.

In 2008 heeft bij belanghebbende een boekenonderzoek plaatsgevonden waarbij renseignementen zijn opgemaakt van contante transacties, waaronder de onder 2.3 opgenomen facturen. Naar aanleiding van die renseignementen heeft de Belastingdienst/FIOD-ECD een strafrechtelijk onderzoek ingesteld naar [belanghebbende 2] (hierna: [belanghebbende 2] ) en [belanghebbende 1] .

2.6.

In het kader van het onder 2.5 vermelde strafrechtelijk onderzoek is [belanghebbende 2] op 15 juli 2010 als verdachte verhoord (V01-01). Tijdens dat verhoor heeft hij verklaard dat [G] de overkapping/loods wilde bouwen voor € 55.000, dat medio 2006 zal zijn begonnen met het bouwen van de loods, dat [G] toen is begonnen met de bouw, dat voor de bouw van de loods geen contracten zijn gesloten, dat de staalconstructie door [G] is besteld en geleverd en dat [G] niet gedaan heeft waarvoor hij is ingehuurd. Tijdens de bouw kwam er een opzichter van de gemeente [H] langs en deze legde de bouw op 11 mei 2006 stil, omdat voor de overkapping een vergunning nodig was. Na de bouwstop is [G] niet meer komen opdagen, aldus [belanghebbende 2] . Op de vraag wanneer de loods werd opgeleverd, heeft [belanghebbende 2] geantwoord: “Om en nabij op 8 juli 2008 toe[n] is de verlichting gemaakt”.

Voor wat betreft de betaling aan [G] heeft [belanghebbende 2] tijdens dat zelfde verhoor verklaard dat hij [G] contant heeft betaald in gedeelten, dat hij daarmee bedoelt dat hij [G] betaalde als hij een auto had verkocht, dat hij op een kladje de betaalde bedragen heeft bijgehouden en uiteindelijk het totaalbedrag in het kasboek van [belanghebbende 1] heeft vermeld als zijnde in één keer betaald.

Op de vraag waarom er twee facturen zijn opgemaakt voor de geleverde staalconstructie antwoordt [belanghebbende 2] dat hij daar niets over kan verklaren en dat de verbalisanten daarvoor bij [G] moeten zijn.

2.7.

In het kader van het onder 2.5 vermelde strafrechtelijke onderzoek is [J] , een werknemer van [belanghebbende 1] ., op 20 juli 2010 als verdachte gehoord (V03-01). [J] heeft verklaard dat [G] een hal kwam bouwen voor weinig geld, dat een vrachtwagen het staal kwam leveren, dat er toen een hoop staal stond waarmee vervolgens niets gebeurde en dat [G] is begonnen met de verbouwing. Voor wat betreft de betaling heeft [J] tijdens dat verhoor verklaard dat [G] in gedeelten betaald werd als er een auto werd verkocht en dat [J] ook wel eens geld betaald heeft aan [G] , maar dat hij niet meer weet hoeveel en waarvoor en wanneer.

2.8.

In het kader van het in 2.5 vermelde strafrechtelijk onderzoek is [G] op 22 juni 2010 als getuige gehoord (G06-01). [G] heeft verklaard dat hij alleen heeft bemiddeld tussen het constructiebedrijf van [K] in [L] en [belanghebbende 1] . voor het leveren van een staalconstructie, dat hij de facturen 251 en 252 heeft gemaakt om voor [K] geld los te krijgen van [belanghebbende 2] , dat hij de facturen naar [belanghebbende 2] heeft gezonden, dat niet hij, maar [K] de staalconstructie heeft geleverd en dat hij op beide facturen geen betaling heeft ontvangen.

2.9.

In het kader van het in 2.5 vermelde strafrechtelijk onderzoek is [M] , directeur van [N] BV, op 22 juni 2010 als getuige (G08-01) gehoord. [M] heeft verklaard dat hij samen met [G] in [vestigingsplaats] is geweest en dat hij via [G] in contact is gekomen met [belanghebbende 2] , dat hij op aangeven van [belanghebbende 2] met [G] de maten voor de staalconstructie voor een grote loods heeft bepaald, dat hij vervolgens tekeningen heeft gemaakt, dat hij de tekeningen met [G] heeft besproken, dat [G] hem daarna opdracht heeft gegeven de productie te starten en dat het geproduceerde staalwerk vervolgens een half jaar bij hem buiten heeft gelegen en dat de staalconstructie daarna is opgehaald. Voor de betaling van de constructie heeft [G] [M] verwezen naar [belanghebbende 2] , omdat [G] niet de opdrachtgever was; [G] wilde het adres en het telefoonnummer van [belanghebbende 2] niet noemen. [M] voelt zich opgelicht, hij heeft geen aangifte bij de politie gedaan en heeft het voor de staalconstructie in rekening te brengen bedrag als verliespost afgeboekt. Hij schat dat het factuurbedrag voor de staalconstructie ongeveer € 13.000 exclusief BTW zou zijn geweest.

2.10.

In het kader van het in 2.5 vermelde strafrechtelijk onderzoek is [P] , gemeenteambtenaar, op 17 augustus 2010 als getuige (G13-01) gehoord. [P] is toezichthouder bouw en controleert of de voorwaarden waaronder de bouwvergunning is afgegeven worden nageleefd. Op 15 januari 2008 heeft [P] de situatie ter plaatse beoordeeld en enkele foto’s gemaakt. Hij herinnert zich dat de staalconstructie toen volledig was geplaatst, de bestrating er toen ook lag, maar dat was volgens hem de bestaande bestrating, het dak nog niet dicht was en de lichtstraat nog niet was geplaatst. Volgens hem was de loods rondom dicht gemaakt met wandprofielen, maar zaten de deuren en kozijnen er niet in.

2.11.

De Belastingdienst/FIOD-ECD heeft geconcludeerd dat de onder 2.3 opgenomen facturen vervalst zijn. In het eindproces-verbaal van 9 september 2010, opgemaakt door de verbalisanten van de Belastingdienst/FIOD-ECD, [Q] en [R] , is ter zake van die facturen opgenomen:

6.2. Facturen [E]

Bij aanvang van het onderzoek bestond het vermoeden dat twee facturen van [E] gericht aan [belanghebbende 1] ., vals zij opgemaakt en/of vervalst.

Het betreft de volgende facturen:

• een factuur inzake de levering van een staalconstructie voor een bedrag van € 36.862,60 exclusief omzetbelasting, met dagtekening 29-03-2006 en nummer 251 (bijlage D-002);

• een factuur inzake de levering van een staalconstructie voor een bedrag van € 18.250,00 exclusief omzetbelasting, met dagtekening 29-03-2006 en nummer 252 (bijlage D-003).

Wij verbalisanten, hebben onder meer het volgende bevonden:

• [G] heeft met verdachte [belanghebbende 2] mondeling afgesproken dat hij een overkapping voor [belanghebbende 2] en/of [belanghebbende 1] . zou bouwen voor € 55.000;

• [G] bestelt een staalconstructie bij [N] B.V. voor ongeveer € 13.000;

• [N] B.V. produceert de constructie en [G] laat de staalconstructie afleveren bij [belanghebbende 2] ;

• [G] verricht het grondwerk, plaatst enkele profielen van de geleverde staalconstructie en krijgt daarna ruzie met [belanghebbende 2] en komt vervolgens nooit meer terug.

In de administratie van [belanghebbende 1] . treffen wij, verbalisanten, de twee hiervoor genoemde facturen aan. Volgens het kasboek van [belanghebbende 1] . (bijlage D-048) zijn de factuurbedragen contant betaald door [belanghebbende 2] op respectievelijk 18-4-2006 en 30-6-2006. [G] ontkent de betalingen.

Verder komt uit het onderzoek naar voren dat:

• er twee facturen zijn opgemaakt op naam van [E] met als omschrijving “Aan u geleverd staalconstructie loods”

• beide facturen hebben als dagtekening 29-3-2006;

• de facturen hebben een opvolgend nummer hebben: 251 en 252;

• volgens het Belastingdienstsysteem BVR was [E] een onderneming van [G] en was [G] “vertrokken en onbekend waarheen” ten tijde van het boekenonderzoek;

• [E] is op 12-1-2006 uitgeschreven uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.

Uit het bovenstaande, in onderlinge samenhang en verband bezien, komt naar voren dat de twee facturen van [E] gericht aan [belanghebbende 1] . vermoedelijk vals of vervalst zijn, omdat:

• tweemaal op dezelfde dag een staalconstructie is geleverd;

• dat daar twee facturen opgemaakt zijn met dezelfde omschrijving en dagtekening;

• dat het totaalbedrag van de twee facturen, € 65.583,99, contant betaald is;

• contante betalingen van dergelijke bedragen zeer ongebruikelijk zijn in de bouw;

• de prijs van de staalconstructie volgens [M] € 13.000 is;

• [E] niet (meer) actief was ten tijde van de leveringen;

• [G] naast de levering van de staalconstructie geen substantiële werkzaamheden heeft verricht;

• [G] nooit invorderingsacties heeft ondernomen jegens [belanghebbende 2] en/of [belanghebbende 1] .”

2.12.

Voor het tijdvak 1 maart 2007 tot en met 31 maart 2007 heeft belanghebbende ter zake van een factuur van [S] ten bedrage van € 85.977,50 inclusief BTW, een bedrag aan voorbelasting in aanmerking genomen van € 13.727,50. Deze factuur heeft de volgende omschrijving:

“Het betreft hier een factuur voor verrichte werkzaamheden aan het bedrijfspand.

Overzicht van de werkzaamheden:

- het uitgraven en storten van de fundering

- het leveren en het plaatsen van de staalkonstruktie

- het schilderen van het gehele pand alle deuren ramen en kozijnen en wanden

- het leveren en het maken van het kompleten dak

- het leveren en het plaatsen van de lichtstraten

- het leveren en het plaatsen van de wandprofielen die allemaal brandwerend zijn

- het afvoeren van alle puin en rotzooi

- het slopen en het afvoeren van het bestaande dak met toebehoren

- het leveren en het maken van 400m2 straatwerk

- het gehele pand schoon opleveren zowel binnen als buiten”

De factuur ziet op de vervaardiging van dezelfde loods/overkapping als die [E] zou vervaardigen.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op vraag of de Inspecteur over het tijdvak 1 maart 2006 tot en met 31 maart 2006 terecht een naheffingsaanslag aan belanghebbende heeft opgelegd.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan, zij het dat de Inspecteur zich heeft neergelegd bij het oordeel van de Rechtbank dat de naheffingsaanslag dient te worden verminderd tot € 7.003 en de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig dient te worden verminderd.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben partijen hun standpunten herhaald en zo nodig nader toegelicht.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Artikel 2 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) bepaalt, voor zover van belang:

“Op de belasting verschuldigd ter zake van leveringen van goederen en diensten, wordt in aftrek gebracht de belasting ter zake van de aan de ondernemer verrichte leveringen van goederen en verleende diensten, (…)”

4.2.

Artikel 15 Wet OB bepaalt, voor zover van belang:

“1. De in artikel 2 bedoelde belasting welke de ondernemer in aftrek brengt, is:

a. de belasting welke in het tijdvak van aangifte door andere ondernemers ter zake van door hen aan de ondernemer verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur;

b. (…)”

4.3.

Artikel 35a Wet OB bepaalt, voor zover van belang:

“1. Op de factuur zijn de volgende vermeldingen verplicht:

a. de datum van uitreiking;

b. een opeenvolgend nummer, met één of meer reeksen, waardoor de factuur eenduidig wordt geïdentificeerd;

(…)

f. de hoeveelheid en de aard van de geleverde goederen of de omvang en de aard van de verrichte diensten;

g. de datum waarop de levering of de dienst heeft plaatsgevonden of is voltooid of de datum waarop de in artikel 35, eerste lid, onderdeel c, bedoelde vooruitbetaling is gedaan, voor zover die datum kan worden vastgesteld en verschilt van de uitreikingsdatum van de factuur;

(...)”

4.4.

Uit de wettelijke regeling volgt dat, wil een ondernemer in aanmerking komen voor aftrek van in rekening gebrachte belasting, voldaan moet worden aan drie voorwaarden: 1. de belasting is aan de ondernemer in rekening gebracht; 2. de belasting heeft betrekking op een aan hem verrichte prestatie, en 3. de belasting is vermeld op een correcte factuur.

4.5.

De Inspecteur betoogt dat de voorbelasting van € 10.471 op de twee facturen van [E] door belanghebbende niet in aftrek kan worden gebracht, omdat [E] , anders dan ter zake van de levering van de staalconstructie, niet jegens belanghebbende heeft gepresteerd, dat de in de administratie van belanghebbende opgenomen facturen van [E] vervalst waren en dat de facturen niet voldoen aan de vereisten van artikel 35a, eerste lid, onderdelen f en g, Wet OB. De Inspecteur voert in dit verband aan dat:

- er twee facturen zijn opgemaakt op naam van [E] met als omschrijving “Aan u geleverde staalconstructie loods”;

- beide facturen dezelfde dagtekening hebben, te weten 29 maart 2006;

- de facturen een opvolgend nummer hebben, namelijk 251 en 252;

- [E] al op 12 januari 2006 is uitgeschreven uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel;

- [G] heeft ontkend dat hij jegens belanghebbende heeft gepresteerd;

- er enkel een mondelinge overeenkomst is gesloten voor een bouwproject van € 55.000, hetgeen ongebruikelijk is;

  • -

    het totaalbedrag van € 65.583,99, inclusief BTW, contant betaald zou zijn, zonder dat er kwitanties of afgetekende facturen aanwezig zijn;

  • -

    contante betalingen van dergelijke bedragen zeer ongebruikelijk in de bouw zijn;

  • -

    gebruikelijk is dat deelfacturen uitgereikt worden;

  • -

    [G] naast de levering van de staalconstructie geen substantiële werkzaamheden heeft verricht;

  • -

    naast de door [E] gefactureerde staalconstructies er in 2007 wederom een staalconstructie gefactureerd is; dit maal door [S] .

4.6.

Naar het oordeel van het Hof maakt de Inspecteur met hetgeen hij heeft aangevoerd aannemelijk dat [E] , behoudens de levering van de staalconstructie, jegens belanghebbende niet heeft gepresteerd. In dat verband acht het Hof, zoals hieronder nader zal worden uiteengezet, met name van belang dat [G] , behoudens de levering van de staalconstructie, amper werkzaamheden ten behoeve van belanghebbende heeft verricht, er geen schriftelijke overeenkomst is tussen belanghebbende en [E] , dat belanghebbende niet over betalingsbewijzen beschikt en dat de bedragen in het kasboek niet corresponderen met de wijze waarop belanghebbende verklaard heeft te hebben betaald.

4.6.1.

Voor wat de door [G] verrichte werkzaamheden betreft, stelt het Hof vast dat uit de omschrijving op de twee facturen van [E] enkel kan worden afgeleid dat [E] een staalconstructie zal leveren. Van overige door [E] te verrichten werkzaamheden blijkt niets. Voorts verklaart belanghebbende zelf dat [G] na de bouwstop niet meer is komen opdagen. De tot de bouwstop (door [G] ) verrichte werkzaamheden zijn beperkt. Naar het Hof begrijpt was [G] enkel aangevangen met de graaf- en grondwerkzaamheden en heeft hij een aanvang gemaakt met het plaatsen van de staalconstructie. Gegeven de omschrijving op de factuur en het feit dat [G] nauwelijks werkzaamheden voor belanghebbende heeft verricht (nauwelijks heeft gepresteerd), laat het zich naar het oordeel van het Hof niet goed denken dat belanghebbende, behoudens de betaling voor de staalconstructie, substantiële bedragen aan [G] heeft betaald. Bovendien is het merkwaardig, aldus het Hof, dat de betalingen al in maart en juni 2006 zouden hebben plaatsgevonden, terwijl de loods eerst medio 2008 gereed is gekomen.

4.6.2.

[belanghebbende 2] is sedert 2001 eigenaar van [belanghebbende 1] ., derhalve een ervaren ondernemer, beschikt over een VWO-diploma en heeft nadien een HBO-opleiding gevolgd. [belanghebbende 2] beslist binnen [belanghebbende 1] . wat er gebeurt. Alsdan laat het zich naar het oordeel van het Hof niet goed denken dat ter zake van een investering van € 65.583,99, inclusief BTW, geen overeenkomst wordt opgemaakt waarin over en weer tussen partijen rechten en verplichtingen worden vastgelegd, zoals de termijn waarbinnen de bouw dient plaats te vinden en welke sancties gelden als die termijn wordt overschreden, de kwaliteitseisen waaraan het bouwwerk dient te voldoen, de termijnen waarbinnen moet worden betaald, etc.; kortom waarin onder andere de prestaties die [E] jegens belanghebbende dient te verrichten, worden vastgelegd.

4.6.3.

Naar het oordeel van het Hof laat het zich evenmin goed denken dat (een ervaren ondernemer als) [belanghebbende 2] van [E] wegens jegens haar verrichte prestaties geen betalingsbewijzen in verband met door haar gedane contante betalingen heeft verlangd. Dit klemt te meer omdat het hier om behoorlijke bedragen ging. De risico’s van het niet beschikken over betalingsbewijzen zijn evident: er kunnen geschillen ontstaan over de hoogte van de bedragen die zijn betaald, zoals in het onderhavige geval waarin [E] zich op het standpunt stelt niets van belanghebbende te hebben ontvangen. Een redelijk handend ondernemer, waaronder het Hof belanghebbende schaart, zal beschikken over betalingsbewijzen.

4.6.4.

Tot slot verzwakt belanghebbende haar (bewijs)positie doordat de bedragen die in het kasboek als contante betalingen aan [E] zijn verantwoord niet stroken met de verklaringen die [belanghebbende 2] en [J] hebben afgelegd. Blijkens het kasboek zouden op 18 april 2006 en op 30 juni 2006 respectievelijk € 43.866,49 en € 21.717,50 zijn voldaan, terwijl zowel [belanghebbende 2] als [J] hebben verklaard dat beide bedragen in gedeelten op verschillende tijdstippen voldaan zijn uit de opbrengst van verkoop van auto’s. Het kasboek geeft derhalve geen getrouw beeld van het feitelijk reilen en zeilen van de onderneming en roept daardoor ook twijfel op bij de op 18 april 2006 en 30 juni 2006 verantwoorde uitgaven. Die twijfel wordt versterkt door het feit dat alle andere betalingen die met het oog op de levering en de plaatsing van de loods zijn gedaan per bank zijn betaald.

4.7.

Nu het Hof tot het oordeel komt dat aannemelijk is dat [E] , behoudens de levering van de staalconstructie, niet jegens belanghebbende heeft gepresteerd, bestaat voor belanghebbende geen recht op aftrek voorbelasting van het bedrag van € 7.003,89 (factuur 251), is de naheffingsaanslag in zoverre terecht opgelegd, en behoeft hetgeen de Inspecteur overigens nog heeft aangevoerd geen nadere behandeling.

Slotsom

4.8.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.9.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.10.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5 Beslissing

Het Hof

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond, en

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 25 september 2015 door P.A.M. Pijnenburg, voorzitter, T.A. Gladpootjes en W.P.J. Schramade, in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.