Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:3710

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-09-2015
Datum publicatie
24-09-2015
Zaaknummer
20-002912-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Volgt nog.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 20-002912-14

Uitspraak: 23 september 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 19 september 2014 in de strafzaak met parketnummer 01-879223-13 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid - Gevangenis De Geerhorst te Sittard.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is verdachte vrijgesproken van de onder 1 impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord en van het onder 2 en 3 ten laste gelegde en is hij ter zake van de onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] beslist.

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is in de appelakte van de verdediging uitdrukkelijk beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 1 is ten laste gelegd.

Blijkens de appelschriftuur van de officier van justitie is het hoger beroep van de zijde van het openbaar ministerie gericht tegen de vrijspraken van hetgeen aan de verdachte onder 1 impliciet primair (poging tot moord) en 3 is ten laste gelegd. Het openbaar ministerie heeft te kennen gegeven dat het hoger beroep niet is gericht tegen de vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen aan verdachte onder 1 impliciet primair (poging tot moord) en onder 3 ten laste is gelegd en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht en met teruggave van de in beslaggenomen voorwerpen aan verdachte.

De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] zal worden toegewezen tot een bedrag van €1.020,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 september 2013 en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel tot dat bedrag.

Door de raadsman van verdachte is integrale vrijspraak bepleit en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 22 september 2013 te Eindhoven ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool, althans een vuurwapen, (van korte afstand en/of dicht nabij en/of gericht) een kogel heeft afgevuurd op, althans in de richting van, het hoofd van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.
hij op een of meer tijdstippen op of omstreeks 22 september 2013 te Eindhoven (telkens) opzettelijk heeft vervoerd/verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt aan [betrokkene] , in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkwamen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak feit 3

Het hof is - met de verdediging - van oordeel dat bij gebrek aan voldoende wettige bewijsmiddelen niet kan worden bewezen dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Daartoe overweegt het hof het volgende.

Vaststaat dat verdachte op de avond van 21 september 2013 tussen 22.00 uur en 22.15 uur op verzoek van [betrokkene] naar het tunneltje tegenover het Esso tankstation te Eindhoven is gekomen teneinde hem drugs te leveren. [betrokkene] heeft verklaard dat het om cocaïne ging. De verdachte heeft verklaard dat hij weed ten verkoop bij zich heeft gehad en géén cocaïne.

Het hof stelt op basis van de stukken in het dossier vast dat verdachte in ieder geval enige vorm van verdovende middelen aanwezig heeft gehad. Gelet op de door verdachte en [betrokkene] genoemde verkoopprijzen (twee zakjes voor € 20,- resp. twee zakjes voor € 15,-) en gelet op de ambtshalve bekende straatwaarde van reguliere cocaïne (€ 50,- per gram) kan echter naar het oordeel van het hof geen sprake zijn geweest van ‘reguliere’ cocaïne.

Er zijn weliswaar aanwijzingen dat het om crack ging, de goedkopere, rookbare variant van cocaïne, aangezien [betrokkene] en [betrokkene] spreken over het roken van de eerder die avond door dezelfde dealer geleverde cocaïne, maar het hof acht dit te weinig om een veroordeling op te baseren.

Bij gebrek aan overige bewijsmiddelen (er is bij verdachte of bij [slachtoffer] , die de te leveren drugs bij verdachte heeft weggenomen, geen cocaïne aangetroffen of in beslag genomen) dat sprake is geweest van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zal het hof de verdachte vrijspreken van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 van de Opiumwet gegeven verbod.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 (impliciet subsidiair) ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 22 september 2013 te Eindhoven ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven met dat opzet met een pistool van korte afstand een kogel heeft afgevuurd in de richting van het hoofd van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkorte arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkorte arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Door de raadsman van de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep - zoals verwoord in de pleitnota - bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit, aangezien onvoldoende wettig bewijs voorhanden is om bewezen te verklaren dat het verdachte is geweest die op 22 september 2013 op aangever [slachtoffer] heeft geschoten.

Het hof overweegt als volgt.

Voor zover de raadsman het standpunt heeft ingenomen dat er geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat het verdachte is geweest die met een pistool een schot in de richting van het hoofd van [slachtoffer] heeft gelost, overweegt het hof dat dit standpunt wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang en (tijds)verband bezien.

Met de advocaat-generaal en evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat verdachte de persoon is geweest, gebruikmakend van de telefoonnummers [telefoonnummer] en [telefoonnummer] , die door de drugsgebruikers [slachtoffer] , [betrokkene] en [betrokkene] als ‘de dealer’ wordt aangeduid. Het hof neemt daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft zowel in eerste aanleg als ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij op 21 september 2013 omstreeks 22.00 uur ter hoogte van het Esso tankstation te Eindhoven is beroofd van een hoeveelheid verdovende middelen door onder andere [betrokkene] en de voor hem onbekende [slachtoffer] en [betrokkene] . De verdachte heeft erkend dat hij vanaf dat moment veelvuldig telefonisch contact heeft gezocht met [betrokkene] . Het telefoonnummer dat verdachte destijds in gebruik had was [telefoonnummer] .

Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 22 september 2013 omstreeks 2.00 uur op de [adres] te Eindhoven achterna is gezeten door een jongen die vervolgens op korte afstand een pistool heeft afgevuurd in de richting van zijn hoofd. Uit zijn verklaring komt voorts naar voren dat de persoon die hem die nacht heeft beschoten dezelfde persoon is geweest die hij, [slachtoffer] , kort daarvoor samen met [betrokkene] en [betrokkene] had beroofd van een hoeveelheid verdovende middelen.

De stellingname van de verdediging dat aangever [slachtoffer] de beroofde dealer ten onrechte naar voren heeft geschoven als de schutter, acht het hof niet aannemelijk geworden. Het hof ziet namelijk geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de kern van de verklaring van [slachtoffer] dat verdachte ‘de dealer’ is en dus de schutter is geweest, aangezien deze verklaring op onderdelen worden ondersteund door de overige bewijsmiddelen.

In het proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 december 2013 (p. 373) is gerelateerd dat de getuige [betrokkene] over de dealer van de hem bekende [betrokkene] heeft verklaard. [betrokkene] heeft verklaard dat hij wist dat deze dealer ‘Jones’ werd genoemd.

Het hof merkt in dit kader op dat verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij onder meer ‘Jones’ wordt genoemd.

Telefoongegevens

Door [betrokkene] is verklaard dat hij op 21 september 2013 vanaf ongeveer 21.00 uur tot ongeveer het tijdstip van het plegen van de ripdeal diverse malen telefonisch contact heeft gehad met een persoon die handelt in cocaïne en die hem ook cocaïne heeft geleverd. Uit zijn verklaring en uit de analyse van zijn telefoon (met nummer [telefoonnummer] ) blijkt dat dit contact heeft plaatsgevonden met het nummer [telefoonnummer] .

Naar aanleiding van het aantreffen en inbeslagneming van een mobiele telefoon, merk Samsung, in de woning van verdachte aan de [adres] te Eindhoven is nader onderzoek ingesteld. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep ook bevestigd dat dit toestel bij hem in gebruik was. Uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 december 2013 (p. 414) blijkt dat in voornoemd toestel twee simkaarten hadden gezeten te weten:

  • -

    [telefoonnummer] , op naam van verdachte [verdachte]

  • -

    [telefoonnummer] , volgens aangever [slachtoffer] betreft dit het nummer van de dealer die door [betrokkene] is gebeld op 21 september 2013 en die vervolgens is beroofd.

Voorts blijkt dat de simkaart met het nummer [telefoonnummer] in de periode van 20 tot en met 22 september 2013 constant in het betreffende toestel heeft gezeten. Tijdens de doorzoeking in de woning van verdachte werd tevens een Lebara mobilekaart aangetroffen, waaruit de simkaart was gedrukt. Op deze Lebara mobilekaart stond dat de uitgedrukte simkaart was gekoppeld aan het telefoonnummer [telefoonnummer] .

Uit de historische printgegevens is het hof gebleken dat er tussen 21 september 2013 om 22.18 uur en 22 september 2013 om 0.50 uur sprake is geweest van 33 (pogingen tot) telefonische contacten (bellen of sms) tussen verdachte en [betrokkene] , waarvan 11 inkomend van verdachte bij [betrokkene] en 22 uitgaand van [betrokkene] naar verdachte. Daarbij gebruikte verdachte het telefoonnummer [telefoonnummer] (dossierpagina’s 333-335).

Uit de historische gegevens blijkt tevens dat deze contacten van [betrokkene] en verdachte tussen 23.00 uur en 00.57 uur die nacht vanuit [betrokkene] uitsluitend werden afgewisseld met (een zevental) contacten tussen [betrokkene] en [slachtoffer] (dossier pagina’s 331-332A).

Vervolgens blijkt uit de telefoongegevens van aangever [slachtoffer] dat er tussen 22.58 uur en 01.55 uur zeven keer (een poging tot) telefonisch contact is geweest vanuit het telefoonnummer van verdachte naar het telefoonnummer van aangever [slachtoffer] .

Zulks ondersteunt de verklaring van [betrokkene] bij de politie dat zijn dealer (het hof begrijpt: verdachte) hem die nacht bleef bellen en dat zijn dealer het adres wilde hebben van [slachtoffer] .

Getuige [naam]

Ten tijde van de schietpartij bevond zich een aantal personen in de directe nabijheid van aangever [slachtoffer] , onder wie M.N.G. [naam] , de dochter van zijn (ex-)vriendin.

Voor zover de raadsman het standpunt heeft ingenomen dat de verklaring van de getuige M.N.G. [naam] , alsmede de herkenning van verdachte door deze getuige niet betrouwbaar zou zijn, overweegt het hof als volgt.

Bij het verhoor als getuige heeft [naam] op 18 december 2013 tegenover de politie verklaard (p. 451) dat zij degene die op de [adres] te Eindhoven had geschoten na het incident nog had gezien. De schutter was naar [naam] toegelopen en had tegen haar gezegd: “Nog sorry toen van die kogel”, aldus de getuige [naam] . Tijdens dat verhoor is door [naam] een signalement gegeven van de schutter.

Een dag later, tijdens het verhoor van 19 december 2013 (p. 454), wordt aan de getuige [naam] een foto getoond met daarop drie personen (foto op p. 457). Hierop heeft de getuige verklaard: “Ja, dat is hem. De middelste. En de persoon met het rode petje is er ook bij.” (…) “Het zijn allebei dealers.” (…) “Over de herkenning van de twee personen op de foto twijfel ik geen moment.”

Voorts is aan de getuige [naam] nog een foto getoond, waarop twee personen staan die aan het eten zijn (foto op p. 456). Hierop verklaarde de getuige [naam] : “Dat zijn ze ook. De schutter staat links op de foto en de schopper met het rode petje staat rechts op de foto.”

Naar aanleiding van voornoemd verhoor en het tonen van de foto’s aan de getuige [naam] is een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt (p. 458), waaruit naar voren komt dat [naam] meteen nadat de eerste foto aan haar werd getoond, half uit haar stoel naar voren kwam en meteen de middelste persoon op de foto aanwees en dat zij zeer resoluut en pertinent zeker was van haar herkenning. Uit het proces-verbaal bevindingen met nummer 20131017.1300.81251 (p. 459-463) blijkt dat de middelste persoon respectievelijk de linker persoon op de aan de getuige [naam] getoonde eerste en tweede foto de verdachte [verdachte] betrof.

Anders dan de raadsman ziet het hof geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen en de herkenning van [naam] . Dat deze getuige in latere verklaringen anders heeft verklaard, doet naar het oordeel van het hof niet af aan de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van haar eerdere verklaringen. Te meer nu de getuige [naam] in haar eerdere verklaringen over een ontmoeting met de schutter heeft verklaard, waarna een signalement tot stand is gekomen en vervolgens een stellige herkenning van verdachte op de door de politie getoonde foto’s.

Technisch bewijs

Ter ondersteuning van de hierboven genoemde bewijsmiddelen acht het hof de navolgende bevindingen van belang.

Onder verdachte is een jas in beslag genomen en onderzocht door deskundige ing. R.C. Roepnarain van het Nederlands Forensisch Instituut. Op basis van de camerabeelden van het Esso tankstation kan naar het oordeel van het hof worden vastgesteld dat verdachte deze jas in ieder geval heeft gedragen op de avond van 21 september 2013, oftewel enkele uren voorafgaand aan het onderhavige incident op 22 september 2013. Het schotrestenonderzoek heeft uitgewezen dat op een van de mouwen van de jas een categorie A deeltje is aangetroffen. Door de deskundige is geconcludeerd dat met het aantreffen van categorie A deeltjes een vrijwel zekere relatie wordt aangetoond met een schietproces.

Het hof acht de verklaring van verdachte in hoger beroep dat hij nooit bij enig schietincident betrokken is geweest en ook nooit munitie in handen heeft gehad, niet geloofwaardig.

Het verweer van de verdediging dat niet kan worden vastgesteld dat de onder verdachte in beslaggenomen jas is gedragen op 21/22 september 2013, wordt door het hof verworpen.

Op de camerabeelden van het Esso tankstation is te zien dat verdachte een zwart gewatteerde driekwartjas droeg met op de linkerborstzijde een merkteken en op de rechtermouw een merkteken. Deze jas komt in detail overeen met de aangetroffen jas tijdens de doorzoeking in de woning van verdachte. Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een andere jas dan wel dat verdachte op het tijdstip van de schietpartij een andere jas zou hebben gedragen dan op de beelden bij de Esso te zien is.

Het door de raadsman geschetste alternatieve scenario van secundaire (tertiaire dan wel quartaire) overdracht, waarbij de jas tijdens het veiligstellen door politiepersoneel met blote handen is aangeraakt als gevolg waarvan schotrestdeeltjes kunnen zijn verplaatst, is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden. Daarbij neemt het hof aan aanmerking dat schotrestdeeltjes vanuit politievuurwapens gemarkeerde schotrestdeeltjes betreffen, welke niet op de jas van verdachte zijn aangetroffen.

Dat er DNA-sporen van verdachte op de huls terecht zouden kunnen zijn gekomen doordat de huls op de [adres] in aldaar van verdachte op het trottoir achtergebleven speeksel zou zijn gevallen, zoals de raadsman heeft geopperd, acht het hof een geenszins geloofwaardig scenario.

De stelling van de verdediging dat de op de huls eveneens aangetroffen 45 SGM+ DNA-profielen kunnen worden opgewerkt tot evenzovele NGM DNA-profielen, hetgeen betekent dat er nog eens 45 andere personen aan de huls gelinkt zouden kunnen worden, vindt geen steun in de door de deskundige Herbergs ter terechtzitting van het hof afgelegde verklaring. Daaruit blijkt immers dat de opwerking van al deze profielen in theorie mogelijk is, maar dat dit naar verwachting slechts een zeer gering aantal zo niet slechts een enkel NGM DNA-profiel zal opleveren. Een andere mogelijkheid is dat alle 45 SGM+ DNA-profielen zullen worden uitgesloten.

Voorts werd op de plaats delict een huls aangetroffen en ten behoeve van DNA-vergelijkend onderzoek verzonden naar The Maastricht Forensic Institute (hierna: TMFI). In de bemonstering van de huls is door dr. P.J. Herbergs een DNA-mengprofiel aangetoond met celmateriaal van minimaal drie donoren. Het DNA-profiel is vergeleken met de DNA-databank voor strafzaken. Dit resulteerde in 46 matches waarvan 45 SGM+ DNA-profielen en 1 NGM DNA-profiel. Het NGM DNA-profiel met zegelnummer [nummer] is handmatig vergeleken met het verkregen DNA-profiel.

Het zegelnummer [nummer] behoort toe aan het referentiemateriaal afkomstig van de verdachte C.W.J.K. [verdachte] (geboren 27 oktober 1991) (los proces-verbaal sporenonderzoek, PL2219-2013132050-5).

Door dr. P.J. Herbergs, forensisch DNA-deskundige bij DNalysis Maastricht, zijn naar aanleiding van het voorgaande twee, elkaar uitsluitende hypothesen, opgesteld:

- Hypothese 1: de bemonstering van het spoor bevat DNA van verdachte [verdachte] en twee onbekende personen.

- Hypothese 2: de bemonstering van het spoor bevat DNA van drie onbekende personen.

In hoger beroep heeft de deskundige naar aanleiding van vragen van de raadsman van verdachte opnieuw de likelihoodratio bepaald, thans aan de hand van het voor de waardebepaling daarvan bij complexe profielen inmiddels in gebruik zijnde statistische programma LRmix Studio.

Als conclusie komt daaruit naar voren dat de resultaten van het onderzoek zeer veel waarschijnlijker (10.000-1.000.000) zijn wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is. De frequentie van de DNA-kenmerken die overeenkomen is kleiner dan 1 op 1 miljard, aldus de deskundige Herbergs.

Alibi van de verdachte

De verklaring van verdachte ter terechtzitting is hoger beroep dat hij zich op het moment van de schietpartij in een uitgaansgelegenheid op het Stratumseind in Eindhoven bevond, acht het hof niet geloofwaardig.

Opzet

Tegen de achtergrond van de gebezigde bewijsmiddelen en van hetgeen hiervoor is overwogen, in onderlinge samenhang en (tijds)verband bezien, staat naar het oordeel van het hof vast dat verdachte degene is geweest die heeft geschoten op [slachtoffer] .

Het hof is verder van oordeel dat de door de verdachte verrichte gedraging - het op zeer korte afstand schieten in de richting van het hoofd van het slachtoffer - naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zo zeer is gericht op het overlijden van het slachtoffer dat het niet anders kan zijn dan dat hij dat gevolg ook heeft gewild. Het hof is derhalve van oordeel dat het opzet van de verdachte op de dood van het slachtoffer was gericht.

Het hof verwerpt de verweren van de raadsman.

Geen voorbedachte raad

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. De advocaat-generaal heeft daartoe aangevoerd dat verdachte zich enige tijd heeft kunnen beraden en niet gehandeld heeft in een ogenblikkelijke gemoeds-opwelling, zodat hij gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen daad.

Door de raadsman is ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde aangevoerd dat er onvoldoende bewijs voorhanden is om te komen tot het oordeel dat verdachte zou hebben gehandeld met voorbedachte raad.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de hierboven door het hof weergegeven telefonische contacten blijkt inderdaad dat verdachte gedurende enkele uren actief op zoek is geweest naar degene die hem eerder op de avond had overvallen en van verdovende middelen (en zijn fiets) had beroofd. Dit kan erop duiden dat verdachte wel de gelegenheid heeft gehad om na te denken.

Uit de stukken komt echter tevens naar voren dat verdachte gedurende die de telefonische contacten met [betrokkene] agressief overkwam. Uit de omtrent de persoon verdachte opgemaakte rapportages blijkt voorts dat in het verleden is vastgesteld dat er bij verdachte aandacht zou moeten zijn voor het hanteren van emoties, met name boosheid, in het sociale verkeer.

Aangezien het hof ervan uitgaat dat de ripdeal de directe aanleiding is geweest voor de schietpartij, kan het hof – in aanmerking genomen een mogelijke problematische emotieregulatie bij verdachte, welke bevestiging zou kunnen vinden in de agressieve toon waarvan [betrokkene] rept – niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat verdachte enig moment van kalm beraad en rustig overleg heeft gehad.

Verdachte wordt derhalve vrijgesproken van de onder 1 impliciet ten laste gelegde poging tot moord.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Poging tot doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Bij de bepaling van de duur van de op te leggen gevangenisstraf heeft het hof rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat verdachte met een pistool op korte afstand in de richting van het hoofd van het slachtoffer heeft geschoten, waarbij de kogel schier rakelings langs zijn hoofd is gegaan doordat het slachtoffer wegdook, waarbij een 8 cm lange rafelige hoofdwond is ontstaan, welke gehecht moest worden;

- het gewelddadig karakter van het bewezen verklaarde, waarvan zowel verdachte als ook directe omstanders getuige zijn geweest, en de maatschappelijke verontrusting die daarvan het gevolg is;

- de omstandigheid dat slachtoffers als gevolg van een feit als bewezen verklaard - naast de lichamelijk gevolgen - nog langdurig last plegen te hebben van nadelige psychische gevolgen, zoals gevoelens van angst en onveiligheid.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 6 augustus 2015, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder door de strafrechter is veroordeeld voor een geweldsdelict;

- de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Alles in ogenschouw nemend komt het hof tot het oordeel dat in het onderhavige geval de oplegging van een gevangenisstraf als eerder door de rechtbank is opgelegd passend en geboden is.

Beslag

Van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven goederen, zoals in het dictum genoemd, zal de teruggave aan de verdachte worden gelast.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.398,90. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.020,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 45, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof

onderworpen - en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair (poging tot moord) en onder 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair (poging tot doodslag) ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 mobiele telefoon, kleur zwart, LG (goednr. 728924);

- 1 mobiele telefoon, kleur zwart, SAMSUNG R21D62JQ5CH (goednr. 728920);

- 1 trainingsbroek, kleur grijs, ADIDAS (goednr. 728913);

- 1 shirt, kleur wit, WE polo (goednr. 728896);

- 1 Lebara simkaarthouder zonder simkaart (goednr. 728951);

- 1 mobiele telefoon, kleur zwart, BLACKBERRY (goednr. 728917);

- 1 jas, kleur zwart, Ralph Lauren (goednr. 728847).

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.020,00 (duizend twintig euro) bestaande uit € 20,00 (twintig euro) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 22 september 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.020,00 (duizend twintig euro) bestaande uit € 20,00 (twintig euro) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 22 september 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. R.R. Everaars-Katerberg, voorzitter,

mr. A.R. Hartmann en mr. A.H. Klip, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.C.H. Verhoeven-van der Heijden, griffier,

en op 23 september 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. R.R. Everaars-Katerberg en mr. A.H. Klip zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.