Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:3709

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-09-2015
Datum publicatie
23-09-2015
Zaaknummer
20-003665-14
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2014:10041, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:1346, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Hof veroordeelt verdachte - anders dan de rechtbank - tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden en een rijontzegging voor de duur van 4 jaar ter zake van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, meermalen gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2016/4
VR 2016/104
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003665-14

Uitspraak : 23 september 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg van
21 november 2014 in de strafzaak met parketnummer 03-659210-13 tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1980,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis van beroep werd:

  • -

    verdachte vrijgesproken van de primair ten laste gelegde overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994;

  • -

    verdachte voor overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht alsmede tot een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar met een proeftijd van 2 jaren;

  • -

    aan verdachte de teruggave gelast van de in beslag genomen personenauto en gsm.

De officier van justitie heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende:

  • -

    de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht alsmede tot ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 jaren;

  • -

    de in beslag genomen voorwerpen zal teruggeven aan verdachte.

De verdediging heeft:

  • -

    bepleit dat verdachte zal worden vrijgesproken van het hem primair ten laste gelegde;

  • -

    zich gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primair
hij op of omstreeks 19 mei 2013 te Meijel, in elk geval in de gemeente Peel en Maas, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Heldensedijk, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, althans door zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of onachtzaam,

een in die Heldensedijk gelegen (flauwe) bocht naar links in en/of door te rijden met een hoge snelheid, althans met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse,

en/of (vervolgens) de controle over zijn, verdachtes, voertuig geheel of gedeeltelijk te verliezen

en/of (vervolgens) op de gezien zijn, verdachte, rijrichting, linkerweghelft terecht te komen

en/of (vervolgens) zijn, verdachtes, voertuig naar rechts te sturen en/of (vervolgens) op de rechterweghelft terecht te komen,

waarna verdachte, met het door hem bestuurde voertuig in de rechterberm van die Heldensedijk terecht is gekomen en/of (vervolgens) via die berm en/of een in die berm gelegen heg/haag op het rechts naast die weg gelegen fietspad terecht is gekomen

en/of (vervolgens) op dat fietspad in botsing of aanrijding is gekomen met (een) zich op dat fietspad bevindende fietser(s) en/of een zich op een van die fietsen bevindende passagier,

door welk verkeersongeval

- [slachtoffer 1] (fietser),

- [slachtoffer 2] (fietser) en

- [slachtoffer 3] (passagier)

werd(en) gedood;

subsidiair

hij op of omstreeks 19 mei 2013, te Meijel, in elk geval in de gemeente Peel en Maas,

als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Heldensedijk,

een in die Heldensedijk gelegen (flauwe) bocht naar links in en/of door is gereden met een hoge snelheid, althans met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse,

en/of (vervolgens) de controle over zijn, verdachtes, voertuig geheel of gedeeltelijk heeft verloren

en/of (vervolgens) op de gezien zijn, verdachte, rijrichting, linkerweghelft terecht is gekomen

en/of (vervolgens) zijn, verdachtes, voertuig naar rechts heeft gestuurd en/of (vervolgens) op de rechterweghelft terecht is gekomen,

waarna verdachte, met het door hem bestuurde voertuig in de rechterberm van die Heldensedijk terecht is gekomen en/of (vervolgens) via die berm en/of een in die berm gelegen heg/haag op het rechts naast die weg gelegen fietspad terecht is gekomen

en/of (vervolgens) op dat fietspad in botsing of aanrijding is gekomen met (een) zich op dat fietspad bevindende fietser(s) en/of een zich op een van die fietsen bevindende passagier,

door welke gedraging(en) van verdachte (telkens) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans (telkens) kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg (telkens) werd gehinderd, althans (telkens) kon worden gehinderd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijs

1. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en
[verbalisant 3] , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van verbalisanten:

Op 19 mei 2013, omstreeks 10.45 uur, kregen wij het verzoek om met spoed te gaan naar de Heldensedijk te Meijel, gemeente Peel en Maas. Aldaar zou in een bocht een ernstig verkeersongeval hebben plaatsgevonden. Omstreeks 10.55 uur kwamen wij op de plaats van de aanrijding aan.

Wegomschrijving:

De Heldensedijk is een voor het openbaar verkeer openstaande weg en ter plaatse gelegen buiten de bebouwde kom van Meijel, in de gemeente Peel en Maas. Ter plaatse was een maximaal toegestane snelheid van 80 km per uur van kracht.

Deze weg bevatte een rijbaan verdeeld in twee gelijkwaardige rijstroken, bestemd voor het verkeer in twee richtingen. Aan de noordzijde was naast de rijbaan een grasberm gelegen met daarnaast een verplicht fiets-/bromfietspad.

Wegverloop:

In de Heldensedijk is ter plaatse een flauwe maar lange, niet geheel overzichtelijke bocht gelegen. Deze bocht verliep, gezien vanuit oostelijke richting in de richting Meijel, naar links. De bocht was goed zichtbaar voor het verkeer.

Aan de noordzijde, in deze bocht, sloot een (land)weg haaks aan op het fiets-/bromfietspad en de rijbaan van de Heldensedijk.

Nagenoeg aan het einde van de bocht, gezien vanuit de richting Beringe-Venlo, was aan de noordzijde de woning Heldensedijk [huisnummer] gelegen.

Ter hoogte van de woning [huisnummer] stond in de grasberm, tussen het fiets-/bromfietspad en de rijbaan van de Heldensedijk, een beukenhaagje. Dit haagje werd slechts ter hoogte van en over de breedte van de inrit van genoemde woning onderbroken. Het haagje werd aan het begin, iets voorbij de aansluiting met de zandweg, gezien vanuit de richting Beringe-Venlo, ingereden alvorens verdachte met de fietsers in aanraking kwam.

Weersgesteldheid:

Ten tijde van de aanrijding en daarna was het droog en helder weer.

Op het moment dat wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 3] , kort na het ongeval ter plaatse kwamen, stond de zon, gezien de rijrichting vanuit Beringe richting Meijel, ongeveer op kwart voor negen, oftewel vanaf links nagenoeg haaks op de rijbaan. Er kon dan ook ten tijde van het ongeval geen sprake zijn geweest van hinder door het zonlicht. Het zicht was goed.

Sporen/botspunt:

Wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 3] , zagen nadat wij op de plaats van ongeval waren aangekomen dat de lage beukenhaag tussen de rijbaan en het fietspad, alsmede het daarin aanwezige gras, over langere afstand was platgereden. In het gras troffen wij rijsporen aan, lopende vanaf de rijbaan richting fietspad.

Op het fietspad waren enkele (banden)sporen zichtbaar, waarschijnlijk wringsporen achtergelaten door een of meerdere luchtband(en) van een personenauto. Verder zagen wij op het fietspad en op de rijbaan op meerdere plaatsen bloedsporen, afkomstig van de slachtoffers. Tevens lagen er verspreid over het fietspad diverse fiets- en auto-onderdelen, alsmede lichamelijk weefsel.

In de voortuin van de aldaar, gezien vanuit de richting Beringe gaande richting Meijel aan de rechterzijde van de weg gelegen woning, huisnummer [huisnummer] , lag een fiets. Van deze fiets ontbrak het stuur. In een greppel naast deze woning lag een tweede fiets. Ook van deze fiets ontbrak het stuur.

Op het fietspad lagen twee slachtoffers en een derde slachtoffer lag op de rijbaan, op de weghelft bestemd voor het verkeer komende uit de richting Beringe en gaande in de richting Meijel.

Verder zagen wij dat een stuk verderop, gezien vanuit de richting Beringe richting Meijel, aan de linkerzijde van de weg in de berm een vierwielige personenauto stilstond. Deze personenauto, merk BWM, type 320I (het hof leest: 320D), kleur grijs, voorzien van het Poolse kenteken [kenteken] , stond met de voorzijde in de richting Meijel, dus in tegengestelde richting van het verkeer dat de weghelft vanuit Meijel in de richting Beringe volgt.

Wij zagen dat deze auto aan de voorzijde, met name aan de rechterzijde bumper, de motorkap, de voorruit en het dak, ernstige schade had.

Gezien de positie van dit voertuig en het sporenbeeld in de berm en op het wegdek was deze personenauto bij het ongeval betrokken en had dit voertuig voor het ongeval gereden vanuit de richting Beringe richting Meijel.

Kennelijk was deze personenauto, merk BMW, gezien zijn rijrichting aan de rechterzijde van de rijbaan van de weg geraakt, vervolgens door de aldaar gelegen berm gereden en hierna op het naast de hoofdrijbaan gelegen fietspad terecht gekomen.

Op het fietspad was dit voertuig kennelijk vervolgens met een aantal aldaar rijdende fietsers in botsing gekomen. Na de botsing is het voertuig vervolgens weer op de rijbaan terecht gekomen, waarna het voertuig via de eerder gevolgde weghelft en de weghelft voor tegemoetkomend verkeer vervolgens aan de andere zijde van de weg in de aldaar naast de rijbaan gelegen berm/greppel tot stilstand kwam. Daarbij werd tevens nog een aldaar in de berm staand verkeersbord omgereden.

Vermoedelijke toedracht ongeval:

Wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 3] , stelden uit de eerste bevindingen ter plaatse vast dat het hier kennelijk een aanrijding betrof tussen een vierwielig motorrijtuig, personenauto, en twee fietsers. De beide fietsers, een man en vrouw, bleken op het verplichte fiets/bromfietspad door de personenauto te zijn aangereden. Een van de beide fietsers vervoerde kennelijk een tweejarig kind, gezeten in een fietsstoeltje dat aan het stuur van een van de bij het ongeval betrokken fietsen was bevestigd.

Met name op het fietspad werden sporen aangetroffen die er op duidden dat de slachtoffers op het fietspad (botspunt) waren aangereden.

De kracht van de botsing was kennelijk dermate groot dat slachtoffers en onderdelen van de voertuigen over grotere afstand verspreid op het fietspad en wegdek lagen.

Aantreffen slachtoffers:

Op het fietspad troffen wij liggend op het fietspad een kindje aan. Enkele meters verderop richting Meijel zagen wij een manspersoon op dit fietspad liggen. Iets verderop zagen wij verder een vrouw op de rijbaan liggen.

Geen van de slachtoffers vertoonde op dat moment nog enig teken van leven.

Op 19 mei 2013 omstreeks 12.45 uur werd op de plaats van ongeval door de [forensisch politiearts] , in bijzijn van mij, verbalisant [verbalisant 1] , het overlijden van de hieronder nader te noemen slachtoffers vastgesteld.

Slachtoffers:

Uit onderzoek is gebleken dat de slachtoffers bij leven de navolgende personen betroffen:

[slachtoffer 1]

Geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats]

[slachtoffer 2]

geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats]

[slachtoffer 3]

geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats]1

2. Het Proces-Verbaal VerkeersOngevallenAnalyse, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van verbalisant:

Ik heb op 19 mei 2013 geassisteerd bij de afwikkeling van het hierna bedoelde verkeersongeval.

Beknopte ongevalsbeschrijving:

Een bestuurder van een BMW raakte in een bocht naar links, de controle over zijn voertuig kwijt, reed naar rechts door een haag en kwam al slippend op het vrijliggende fiets/bromfietspad te rijden. Op het fiets/bromfietspad reden op dat moment 2 fietsers, waarbij een fietser een kind in een kinderzitje met zich meevoerde. De genoemde BMW kwam met de beide fietsers in botsing. Beide fietsers en het kind overleden ter plaatse aan hun verwondingen.

Bij dit ongeval waren de volgende voertuigen betrokken:

Voertuig 1, personenauto, merk BMW, type 320D, kleur grijs, kenteken [kenteken] (Pools);

Voertuig 2, fiets met kinderstoeltje aan het stuur bevestigd, merk Gazelle, type Primeur, kleur groen;

Voertuig 3, fiets, merk Gazelle, type Davos, kleur blauw/grijs.

Wegsituatie:

De Heldensedijk heeft zijn verloop van de Meijelseweg (Beringe) naar de Kerkstraat en vice versa.

Het ongeval vond gezien in de richting van de Kerkstraat plaats na een flauwe bocht naar links van de Heldensedijk. De rijbaan had een breedte van circa 7 meter en was door middel van een dubbele onderbroken witte streep verdeeld in 2 rijstroken. Naast de rijbaan lag aan de rechterzijde een vrijliggend fiets-/bromfietspad, bestemd voor (brom)fietsen in beide richtingen, dat door middel van een berm met een lage haag gescheiden was van de rijbaan.

Onderhoud weg:

Voor wat betreft de toestand van de weg heb ik geen bijzonderheden ontdekt die van belang waren in verband met de oorzaak, de toedracht of de gevolgen van het ongeval.

Wegdek rijbaan en fiets/bromfietspad:

Asfalt met dichte structuur (DAB);

Normaal ingereden;

Droog, volgens opgave van collega(’s).

Voertuig 1 betrof een vierwielig motorvoertuig, personenauto.

Op 21 mei 2013 en 27 mei 2013, werd door mij en [verbalisant 4] , eveneens werkzaam bij de Forensische Opsporing, VOA, van de regiopolitie Limburg-Noord, de BMW technisch onderzocht.

Het voertuig verkeerde in een voldoende rijtechnische staat van onderhoud en vertoonde geen gebreken die eventueel de oorzaak of van invloed zouden kunnen zijn geweest op het ontstaan dan wel het verloop van het ongeval.

Op 24 mei 2013 werd met de bij het ongeval betrokken BMW diverse rij- en remproeven gehouden. Uit de rij- en remproeven bleek dat de betrokken BMW naar behoren stuurde en remde. Er werden tijdens deze rij- en remproeven geen bijzonderheden waargenomen die invloed hadden op het ontstaan dan wel het verloop van het verkeersongeval.

Nader onderzoek en berekening:

Ik heb gevraagd om door een deskundige van het Nederland Forensisch Instituut onderzoek te laten verrichten met betrekking tot de mogelijke gereden snelheid van de BMW.

Op 1 juli 2013 zijn door het Nederlands Forensisch Instituut diverse onderzoeken gedaan op de ongevalslocatie. Het NFI-rapport van deze onderzoeken, onder zaaknummer 2013.05.21.146 (002), zal als bijlage bij dit proces-verbaal worden gevoegd.

Rijproeven:

Om de weginrichting praktisch te toetsen werden rijproeven uitgevoerd met een vervangende BMW en de betrokken BMW. De Heldensedijk werd met diverse snelheden bereden. Uit de rijproeven bleek dat de weginrichting geen invloed had hoeven hebben op het rijgedrag/weggedrag van de BMW. De bocht was voor de weggebruiker goed berijdbaar.2

3. Het rapport ‘Snelheidsbepaling naar aanleiding van een verkeersongeval in Meijel op 19 mei 2013’ van het Nederlands Forensisch Instituut, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –:

Zaaknummer 2013.05.21.146

Aanvraagnummer 002

Datum: 31 juli 2013

Onderzoeksaanpak:

Op het fietspad zijn sporen afgetekend door de beide rechterwielen van de auto. Uit de sporen kan worden afgeleid dat de auto als geheel een boogvormige baan volgde, van bovenaf gezien tegen de klok in. Het verloop van de baan hangt af van de snelheid van de auto in combinatie met de krachten die op de auto werken. Bij gelijke krachten geldt dat een hogere snelheid resulteert in een boogbaan met een grotere radius. Dit verband maakt het mogelijk om uit het verloop van de sporen de snelheid te bepalen.

Interpretatie van de resultaten:

De sporen op het fietspad laten zien dat de auto over een afstand van ongeveer 17 meter een rotatie van 25 graden ondergaat en dat de auto als geheel daarbij een boog naar links beschrijft. Het blijkt dat die beweging in PC-Crash kan worden gesimuleerd als de snelheid bij aanvang van de simulatie tussen 69 km/u en 133 km/u ligt (99% kansniveau).

Gedurende de gesimuleerde beweging is er een afname van de snelheid van de auto. Er zijn simulaties waar de auto een correcte beweging maakt maar aan het einde van de simulatie, bij de botsplaats, vrijwel tot stilstand komt. Dat zijn met name simulaties waarin de aanvangssnelheid relatief laag is en waarin de auto sterk beremd wordt. Zulke simulaties zijn niet reëel, omdat de auto gezien de afloop van de botsing en het bewegingsverloop na de botsing toen wel een zekere snelheid moet hebben gehad. De beide volwassen slachtoffers zijn bij de botsing over een afstanden van 30 à 35 meter geworpen, en de auto heeft nog een afstand van ongeveer 50 meter afgelegd. Op grond van resultaten in de literatuur van botsproeven waarbij fietseraanrijdingen zijn gereconstrueerd, is voor een werpafstand van 30 meter een snelheid nodig van tenminste 60 km/u, tot snelheden boven 100 km/u. Botssnelheden boven 120 km/u zijn niet reëel, omdat de auto na de botsing op een afstand van 50 meter tot stilstand kwam, weliswaar tegen een talud maar zonder bij het contact met dat talud aanzienlijke schade op te lopen.

Als alleen simulaties in ogenschouw worden genomen waarin de auto op de botsplaats nog een snelheid tussen 60 km/u en 120 km/u had, dan moet de snelheid bij aanvang van de sporen tussen 76 km/u en 124 km/u zijn geweest (99 procent kansniveau).

Conclusie:

Op basis van de uitgangspunten die in dit rapport zijn genoemd, volgt voor de BMW bij aanvang van de op het fietspad afgetekende sporen een kans van 99% dat de snelheid hoger was dan 76 km/h en een kans van 99% dat de snelheid van de BMW lager was dan
124 km/h.3

4. Het rapport ‘Nadere snelheidsbepaling naar aanleiding van een verkeersongeval in Meijel op 19 mei 2013’ van het Nederlands Forensisch Instituut, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –:

De berekening als beschreven in de rapportage van 31 juli 2013 is opnieuw uitgevoerd. Daarbij waren de gebruikte modellering en alle parameterinstellingen gelijk. Indertijd is de analyse verricht op een selectie van 500 “beste parametersets” uit een totaal van ruim 8 miljoen doorrekende parametersets. Voor deze analyse is de selectie van “beste parametersets” vergroot tot 2000 en zijn 20 miljoen parametersets doorgerekend.

De herhaalde berekening gaf eenzelfde resultaat als de eerdere berekening.

Binnen de selectie van 2000 best passende parametersets waren er 431 (21,6%) met een snelheid lager dan 86 km/u en 1711 (85,6%) met een snelheid lager dan 111 km/u. Op grond hiervan bedraagt de likelihood ratio voor de gevraagde hypotheseparen respectievelijk 3,6 (grenssnelheid 86 km/u) en 0,2 (grenssnelheid 111 km/u).

Bij het NFI is ervoor gekozen om LR-waarden kleiner dan 1 niet als zodanig te rapporteren, maar te betrekken op het omgekeerde hypothesepaar. In plaats van een likelihood ratio van 0,2 wordt daarom een likelihood waarde van 5 gerapporteerd (1/0,2) voor het niet overschrijden van de grenswaarde van 111 km/u.

Conclusie:

De in de berekening betrokken sporen zijn 3,6 maal waarschijnlijker wanneer de snelheid bij aanvang van de sporen hoger was dan 86 km/u dan wanneer dat niet zo was.

De in de berekening betrokken sporen zijn 5 maal waarschijnlijker wanneer de snelheid bij aanvang van de sporen lager was dan 111 km/u dan wanneer dat niet zo was.4

5. De verklaring van de deskundige A.C.E. Spek, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 9 september 2015, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –:

Ik kan zien dat de oriëntatie van de auto aan het begin van de sporen, zoals die daar uit de sporen blijkt, er een is vanuit een slip.

Als er is geremd, kan je in zijn algemeenheid zeggen dat de snelheid daarvoor hoger is geweest dan de door mij berekende snelheid bij aanvang van de sporen. Ook als bekend is dat er over een vrij lange afstand is geslingerd, kun je daarmee alleen maar op een hogere snelheid uitkomen.

Als er is geremd, een zigzagbeweging is gemaakt of is geslingerd, dan kom je op een hogere snelheid uit. In een slip verlies je snelheid.

6. De verklaring van de deskundige H. de Louweren, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 9 september 2015, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –:

U vraagt of ik vanuit mijn deskundigheid zou kunnen aangeven hoe een auto die technisch in orde is toch van de weg geraakt in de bocht.

Alle oorzaken waardoor een dergelijke auto instabiel zou kunnen worden, te weten een technisch gebrek, het wegdek of de weersomstandigheden, zijn eigenlijk al uitgesloten. Dan blijft er geen andere oorzaak over dan het gedrag van de chauffeur. Om op een wijze als deze van de weg te raken moet de bestuurder bijvoorbeeld input geven aan het stuur.

Dat er een plotselinge ruk aan het stuur is geweest, lijkt mij heel onwaarschijnlijk. Als je op een normale asfaltweg als deze gewoon door rijdt en er is geen extreme zijwind en je doet verder niets bijzonders, dan kan je niet plotsklaps zomaar een ruk aan het stuur voelen, vooral niet als er achteraf geen met die ruk in verband te brengen schade of defect aan het voertuig wordt vastgesteld.

Het remsysteem van een auto is krachtiger dan de aandrijving van de auto, want remmen doe je op alle vier de wielen en gas geven levert in dit geval extra aandrijving op op twee wielen. Als je het rempedaal en het gaspedaal tegelijk zou bedienen, dan is de rem dus sterker.

Je raakt gemakkelijker in een slip als de wielen ingestuurd staan en als je remt, dan wanneer je rechtdoor rijdt. De snelheid is een factor die het probleem vergroot. Als je bij een snelheid van 10 km/u instuurt en remt, dan is er hoegenaamd niets aan de hand. Doe je dat bij een snelheid van 110 km/u, dan kan het een groot probleem zijn. Hoe groter de snelheid, hoe groter het probleem en hoe moeilijker het is op te vangen.

7. De verklaring van [getuige 1] , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –:

Op 19 mei (het hof begrijpt: 2013), omstreeks 10.30 uur, reed ik samen met mijn man in onze camper over de Heldensedijk te Meijel. Mijn man trad op als bestuurder en ik zat als bijrijdster voorin de camper. We kwamen rijden uit de richting Helmond, gaande in de richting van Beringe.

We zagen in de verte een bocht aankomen.

Ik zag een personenauto aan komen rijden uit de tegengestelde richting van ons, dus uit de richting van Beringe. Ik zag dat deze personenauto met hoge snelheid aan kwam rijden. Voor mijn gevoel had de bestuurder van de personenauto totaal geen controle meer over het voertuig. Het betrof een personenauto in een lichte kleur. Mijn man zei later tegen mij dat het een personenauto van het merk BMW betrof.

Op het moment dat ik het zag, flitste er door me heen dat de bestuurder van deze auto met zulke snelheid de auto zeker niet onder controle zou kunnen houden. Meteen zag ik ook dat de personenauto begon te slingeren.

Het leek er even op dat de personenauto op ons af zou komen. Nog voordat de auto ons gepasseerd was zag ik dat de auto met de voorzijde naar links ging. Dus in onze richting. Ook vrijwel meteen ging de personenauto de andere richting op. Namelijk voor de personenauto naar de rechterzijde, waar het fietspad is gelegen. Ik zag dat de personenauto over een heg reed die tussen de weg en het fietspad is gelegen. Het betrof een groene lage heg van ongeveer 40 centimeter hoog.

Ik was me er op dat moment van bewust dat we zojuist een aantal fietsers voorbij waren gereden en dat de kans nu erg groot was dat de personenauto, de fietsers zou raken.

Ik hoor mijn man tegen me zeggen: “Oh god nu schept hij ook nog de fietsers welke nu door de lucht vliegen”, of woorden van gelijke strekking.

Mijn man is meteen gestopt met de camper. Ik zag de personenauto die ons met hoge snelheid tegemoet was gekomen stilstaan aan de linkerzijde van de weg, gezien vanuit Beringe. Dus aan de andere kant dan het fietspad.5

8. De verklaring van [getuige 1] , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –:

De auto heb ik voor het eerst gezien in de bocht. Kort van tevoren waren wij fietsers voorbij gereden. Zij reden in dezelfde richting als wij gingen. Ik zag de auto zoals gezegd in de bocht en ik heb gezien dat hij begon te slingeren, op ons afkwam, en toen de andere kant opging. Ik heb de auto vervolgens de heg in zien schieten. Hij kwam op ons af en als hij was doorgereden, had hij ons frontaal geraakt.

U vraagt mij of ik iets kan zeggen over de snelheid.

Ik zag hem met een bepaalde snelheid aankomen en ik dacht toen al ‘hij gaat die bocht niet redden’. Ik denk dat hij ruim boven de 100 kilometer per uur reed.

U vraagt mij of ik het zo ervaren heb dat de bestuurder de macht over het stuur verloren heeft.

Absoluut. Ik zag hem rijden en ik dacht toen al ‘dat gaat hij niet houden in de bocht’. Ik zag het vervolgens ook gebeuren.

U vraagt mij hoe ik zag dat de auto een hoge snelheid had.

Dat zag je aan de auto, zoals hij weggedrukt werd. Hij wrong door de bocht. Toen ik de auto zag, dacht ik al ‘hij haalt het niet’. Vervolgens zie ik het gebeuren en ik zie hem op ons afkomen. Het schoot door mijn hoofd dat wij een frontale botsing gingen krijgen.

De auto kwam aanrijden in de bocht en in de bocht begon de auto al te slingeren.

U vraagt mij wat ik precies bedoel met dat de auto werd weggedrukt in de bocht.

Ik bedoel daarmee dat het de bestuurder niet lukte om in het midden van zijn rijstrook te blijven.6

9. De verklaring van [getuige 2] , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –:

Op 18 mei 2013 (het hof begrijpt: 19 mei 2013) omstreeks 10:45 uur reed ik samen met mijn vrouw in de camper. Ik bestuurde de camper en mijn vrouw zat naast mij. Ik kwam uit de richting Meijel en reed richting Panningen. Ik reed over de Heldensedijk te Meijel, in tegengestelde richting kwam mij een personenauto tegemoet van het merk BMW. De auto voerde een Pools kenteken. Ik vermoed dat de bestuurder tussen de 100 à 120 km per uur reed. Voor mijn gevoel reed hij veel te hard.

Ik zag dat de auto door de bocht al slingerend mij tegemoet kwam. Ik zag dat hij op een gegeven moment op mijn weghelft kwam. Ik dacht nog, nu kan het twee kanten op, of de bestuurder vliegt door de groenstrook of hij slaat over de kop en tolt naar de andere kant, hiermee bedoel ik dat hij over zijn eigen weghelft was gerold. Op dat moment was de afstand ongeveer 50 meter tussen ons beide. De bestuurder schoot terug naar zijn eigen weghelft.

Ik zag hem de groene heg inschieten en zag allerlei blaadjes in de lucht vliegen. Kort daarop zag ik in mijn ooghoek een fietser in de lucht vliegen.

Ik heb kort daarop de camper in een zijweg geparkeerd. Ik ben meteen uitgestapt. Ik liep over het fietspad. In de verte zag ik links in de berm de BMW staan. Ik zag dat er geen leven meer in de persoon zat die op de weg lag. Achteraf bleek dat dit de oma was. Er was geen levensteken. Ik zag daarna dat achter de heg nog een persoon lag en een kindje. Deze persoon (achteraf bleek dit opa te zijn) lag ook in een verwrongen houding waaruit ik kon opmaken dat hij dood was. In eerste instantie kwam ik uit bij het kindje. Het was voor mij meteen duidelijk dat het kindje dood was.7

10. De verklaring van [getuige 2] , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –:

Ik zag een auto de bocht uit komen.

U vraagt mij of ik iets over de snelheid van de auto kan zeggen.

Hij heeft in ieder geval meer dan 100 gereden is mijn schatting. Ik ga aan de veilige kant zitten als ik zeg dat hij boven de 100 reed.8

11. De verklaring van [getuige 3] , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –:

Op 19 mei 2013, omstreeks 10:40 uur, reed ik in mijn personenauto, zijnde een Peugeot 206, over de Heldensedijk vanaf de Meijelse kant in de richting van Beringe.

De weg ter plaatse betreft een weg buiten de bebouwde kom voorzien van twee rijbanen. Vanuit mijn oogpunt bevond zich aan de linkerzijde van de rijbanen, afgescheiden door een beukenhaag, een fietspad. Op dat moment kwam ik op die betreffende weg bij een bocht. Ik zag dat voor mij een wit kleurig groter voertuig reed.

Ik zag op dat moment twee personen over het fietspad fietsen aan mijn linkerzijde. Ik zag dat deze twee fietsers dezelfde richting uit gingen als ikzelf.

Ik zag dat er een zilverkleurige BMW mij tegemoet kwam op de andere rijbaan. Ik zag dat deze BMW in de richting van Meijel reed. Ik zag dat deze BMW echt met een hoge snelheid aan kwam rijden. Zeker 100 kilometer per uur. Hier ben ik van overtuigd. Ik zei nog hardop: “Kijk wat hij hard gaat, wat een gek” of woorden van gelijke strekking. Ik zag dat deze BMW de betreffende bocht door reed. Ik zag dat de auto te snel reed voor deze bocht. Ik zag dat de rechterzijde van de BMW op dat moment in de zachte berm terecht kwam aan zijn rechterzijde. Ik zag dat de BMW van links naar rechts bewoog. Ik zag dat de bestuurder van deze BMW de auto probeerde te corrigeren. Ik zag dat de BMW door de voornoemde beukenhaag reed welke de rijbaan en het fietspad van elkaar scheiden. Ik wist op dat moment dat het mis zou gaan. De BMW zou of naar links, in mijn richting, of naar rechts, in de richting van het fietspad moeten gaan. De snelheid van de BMW was toen nog altijd hoog. Ik zag dat de BMW iets vertraagde maar hij reed nog altijd te snel. Ik kreeg in de gaten dat de bestuurder van deze auto de controle kwijt was. Ik kreeg de indruk dat een aanrijding met mij, of met de fietsers, niet meer voorkomen kon worden.

Ik zag dat de twee fietsers op dat moment over het fietspad fietsten aan mijn linkerzijde. Ik had zicht op deze fietsers. Ik zag dat de BMW op dat moment net de onverharde berm uit reed. Ik zag dat de BMW de twee fietsers op het fietspad aan reed. Ik keek op dat moment in mijn linker buitenspiegel en in de binnenspiegel van mijn auto. Ik heb nog een persoon, een van die fietsers, of allebei, door de lucht zien vliegen en op de grond zien vallen.9

12. De verklaring van [getuige 3] , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –:

Ik reed richting Beringe. Voor mij reed een verbouwd campertje. Ik zag de andere auto toen die de bocht om kwam. Hij reed ongelofelijk hard. Ik heb al 20 jaar mijn rijbewijs en kan dat echt wel inschatten. Ik zei toen meteen: ‘Kijk wat een gek, wat een mafkees’ of zoiets. Ik zag dat hij veel te hard de bocht door reed. Op het moment dat ik hem voor het eerst zag, reed hij op zijn eigen weghelft. Hij kwam toen met zijn rechterkant in de berm, in de beukenhaag die daar stond. Hij ging door de beukenhaag. Echt langs mij raakte hij de fietsers. Ik heb in de spiegels gekeken en toen zag ik die mensen vliegen en neerkomen.

Het klopt dat ik bij de politie gezegd heb en ook hier dat de auto heel hard reed. Ik denk tussen de 100 en de 120. Dat is een inschatting van mij, gebaseerd op ervaring.10

13. De verklaring van verdachte, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –:

Op 19 mei 2013 tussen 10.00 en 11.00 uur heb ik op de Heldensedijk in Meijel met mijn personenauto drie personen aangereden. Ik heb begrepen dat deze mensen zijn overleden.11

14. De verklaring van verdachte, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –:

V: Kun jij ons vertellen wat er gisteren 19 mei 2013 omstreeks 10.50 uur op de Heldensedijk te Meijel, gemeente Peel en Maas, is gebeurd?

Ik trad op als bestuurder van een personenauto, merk BMW, voorzien van het Poolse kenteken [kenteken] , kleur zilver.

Ik ben via Beringe in de richting van Meijel gereden.

Ik reed op de voor mij rechter rijstrook van die weg. Dit was de rijstrook bestemd voor het verkeer komende vanuit de richting Beringe en gaande in de richting Meijel. De rijbaan bestond ter plaatse uit twee rijstroken. Het is mij bekend dat aan de rechterzijde van die weg, gezien vanuit de richting Beringe, een afzonderlijk fietspad is gelegen. Er zit een berm tussen mijn rijstrook en het fietspad.

Ik kwam op de rijstrook van het voor mij tegemoetkomende verkeer terecht. Ik raakte de controle over het besturen van de auto gedeeltelijk kwijt. Hierdoor ben ik op de weg gaan slingeren. Ik heb aan mijn stuur getracht terug naar rechts te corrigeren. In die bocht reed ik vervolgens rechtdoor in plaats van de bocht naar links te nemen. Dit gebeurde niet bewust maar ik had geen controle meer over de rijrichting van de auto. Ik hoorde meteen hierna een klap. Ik belandde in de greppel. Vanuit mijn rijrichting gezien ben ik links in de greppel beland. Ik kan mij herinneren dat ik ook een verkeersbord geraakt heb.12

15. De verklaring van verdachte, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –:

Het kan zijn dat mijn snelheid op de weg waar die aanrijding heeft plaatsgevonden hoger was dan daar is toegestaan. Ik heb daar niet op gelet.13

16. De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van
7 november 2014, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –:

Op 19 mei 2013 reed ik met mijn personenauto over de Heldensedijk in de richting Meijel. Ik heb een geluid gehoord dat ik over de middenstreep kwam en probeerde te corrigeren. Ik heb heel snel gecorrigeerd naar rechts en daarna is alles snel gegaan. Bij het corrigeren naar rechts ben ik op de eigen rijstrook gekomen.

17. De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van
9 september 2015, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik kwam op de rijstrook voor het tegemoetkomend verkeer. Ik heb toen teruggestuurd om op mijn eigen rijstrook te komen. Toen ik terugstuurde, kwam ik in een slip.

Ik denk dat ik al in een slip zat toen ik ging corrigeren. Ik denk dat de auto op het moment dat ik naar rechts wilde corrigeren al niet meer goed reageerde.

Toen ik op de andere rijstrook kwam, corrigeerde ik dat. Toen voelde ik dat de auto niet goed reageerde. Toen ging ik slippen.

Ik ben niet de hele tijd aan het remmen geweest, maar wel op het moment van het slippen.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

A.

De beslissing dat het hierna bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

B.

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat hij moet worden vrijgesproken van het hem primair ten laste gelegde, aangezien niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte schuld had aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

  • -

    er onvoldoende wettig bewijs is voor een te hoge snelheid als oorzaak voor het van de weg raken van de auto van verdachte;

  • -

    dat de auto in de bocht een onverwachte beweging heeft gemaakt, terwijl de toedracht daarvan onduidelijk blijft;

  • -

    de feitelijkheden niet de conclusie kunnen dragen dat er sprake is geweest van aanmerkelijk onoplettend of onvoorzichtig rijden;

  • -

    indien het hof zou menen dat verdachte zich aanmerkelijk onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen en dat het verkeersongeval aan de schuld van de verdachte als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 te wijten is, ervan moet worden uitgegaan dat verdachte ten tijde van het ongeval in verontschuldigbare onmacht verkeerde, aangezien de toedracht niet kan worden vastgesteld.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

C.1

Aan het verweer dat er onvoldoende wettig bewijs is voor de te hoge snelheid als oorzaak voor het van de weg raken van de auto van verdachte is ten grondslag gelegd dat:

  • -

    het NFI concludeert dat er een kans is van 99% dat de BMW voor aanvang van de op het fietspad afgetekende sporen een hogere snelheid had dan 76 km/u en een kans van 99% is dat de snelheid van de BMW lager was dan 124 km/u, waardoor een gereden snelheid van 80 km/u niet kan worden uitgesloten;

  • -

    verdachte heeft verklaard dat hij kort voor het ongeval ongeveer 80 à 85 km/u heeft gereden;

  • -

    de verklaringen van de getuigen over de door verdachte gereden snelheid niet als voldoende betrouwbaar kunnen worden aangemerkt.

C.2

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat:

  • -

    er een kans van 99% is dat de snelheid van de BMW bij aanvang van de op het fietspad afgetekende sporen hoger was dan 76 km/u en een kans van 99% dat de snelheid van de BMW lager was dan 124 km/u;

  • -

    de in de berekening betrokken sporen 3,6 maal waarschijnlijker zijn wanneer de snelheid bij aanvang van de sporen hoger was dan 86 km/u dan wanneer dat niet zo was.

  • -

    de in de berekening betrokken sporen 5 maal waarschijnlijker zijn wanneer de snelheid bij aanvang van de sporen lager was dan 111 km/u dan wanneer dat niet zo was.

De gebezigde bewijsmiddelen houden ook in dat verdachte heeft geremd voordat de auto op het fietspad kwam en dat de auto heeft geslipt en geslingerd voordat deze op het fietspad kwam. Gelet op de verklaring van de deskundige Spek leidt het hof uit deze omstandigheden af dat de snelheid van de door verdachte bestuurde BMW aanvankelijk hoger was dan de snelheid bij aanvang van de op het fietspad afgetekende sporen.

Verdachte heeft geopperd dat hij mogelijk tegelijkertijd het rempedaal en het gaspedaal heeft ingedrukt, maar ook als dat het geval zou zijn, heeft verdachte blijkens de verklaring van de deskundige De Louweren meer geremd dan geaccelereerd.

C.3

Hoewel de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] vervoegingen van het werkwoord ‘vermoeden’, ‘denken’ en/of ‘schatten’ gebruiken als zij verklaren over de snelheid van verdachte, acht het hof deze verklaringen bruikbaar voor het bewijs, omdat zij over de snelheid verklaren op basis van eigen zintuiglijke waarnemingen ter plaatse. Het gebruik van voormelde werkwoordsvormen duidt niet zozeer op door de getuigen getrokken conclusies, maar dient veeleer als aanduiding dat het moeilijk is om de snelheid van een voertuig aan de hand van zintuiglijke waarnemingen exact aan te geven. Het hof acht het niet uitgesloten dat getuigen in het algemeen, aan de hand van wat zij zien, horen of voelen, een iets te hoge of te lage inschatting van snelheid kunnen maken. Het aantal verklaringen, alsmede de inhoud en de onderlinge consistentie daarvan, rechtvaardigen echter hier de conclusie dat verdachte met een hoge, namelijk aanmerkelijk hoger dan de ter plaatse toegestane snelheid de bocht waar het hier om gaat is in en/of door gereden.

Bij dat oordeel heeft het hof mede in aanmerking genomen dat de [getuige 3] naar aanleiding van verdachtes verkeersgedrag zeer kort voorafgaand aan het ongeval heeft opgemerkt: “Kijk wat hij hard gaat, wat een gek”, of woorden van gelijke strekking, en de [getuige 1] heeft verklaard: “Ik zag hem met een bepaalde snelheid aankomen en ik dacht toen al ‘hij gaat die bocht niet redden’” en “Ik zag hem rijden en ik dacht toen al ‘dat gaat hij niet houden in de bocht’”. Van dergelijke verklaringen kan niet gezegd worden dat de daarin gerelateerde waarnemingen zijn gekleurd door het uiteindelijk verwezenlijkte gevolg.

Voorts heeft het hof in aanmerking genomen dat hetgeen de getuigen hebben verklaard over de hoge snelheid van verdachte, – gelet op hetgeen hiervoor onder C.2 is overwogen – passen bij de conclusies van de deskundige Spek.

D.

Verdachte heeft bij de politie, ter terechtzitting in eerste aanleg en ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij vóór de onderhavige bocht een plotselinge ruk aan zijn stuur voelde en dat de auto naar links werd getrokken. Uit het onderzoek ter terechtzitting noch het dossier is enige aanwijzing naar voren gekomen dat sprake was van een extreme zijwind of andere bijzondere weersomstandigheden, dan wel dat verdachtes auto met een wiel in de berm is gekomen, dan wel dat er gebreken waren aan het wegdek, terwijl aan de auto evenmin gebreken zijn geconstateerd die van invloed zouden kunnen zijn geweest op het ontstaan dan wel het verloop van het ongeval. Gelet daarop alsmede gelet op de verklaring van de deskundige De Louweren acht het hof de lezing van verdachte volstrekt onaannemelijk. Nu ook overigens uit het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken van een buiten de verdachte gelegen oorzaak voor het op de linkerweghelft terecht komen van de auto, is het hof van oordeel dat verdachte zelf met de door hem bestuurde auto niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden en zonder enige aanleiding zo ver naar links is gekomen dat de door hem bestuurde personenauto op de linkerweghelft bestemd voor het tegemoetkomend verkeer is gekomen.

Voorts leidt het hof uit de verklaring van De Louweren af dat in casu ook de hoge snelheid ertoe heeft bijgedragen dat het voertuig niet onder controle te houden of te krijgen was.

E.1

Het hof stelt op grond van het vorenstaande het volgende vast:

  • -

    verdachte is als bestuurder van zijn auto met een hoge, namelijk aanmerkelijk hoger dan ter plaatse toegestane snelheid onderhavige bocht in en/of door gereden.

  • -

    verdachte heeft daarbij zijn auto niet zoveel mogelijk rechts gehouden, maar is zonder enige aanleiding zo ver naar links gekomen dat de door hem bestuurde personenauto op de verkeerde weghelft is gekomen;

  • -

    verdachte heeft vervolgens zijn auto teruggestuurd richting zijn eigen weghelft en is daarbij/daarna mede door de (te) hoge snelheid de controle over zijn voertuig verloren;

  • -

    de door verdachte bestuurde auto is vervolgens, komend uit de bocht, via de rechterberm op het rechts naast de weg gelegen fietspad terecht gekomen waar deze in aanrijding is gekomen met de aldaar rijdende fietsers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , en de zich in een kinderzitje op het stuur van één van de fietsen bevindende [slachtoffer 3] , waardoor [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zijn gedood.

E.2

Het hof acht bewezen dat verdachte, onder de hiervoor onder E.1 genoemde omstandigheden, zich zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gedragen en dat het verkeersongeval aan de schuld van verdachte als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 te wijten is. Het verweer dat de verdachte ten tijde van het ongeval verkeerde in verontschuldigbare onmacht vindt zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen. Feiten of omstandigheden die zouden moeten leiden tot een ander oordeel zijn uit het onderzoek ter terechtzitting niet naar voren gekomen.

Bijgevolg verwerpt het hof het verweer in al zijn onderdelen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 19 mei 2013 in de gemeente Peel en Maas als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Heldensedijk, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onoplettend, onvoorzichtig en onachtzaam

een in die Heldensedijk gelegen flauwe bocht naar links in te rijden met een hoge snelheid

en de controle over zijn, verdachtes, voertuig te verliezen

en op de gezien zijn, verdachte, rijrichting, linkerweghelft terecht te komen

en zijn, verdachtes, voertuig naar rechts te sturen en op de rechterweghelft terecht te komen,

waarna verdachte met het door hem bestuurde voertuig in de rechterberm van die Heldensedijk terecht is gekomen en vervolgens via die berm en een in die berm gelegen haag op het rechts naast die weg gelegen fietspad terecht is gekomen

en vervolgens op dat fietspad in aanrijding is gekomen met zich op dat fietspad bevindende fietsers en een zich op een van die fietsen bevindende passagier,

door welk verkeersongeval

  • -

    [slachtoffer 1] (fietser),

  • -

    [slachtoffer 2] (fietser) en

  • -

    [slachtoffer 3] (passagier)

werden gedood.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straffen

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum – in het onderhavige geval, waarbij meerdere slachtoffers zijn te betreuren, een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor ten hoogste vijf jaren – en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten aanzien van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 19 mei 2013 zich als bestuurder van een personenauto zeer onoplettend, onvoorzichtig en onachtzaam gedragen. Als gevolg daarvan is hij met de door hem bestuurde personenauto in aanrijding gekomen met twee fietsers, te weten dhr. [slachtoffer 1] en mevr. [slachtoffer 2] , en hun zich op een van die fietsen in een aan het stuur bevestigd kinderzitje bevindende 2-jarige kleindochter [slachtoffer 3] . Ten gevolge van deze aanrijding zijn [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] komen te overlijden.

Met het overlijden van de slachtoffers is de nabestaanden zeer groot en onherstelbaar leed toegebracht, hetgeen ook is gebleken uit de slachtofferverklaring die mevr. [nabestaande] , dochter van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en moeder van [slachtoffer 3] , ter terechtzitting in hoger beroep heeft voorgedragen.

Voorts is door het bewezen verklaarde de rechtsorde ernstig geschokt.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof allereerst gelet op de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 15 juli 2015, waaruit blijkt dat hij in Nederland niet eerder door de strafrechter is veroordeeld. Daarnaast is hij blijkens zich in het dossier bevindende stukken ook in Polen en Duitsland niet eerder door de strafrechter veroordeeld. Wel heeft verdachte naar eigen zeggen in Polen een bekeuring gekregen voor een snelheidsovertreding in december 2012, waarbij verdachte de maximumsnelheid van 60 km/u met 24 km/u had overschreden.

Voorts heeft het hof gelet op de inhoud van het de verdachte betreffend reclasseringsadvies d.d. 14 oktober 2014 alsmede de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Gelet op het vorenstaande kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Voorts zal het hof mede ter bescherming van de verkeersveiligheid aan de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen.

Het hof heeft wat betreft de duur van de op te leggen straffen enerzijds aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als richtlijn voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid ten aanzien van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, waarbij het slachtoffer is overleden en sprake is van een grove verkeersfout.

Anderzijds heeft het hof aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met de onderhavige worden opgelegd.

Het hof acht gelet op de ernst van de gevolgen in relatie tot het bewezen verklaarde een hogere vrijheidsstraf en een langere ontzegging van de rijbevoegdheid aangewezen dan gevorderd door de advocaat-generaal.

Beslag

De in beslag genomen en nog niet teruggegeven BMW, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven gsm zal de teruggave aan de verdachte worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 en de artikelen 24, 33, 33a en 57 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzegt de verdachte ter zake van het primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 (vier) jaren.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

één personenauto, BMW 320D, bouwjaar 1999, kleur grijs, kenteken [kenteken] .

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: één gsm, Nokia 5800, kleur zwart.

Aldus gewezen door

mr. P.M. Frielink, voorzitter,

mr. H. Eijsenga en mr. K.J. van Dijk, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,

en op 23 september 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaalnr. PL2325-2013044123-41, d.d. 18 maart 2014, opgemaakt door [verbalisant 1] , hoofdagent van politie, [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , beiden brigadier van politie (p. 16-23 van het dossier van Politie Limburg-Noord met BVH-nr. 2013044123).

2 Het ambtsedig proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse, BVH-nr. 2013044123, d.d. 8 januari 2014, opgemaakt door [verbalisant 5] , brigadier van politie (p. 1 -39).

3 Het rapport “Snelheidsbepaling naar aanleiding van een verkeersongeval in Meijel op 19 mei 2013” van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 31 juli 2013, zijnde een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 4, van het Wetboek van Strafvordering, opgemaakt door ir. A.C.E. Spek, NFI-deskundige verkeersongevallenonderzoek (p. 1-14).

4 Het rapport “Nadere snelheidsbepaling naar aanleiding van een verkeersongeval in Meijel op 19 mei 2013” van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 13 juli 2015, zijnde een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 4, van het Wetboek van Strafvordering, opgemaakt door ir. A.C.E. Spek, NFI-deskundige verkeersongevallenonderzoek (p. 1-9).

5 Het ambtsedig proces-verbaal verhoor getuige, d.d. 19 mei 2013, proces-verbaalnr. PL2322 2013044123-2, opgemaakt door [verbalisant 6] , hoofdagent van politie (p. 88-89 van het dossier van Politie Limburg-Noord met BVH-nr. 2013044123).

6 Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 1] , d.d. 13 augustus 2014, opgemaakt door de
rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Limburg.

7 Het ambtsedig proces-verbaal verhoor getuige, d.d. 19 mei 2013, proces-verbaalnr. PL2322 2013044123-3, opgemaakt door [verbalisant 7] , hoofdagent van politie (p. 91-92 van het dossier van Politie Limburg-Noord met BVH-nr. 2013044123).

8 Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 2] , d.d. 13 augustus 2014, opgemaakt door de
rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Limburg.

9 Het ambtsedig proces-verbaal verhoor getuige, d.d. 19 mei 2013, proces-verbaalnr. PL2322 2013044123-14, opgemaakt door [verbalisant 9] , hoofdagent van politie, en [verbalisant 8] , brigadier van politie (p. 95-96 van het dossier van Politie Limburg-Noord met BVH-nr. 2013044123).

10 Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 3] , d.d. 13 augustus 2014, opgemaakt door de
rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Limburg.

11 Het ambtsedig proces-verbaal van inverzekeringstelling, d.d. 19 mei 2013, proces-verbaalnr. PL2352 2013044123-13, opgemaakt door [verbalisant 10] , hoofdinspecteur van politie (p. 42 van het dossier van
Politie Limburg-Noord met BVH-nr. 2013044123).

12 Het ambtsedig proces-verbaal verhoor verdachte, d.d. 20 mei 2013, proces-verbaalnr. PL2322 2013044123-24, opgemaakt door [verbalisant 11] , hoofdagent van politie en [verbalisant 12] , brigadier van politie (p. 112 van het dossier van Politie Limburg-Noord met BVH-nr. 2013044123).

13 Het ambtsedig proces-verbaal verhoor verdachte, d.d. 20 mei 2013, proces-verbaalnr. PL2322 2013044123-25, opgemaakt door [verbalisant 11] , hoofdagent van politie (p. 119 van het dossier van Politie Limburg-Noord met BVH-nr. 2013044123).