Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:369

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-02-2015
Datum publicatie
23-02-2015
Zaaknummer
F 200.137.593-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 5 februari 2015

Zaaknummer: F 200.137.593/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/165808 / S RK 11-1034

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A.F.G. Bergmans-Jeurissen,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats],

verweerder,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. T.G.M. Scheers.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg van 21 augustus 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 november 2013, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de hierna te noemen minderjarige kinderen [dochter 1], [dochter 2] en [zoon] en de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw, en in zoverre opnieuw rechtdoende alsnog de verzoeken van de vrouw om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de hierna te noemen minderjarige kinderen [dochter 1], [dochter 2] en [zoon] vast te stellen van € 310,- per kind per maand en een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw van € 494,- per maand, alsnog toe te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 15 januari 2014, heeft de man verzocht de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren, althans de grieven van de vrouw te verwerpen als ongegrond en onbewezen, althans zodanige bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen en in het levensonderhoud van de vrouw vast te stellen als het hof juist acht.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 november 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Bergmans-Jeurissen;

  • -

    de man, bijgestaan door mr. M. Strijks, kantoorgenoot van mr. Scheers.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de man, ingekomen ter griffie op 25 augustus 2014;

  • -

    het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de vrouw, ingekomen ter griffie op 27 augustus 2014;

  • -

    het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de man, ingekomen ter griffie op 14 november 2014.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn op 7 mei 1997 te Stein met elkaar gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen zijn geboren de thans nog minderjarige:

- [dochter 1] ([dochter 1]), op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats],

- [dochter 2] ([dochter 2]), op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats],

- [zoon] ([zoon]), op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats].

De kinderen hebben het hoofdverblijf bij de vrouw.

3.2.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank tussen partijen onder meer de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 13 november 2013 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, de verzoeken van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van € 310,- per kind per maand en tot vaststelling van een bijdrage in haar levensonderhoud van € 494,- per maand, afgewezen.

3.3.

De vrouw kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. De grieven van de vrouw richten zich tegen de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de draagkracht van de man, in het bijzonder met betrekking tot zijn inkomen.

Ingangsdatum

3.4.

Nu het een eerste vaststelling van de kinder- en partneralimentatie betreft en de vrouw noch in haar verzoekschrift in eerste aanleg, noch in haar beroepschrift een specifieke ingangsdatum voor de door de man te bepalen onderhoudsbijdragen heeft verzocht en de bijdrage in het levensonderhoud voor de vrouw dient in te gaan met ingang van de datum van de echtscheidingsbeschikking, zal het hof daarbij aansluiten en de ingangsdatum van de door de man te betalen onderhoudsbijdragen niet alleen voor de vrouw maar ook voor de kinderen bepalen op 13 november 2013 (de dag van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking)

Behoefte kinderen

3.5.1.

De behoefte van de kinderen aan de verzochte onderhoudsbijdrage is tussen partijen in geschil. De vrouw heeft ter zitting gesteld dat bij de bepaling van de behoefte van de kinderen in beginsel uitgegaan moet worden van een gemiddeld inkomen van de man over de jaren 2009 tot en met 2013 van ruim € 60.000,-, te vermeerderen met het inkomen van de vrouw in 2009. De man heeft gesteld dat hij in november 2009 een eigen onderneming is gestart die tot 2013 verliesgevend is geweest. De man heeft ter zitting gesteld dat uitgegaan moet worden van het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen in 2011 van € 1.000,- per maand.

3.5.2.

Het hof overweegt het navolgende.

3.5.2.1. Uit de aangiftes Inkomstenbelasting 2009 van partijen blijkt dat de man in 2009 een bruto arbeidsinkomen had van € 60.723,- en de vrouw van € 20.514,-. De man is na zijn ontslag bij zijn werkgever in 2009 een eigen onderneming in de vorm van een eenmanszaak gestart. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat partijen half 2011 uiteen zijn gegaan. Tot 2013 zijn slechts negatieve resultaten behaald in de eenmanszaak.

Uit de door de man overgelegde financiële stukken blijkt van privé-onttrekkingen in 2010 ten bedrage van € 19.242. In 2011 zijn er geen privé- onttrekkingen gedaan, in 2012 ten bedrage van € 67.821 en in 2013 te bedrage van € 74.527. Gelet op het vorenstaande in onderlinge samenhang beschouwd acht het hof het redelijk om voor de bepaling van de behoefte van de kinderen (en de vrouw) uit te gaan van het jaar 2009 als het jaar dat het meest aansluit bij het regelmatige niveau waarin het gezin tijdens het huwelijk van partijen heeft geleefd. Uitgaande van een bruto inkomen van totaal € 81.237,- berekent het hof het netto besteedbaar gezinsinkomen in 2009 op een bedrag van € 4.712,- per maand. Uit de ‘tabel eigen aandeel kosten van kinderen’ 2009 blijkt een behoefte van de kinderen (behorend bij totaal 14 punten) van € 471,20 per kind per maand. Analoog aan de wettelijke indexering bedraagt de behoefte van de kinderen met ingang van 1 januari 2013 € 501,08 per kind per maand.

Het vorenstaande geldt voor [dochter 1] en [dochter 2]. De situatie van [zoon] is een andere nu uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [zoon] inmiddels uit huis is geplaatst.

3.5.2.2. Met betrekking tot [zoon] overweegt het hof het navolgende.

De vrouw is van mening dat de behoefte van [zoon] ondanks zijn uithuisplaatsing gelijk is aan de behoefte van de andere kinderen. De vrouw heeft onbetwist ter zitting gesteld dat zij kosten heeft die op [zoon] betrekking hebben, zoals de aanschaf eenmaal per kwartaal, soms zelfs eenmaal per maand, van orthopedische schoenen, aanpassing van de woning en de aanschaf van kleding voor [zoon].

De man heeft ter zitting gesteld dat ook hij kosten voor [zoon] voldoet en wel voor een bedrag van € 100,- per maand, hetgeen de vrouw niet heeft betwist.

Het hof overweegt het navolgende.

Mede gelet op het feit dat de man € 100,- per maand besteedt aan kosten voor [zoon] en het aannemelijk is dat de vrouw wat meer kosten voor [zoon] voor haar rekening neemt, maar haar stelling dat de behoefte van [zoon] dezelfde is als die van de andere kinderen niet nader met stukken heeft onderbouwd, begroot het hof de door de vrouw voor [zoon] betaalde en te betalen kosten op van € 150,- per maand. Het hof stelt de behoefte van [zoon] met ingang van 13 november 2013 dan ook op een bedrag van totaal € 250,- per maa.

3.5.2.3. Het hof volgt de richtlijn van de Werkgroep Alimentatienormen zoals deze met ingang van 1 januari 2013 luidt, inhoudende dat het door de vrouw ontvangen kindgebonden budget op de behoefte in mindering dient te worden gebracht. De vrouw heeft onbetwist ter zitting verklaard dat zij een kindgebonden budget ontvangt van € 184,- per maand (in 2014) voor [dochter 1] en [dochter 2] en dat zij voor [zoon], gelet op zijn uithuisplaatsing, geen kindgebonden budget ontvangt. Nu de ingangsdatum 1 november 2013 is en het hof niet nader is geïnformeerd over het kindgebonden budget dat de vrouw heeft ontvangen in 2013, zal het hof, gezien de beperkte tijdsspanne, bij haar berekening vanaf de ingangsdatum uitgaan van een kindgebonden budget van € 184, - per maand voor [dochter 1] en [dochter 2].

Daarvan uitgaande stelt het hof de behoefte van [dochter 1] en [dochter 2] met ingang van 13 november 2013 op een bedrag van € 501,08 -/- € 92,- = € 409,08 per kind per maand. Gelet op het vorenstaande bedraagt de totale behoefte van [zoon] met ingang van 13 november 2013 € 250,- per maand (waarvan € 100,- per maand door de man zelf wordt voldaan).

Gelet op de met ingang van 1 januari 2015 ingevoerde Wet hervorming kindregelingen (WHK) dient met ingang van 1 januari 2015 rekening gehouden te worden met het kindgebonden budget inclusief de eenouderkop. Uitgaande van het minimuminkomen van de vrouw en de twee kinderen voor wie zij het kindgebonden budget ontvangt, becijfert het hof het totale kindgebonden budget op een bedrag van € 444,- per maand.

Mede gelet op de wettelijke indexering bedraagt bedraagt de behoefte van [dochter 1] en [dochter 2] ingang van 1 januari 2015 € 509,63 - € 222,- = € 287,63 per kind per maand. De geïndexeerde behoefte van [zoon] bedraagt € 254,27 totaal per maand.

Met betrekking tot de onderhoudsbijdrage voor de kinderen

3.6.

De kosten van de kinderen dienen tussen de ouders te worden verdeeld naar rato van hun beider draagkracht, waarbij het hof ervan uitgaat dat de vrouw, gelet op haar inkomen op bijstandsniveau, niet kan bijdragen in de kosten van de kinderen.

Inkomen van de man

3.7.1.

De vrouw heeft, kort samengevat, gesteld dat de man in zijn startende onderneming verdiencapaciteit laat liggen, dat van de man verwacht mag worden dat hij de door hem gestarte onderneming verder ontwikkelt dan wel dat hij elders gaat werken en zodoende weer een inkomen vergelijkbaar met zijn oude inkomen van € 60.723,- bruto per jaar weet te verdienen, althans dat de man tenminste in staat moet worden geacht de verzochte bijdragen ten behoeve van de vrouw en de kinderen te voldoen. De man heeft dit gemotiveerd betwist.

3.7.2.

Het hof overweegt het navolgende.

De man is eind 2009 een eigen onderneming gestart in de vorm van een eenmanszaak handelend onder de naam [people] People, te [vestigingsplaats]. De man is franchisenemer van [training] Training te [vestigingsplaats], hij geeft cursussen en trainingen. De voormalige werkgever van de man heeft de arbeidsovereenkomst met de man in 2009 beëindigd, bij welke gelegenheid de man een vergoeding heeft ontvangen van ruim € 60.000,-. Deze vergoeding is gestort in de stamrecht BV van de man, [people] People BV te [vestigingsplaats]. De eenmanszaak is door middel van een lening van de stamrecht BV aan de eenmanszaak ter hoogte van dit bedrag grotendeels gefinancierd. Uit de door de man overgelegde jaarstukken van de eenmanszaak blijkt dat in 2010 een omzet is behaald van € 16.170,-, in 2011 van € 63.730,-, in 2012 van € 61.085,60 en in 2013 van € 217.212,-.

In 2010 was er sprake van een verlies van € 63.556,-, in 2011 van een verlies van € 404,75 en in 2012 van een verlies van € 15.100,33. In 2013 heeft de eenmanszaak een winst gerealiseerd van € 110.086,- bij een omzet van € 217.212.-.

De man heeft ter zitting verklaard dat hij in 2014 een totale omzet verwacht van afgerond (slechts) € 110.000,-, doch het hof overweegt dat de man in het geheel niet met stukken heeft onderbouwd dat de omzet respectievelijk winst in 2014 niet in de lijn zou liggen met de omzet en de winst in 2013.

Gelet op het vorenstaande in onderlinge samenhang beschouwd acht het hof het redelijk om voor het berekenen van de draagkracht van de man uit te gaan van de door de vrouw gestelde verdiencapaciteit van de man, althans om uit te gaan van een winst uit onderneming van in ieder geval € 60.723,- per jaar. Het gebruikelijke uitgangspunt waarbij de drie voorafgaande jaren worden gemiddeld acht het hof in deze niet reëel nu de onderneming eerst in 2009 is opgestart en de eerste jaren in een opstartfase heeft verkeerd. Daarbij komt dat het bedrag waarvan het hof zal uitgaan zelfs lager is dan de privé-opnamen van de man in het verliesgevende jaar 2012 van ruim € 67.000,- en in 2013 van ruim € 74.000,-.

De man heeft recht op:

- de zelfstandigenaftrek van € 7.280,-;

- de MKB-winst vrijstelling van € 7.482,-;

en de navolgende heffingskortingen:

- de algemene heffingskorting;

- de arbeidskorting.

Bijdrage kinderen

3.8.1.

Uitgaande van de voormelde winst uit onderneming van € 60.723,- per jaar en de voormelde fiscale aspecten, en rekening houdend met de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW, heeft de man met ingang van 13 november 2013 een netto besteedbaar inkomen van afgerond € 3.559,- per maand.

Het bedrag aan draagkracht voor inkomens vanaf een netto besteedbaar inkomen (NBI) van € 1.500,- per maand wordt in 2013 vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 850,-)]. Indien recht bestaat op fiscaal voordeel in verband met de persoonsgebonden aftrekpost levensonderhoud kinderen, dient de draagkracht in beginsel met dit bedrag te worden verhoogd. De draagkracht van de man is volgens deze formule € 1.148,91 per maand. Nu de man over het verleden geen persoonsgebonden aftrek meer kan realiseren laat het hof het fiscaal voordeel met betrekking tot de kinderalimentatie geheel buiten beschouwing.

De draagkracht van de man is derhalve voldoende om met ingang van 13 november 2013 de verzochte bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter 1] en [dochter 2] van € 310,- per kind per maand te voldoen en naast de reeds door hem betaalde kosten ad € 100,- voor [zoon] bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [zoon] met een bedrag van € 150,- per maand.

Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de onderhoudsbijdrage voor [dochter 1] en [dochter 2] met ingang van 1 januari 2014 € 312,79 per kind per maand en met ingang van 1 januari 2015

€ 315,29 per kind per maand. De door de man aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage voor [zoon] bedraagt ingevolge de wettelijke indexering met ingang van 1 januari 2014 € 151,35 per maand.

3.8.2.

Uitgaande van voormelde winst uit onderneming van € 60.723,- per jaar en uitgaande van de fiscale cijfers in 2015 becijfert het hof het netto besteedbaar inkomen van de man met ingang van 1 januari 2015 op afgerond € 3.638,- per maand. Het bedrag aan draagkracht voor inkomens vanaf een netto besteedbaar inkomen van € 1.500,- per maand wordt in 2015 vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 875,-). De draagkracht van de man is volgens deze formule € 1.169,81 per maand. Gelet op het feit dat de persoonsgebonden aftrek van de kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2015 is vervallen laat het hof het fiscaal voordeel geheel buiten beschouwing.

De draagkracht van de man met ingang van 1 januari 2015 is voldoende om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter 1] en [dochter 2] met een bedrag van € 287,63 per kind per maand. De door de man aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage voor [zoon] bedraagt met ingang van 1 januari 2015 € 152,56 per maand.

Met betrekking tot de onderhoudsbijdrage voor de vrouw

Behoefte vrouw

3.9.

Zoals met partijen ter zitting besproken wordt de behoefte van de vrouw berekend aan de hand van de hofformule. Het hof stelt de behoefte van de vrouw (niveau 2009) vast op ([ € 4.712,- -/- € 1.503,-] x 60% = € 1.925,40 netto per maand. Analoog aan de wettelijke indexering bedraagt de behoefte van de vrouw met ingang van 1 januari 2013 € 2.047,48 netto per maand.

Behoeftigheid vrouw

3.10.

Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw een WIA-uitkering heeft, in 2012 ad € 1.054,01 netto per maand en in 2014 van € 1.040,- netto per maand en dat de vrouw behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage van de man in haar levensonderhoud.

Grievend gedrag

3.11.1.

De man heeft in hoger beroep gesteld dat de vrouw zich zodanig grievend jegens hem gedraagt/heeft gedragen dat aan de lotsverbondenheid tussen partijen een einde is gekomen zodat van hem in redelijkheid geen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw kan worden gevergd. De man heeft gesteld, kort samengevat, dat de vrouw zich jegens hem onheus gedraagt en hem niet, of veel te laat, informeert over zaken die de kinderen aangaan. Partijen voeren voorts een jarenlang strijd over de totstandkoming van een contactregeling tussen de man en de kinderen. Het is naar de mening van de man de bedoeling van de vrouw om de kinderen uit zijn leven weg te houden.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist. De vrouw heeft onbetwist gesteld dat het (beperkte) contact tussen de man en de kinderen plaatsvindt na onderzoek door- en overeenkomstig het advies van de raad voor de kinderbescherming en betwist dat gesproken kan worden van grievend gedrag en beëindiging van de lotsverbondenheid tussen partijen.

3.11.2.

Het hof overweegt dat bij de beantwoording van de vraag of aan de gewezen echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud moet worden toegekend rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Hieronder zijn ook te verstaan niet financiële factoren, zoals gedragingen van de onderhoudsgerechtigde (ex)echtgenoot. De rechter kan de onderhoudsverplichting beëindigen dan wel matigen, indien de onderhoudsgerechtigde (ex-echtgenoot zich jegens de onderhoudsplichtige (ex-)echtgenoot zodanig heeft gedragen dat het vragen om financiële ondersteuning een dermate grievend karakter voor de onderhoudsplichtige heeft dat van hem/haar de gevraagde onderhoudsbijdrage in redelijkheid niet of niet ten volle gevergd kan worden. De lotsverbondenheid die ontstaan is door het huwelijk en daarna nog doorwerkt, is de grondslag voor de verplichting een bijdrage te verstrekken in de kosten van levensonderhoud ten behoeve van de ex-echtgenoot. Deze lotsverbondenheid kan verloren gaan door het grievend karakter van het gedrag van de alimentatiegerechtigde.

Het hof overweegt dat de door de man aan de vrouw verweten gedragingen, gezien ook hetgeen de vrouw ter zake naar voren heeft gebracht, geenszins de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van grievend gedrag, laat staan van zodanig grievend gedrag van de vrouw jegens de man dat de lotsverbondenheid tussen partijen verloren is gegaan.

Draagkracht van de man

3.12.1.

Bij de berekening van de draagkracht van de man ten behoeve van de partneralimentatie gaat het hof uit van de navolgende gegevens.

A. Inkomen van de man

3.13.

Het hof gaat uit van een winst uit onderneming van € 60.723,- per jaar, zoals overwogen in rechtsoverweging 3.7.

B. Lasten van de man

3.14.

Het houdt rekening met het op de Wet werk en bijstand (Wwb) gebaseerde normbedrag, exclusief de ondergrens woonkostencomponent, voor een zelfstandig wonende alleenstaande, inclusief de maximale toeslag, ter voorziening in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud.

3.15.

Voorts gaat het hof uit van:

- de (door de vrouw niet betwiste) huur van € 964,04 per maand;

- de basispremie ziektekostenverzekering van 89,- per maand, de aanvullende premie ziektekostenverzekering van € 48,- per maand, alsmede het verplicht eigen risico van € 30,- per maand (zoals blijkt uit de door de man als productie 21 overgelegde draagkrachtberekening, die de vrouw niet heeft betwist) minus het in de bijstandsnorm begrepen nominaal deel van de premie ziektekostenverzekering ad € 35,- per maand.

3.16.

Het hof houdt geen rekening met de door de man in zijn draagkrachtberekening opgenomen aftrekbare en niet aftrekbare hypotheekrente van respectievelijk € 942,- per maand en € 248,- per maand.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de voormalige echtelijke woning aan de [pand 2] te [plaats] in augustus 2014 is verkocht en dat de woning aan de [pand 1] te [plaats] (de voormalige woning van de moeder van de man die in eigendom van partijen is) sinds het overlijden van de moeder van de man in januari 2013 leeg staat. De man heeft gesteld dat terzake van de op de woningen rustende hypotheek een grote achterstand in betaling is ontstaan en dat hij ter zake met de bank een regeling heeft getroffen. Wat die regeling is, is het hof uit de bijlage waarnaar de man heeft verwezen niet duidelijk geworden, terwijl de man het hof ook overigens onvoldoende heeft geïnformeerd omtrent de daadwerkelijk op hem rustende betalingsverplichting en hetgeen door hem op grond daarvan aan hypotheeklast is voldaan. Dit komt naar het oordeel van het hof voor rekening en risico van de man zodat het hof met hypotheeklasten geen rekening zal houden. Het hof zal ook geen rekening houden met de eigenaarslasten ten aanzien van de voormalige echtelijke woning nu niet duidelijk is geworden welke lasten in de periode tot de verkoop van de echtelijke woning door de man zijn betaald. Het hof houdt evenmin rekening met de aan de woning aan de [pand 1] te [plaats] verbonden lasten nu de man ook deze lasten niet, althans niet voldoende heeft onderbouwd terwijl niet duidelijk is geworden waarom de man de woning aan de [pand 1] na het overlijden van zijn moeder leeg heeft laten staan en hij er niet voor heeft gekozen om deze woning aan derden te verhuren dan wel deze zelf te gaan bewonen teneinde kosten te besparen. Het hof acht het in de gegeven situatie ook niet redelijk om met lasten verbonden aan de woning aan de [pand 1] te [plaats] rekening te houden boven de huurlast van de man van € 964,04 per maan

3.17.1.

De man heeft in zijn draagkrachtberekening een bedrag opgenomen van € 3.211,- per maand ter zake aflossing schulden. Ter zitting heeft de man, onder verwijzing naar het jaarverslag 2013 van [people] People, gesteld het redelijk te achten dat het bedrag aan kortlopende schulden van € 192.695,- in vijf jaar tijd met een bedrag van € 3.211,- per maand wordt afgelost, met welke aflossing in de berekening van de draagkracht van de man rekening moet worden gehouden.

De vrouw heeft de stelling van de man gemotiveerde betwist.

3.17.2.

Het hof houdt bij het berekenen van de draagkracht van de man geen rekening met de gestelde aflossing op de kortlopende schulden nu in de onderneming, mede gelet op de vermindering van het negatieve eigen vermogen in 2013 en de winstgevende positie van de onderneming, in de toekomst, naast het door het hof thans aan de man toegerekende inkomen, naar verwachting voldoende financiële ruimte zal bestaan om de kortlopende schulden in een redelijk tempo te verminderen dan wel daar geheel op af te lossen.

Vaststelling van de alimentatie

3.18.

Met ingang van 13 november 2013 resulteert voormeld inkomen van de man in een netto besteedbaar inkomen van ongeveer € 3.559,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de fiscale aspecten zoals overwogen in rechtsoverweging 3.7.2.

3.19.

Na aftrek van voormelde lasten van het bovenstaande netto besteedbaar inkomen heeft de man een draagkrachtruimte van € 1.756,- per maand. Daarvan is in beginsel 60% beschikbaar voor het betalen van een onderhoudsbijdrage voor de vrouw, te weten een bedrag van € 1.054,- per maand.

3.20.

Betaalde partneralimentatie is geheel aftrekbaar voor de inkomstenbelasting. Het fiscaal voordeel dat de man door deze aftrek geniet, komt geheel ten goede aan de vrouw. Rekeninghoudend met dit te realiseren fiscaal voordeel en mede gelet op het feit dat de man met ingang van 13 november 2013 reeds een bedrag van € 310,- per kind per maand voldoet als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter 1] en [dochter 2] en een bedrag van € 150,- per maand voor [zoon] en de man bovendien zelf € 100,- per maand aan kosten voor [zoon] besteedt, heeft de man met ingang van 13 november 2013 de draagkracht om een bedrag van € 317,- per maand te betalen als bijdrage in het levensonderhoud van vrouw. Met het betalen van deze onderhoudsbijdrage is de grens van de draagkracht van de man bereikt.

Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt deze bijdrage met ingang van 1 januari 2014 € 319,85 per maand.

3.21.

Met ingang van 1 januari 2015 resulteert voormeld inkomen van de man, rekening houdend met de fiscale cijfers van 2015, in een netto besteedbaar inkomen van € 3.638,- per maand en, rekening houdend met de voormelde lasten van de man, in een draagkrachtruimte van € 1.812,- per maand. Daarvan is in beginsel 60% beschikbaar voor het betalen van een onderhoudsbijdrage voor de vrouw, te weten een bedrag van € 1.087,- per maand. Nu partneralimentatie geheel aftrekbaar is voor de inkomstenbelasting en het fiscaal voordeel geheel aan de vrouw toekomt en mede gelet op het feit dat de man met ingang van 1 januari 2015 een bedrag van € 287,63 per kind per maand voldoet als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter 1] en [dochter 2] alsmede een bedrag van totaal € 254,27 per maand voor [zoon], heeft de man met ingang van 1 januari 2015 de draagkracht om een bedrag van € 443,- per maand te betalen als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw. Met het betalen van deze onderhoudsbijdrage is de grens van de draagkracht van de man bereikt.

3.22.

Het vorenstaande leidt tot de navolgende beslissing.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beslissing van de rechtbank Limburg van 21 augustus 2013 voor zover het betreft de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter 1], [dochter 2] en [zoon] en de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van:

- [dochter 1], geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats],

- [dochter 2], geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats],

- met ingang van 13 november 2013 zal voldoen een bedrag van € 310,- per kind per maand;

- met ingang van 1 januari 2014 een bedrag van € 312,79 per kind per maand;

- met ingang van 1 januari 2015 een bedrag van € 287,63 per kind per maand, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling;

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van:

- [zoon], geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats],

- met ingang van 13 november 2013 zal voldoen een bedrag van € 150,- per maand;

- met ingang van 1 januari 2014 een bedrag van € 151,35 per maand;

- met ingang van 1 januari 2015 een bedrag van € 152,56 per maand, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling;

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in haar levensonderhoud van de vrouw dient te voldoen:

- met ingang van 13 november 2013 een bedrag van € 317,- per maand;

- met ingang van 1 januari 2014 een bedrag van € 319,85 per maand;

- met ingang van 1 januari 2015 een bedrag van € 443,- per maand, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, J.H.J.M. Mertens-Steeghs en A.M.M. Hompus en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2015.