Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:3665

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-09-2015
Datum publicatie
23-09-2015
Zaaknummer
HD 200.134.990_01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

nakoming overeenkomst van geldlening; reconventionele vordering niet voor het eerst in hoger beroep; gedekt verweer; wilsgebrek; verrekeningsbevoegdheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.134.990/01

arrest van 22 september 2015

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. J.P. Geertsema te Geleen, gemeente Sittard-Geleen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. R.H.M. Wagemans te Maastricht,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 3 december 2013 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer 501818\CV EXPL 12-4421 gewezen vonnis van 12 juni 2013.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 3 december 2013 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 13 januari 2014;

  • -

    de memorie van grieven met producties en reconventionele vorderingen;

  • -

    de memorie van antwoord.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

7 De beoordeling

7.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. [appellant] en [geïntimeerde] hebben een affectieve relatie gehad en hebben samengewoond.

  2. [appellant] heeft op 27 juni 2001 een schuldbekentenis ondertekend, waarin hij verklaart aan [geïntimeerde] een bedrag van fl. 50.000,00 schuldig te zijn.

  3. [geïntimeerde] heeft bij brief van 3 juli 2012 om betaling van fl. 50.000,00 verzocht. [appellant] heeft het bedrag niet betaald.

7.2.1.

In de onderhavige procedure vordert [geïntimeerde] , voor zover in hoger beroep nog van belang, veroordeling van [appellant] om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad binnen twee dagen na betekening van het vonnis aan haar te voldoen een bedrag groot € 22.689,01, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 13 juli 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

7.2.2.

Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] , kort samengevat, ten grondslag gelegd dat zij op of omstreeks 27 juni 2001 aan [appellant] een bedrag van fl. 50.000,00 (€ 22.689,01) heeft geleend en dat [appellant] het geleende bedrag niet heeft terugbetaald.

7.2.3.

[appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

7.3.

In het eindvonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het verweer van [appellant] verworpen, de vordering van [geïntimeerde] toegewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld.

7.4.

[appellant] heeft in hoger beroep twee grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het toewijzen van zijn vorderingen.

Ontvankelijkheid reconventionele vorderingen in hoger beroep

7.5.

Het hof overweegt allereerst het volgende. [appellant] heeft – anders dan in eerste aanleg – in hoger beroep een aantal reconventionele vorderingen ingesteld. Ingevolge artikel 353 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan evenwel niet voor het eerst in hoger beroep een reconventionele vordering worden gedaan.

Het hof zal [appellant] daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep wat betreft de door hem op pagina 8 van de memorie van grieven geformuleerde vorderingen, met uitzondering van de vordering tot (terug)betaling van hetgeen [appellant] ten titel van de veroordeling in het beroepen vonnis heeft voldaan.

Beoordeling van de grieven

7.6.

In de eerste grief voert [appellant] kort gezegd de volgende verweren:

a. a) [appellant] heeft geen geld ontvangen van [geïntimeerde] ;

b) [geïntimeerde] had [appellant] eerder moeten herinneren aan de schuldbekentenis;

c) de schuldbekentenis is getekend onder invloed van een wilsgebrek;

d) er is sprake van ongerechtvaardigde verrijking.

7.7.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

7.8.

Ad a) [appellant] heeft geen geld ontvangen van [geïntimeerde]

7.8.1.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende. [appellant] heeft in eerste aanleg zowel in de conclusie van antwoord als in de conclusie van dupliek uitdrukkelijk erkend dat [geïntimeerde] aan hem een bedrag van fl. 50.000,00 ter beschikking heeft gesteld. Dat geld is, aldus [appellant] , voor het overgrote deel gebruikt voor de aanschaf van een Toyota Celica. De auto is op naam van [appellant] gesteld. Naar het oordeel van het hof vloeit hieruit ondubbelzinnig voort dat [appellant] het verweer dat hij van [geïntimeerde] geen geld ontvangen heeft, heeft prijsgegeven. Er is derhalve sprake van een gedekt verweer in de zin van artikel 348 Rv. Het hof passeert daarom dit verweer van [appellant] .

7.8.2.

Daarmee staat ook in hoger beroep als gesteld en als niet, dan wel onvoldoende, betwist vast dat partijen een overeenkomst van geldlening hebben gesloten, waarbij [geïntimeerde] op of omstreeks 27 juni 2001 aan [appellant] een bedrag van fl. 50.000,00 (€ 22.689,01) heeft geleend. Hieruit volgt dat [appellant] verplicht is dit bedrag aan [geïntimeerde] terug te betalen.

7.9.

Ad b) [geïntimeerde] had [appellant] eerder moeten herinneren aan de schuldbekentenis

7.9.1.

[appellant] heeft aan dit verweer het volgende ten grondslag gelegd. [geïntimeerde] had [appellant] moeten herinneren aan de schuldbekentenis ten tijde van de inruil van de door [appellant] betaalde auto d.d. 7 juni 2005 en de koop van de Toyota RAV 4. [geïntimeerde] heeft echter nagelaten de schuldbekentenis ter sprake te brengen tot de bewuste dag Pinksteren 2012, toen [appellant] met de schuldbekentenis is geconfronteerd.

7.9.2.

Het hof overweegt het volgende. Het is het hof niet duidelijk welke verplichting op welke grondslag [appellant] voor ogen heeft en wat de rechtsgevolgen zouden moeten zijn van het niet nakomen van die verplichting.

[appellant] stelt dat [geïntimeerde] verplicht was [appellant] vóór Pinksteren 2012 te herinneren aan de schuldbekentenis, maar hij heeft op geen enkele manier onderbouwd op grond waarvan [geïntimeerde] contractueel daartoe jegens hem verplicht zou zijn. Aangezien ook de wet geen grondslag biedt voor een dergelijke verplichting, gaat het hof aan dit verweer voorbij.

Voor zover [appellant] beoogt te stellen, dat het deel van de aankoopprijs van de RAV 4 dat is voldaan door inlevering van de Toyota Celica, verrekend kan worden met de vordering van [geïntimeerde] , verwijst het hof naar het hierna onder 7.11. overwogene.

7.10.

Ad c) de schuldbekentenis is getekend onder invloed van een wilsgebrek

7.10.1.

[appellant] heeft aan dit verweer het volgende ten grondslag gelegd. [appellant] is door het afbranden van zijn woning op 10 maart 2001 en het overlijden van zijn oudste broer op 18 juli 2001 in een shock en een rouwfase geraakt, waardoor hij zich het ondertekenen van de schuldbekentenis niet meer kan herinneren. [geïntimeerde] heeft bewust gebruik gemaakt van de trieste omstandigheden waarin hij destijds verkeerde. [geïntimeerde] is voorafgaande aan het laten ondertekenen van de schuldbekentenis te rade gegaan bij haar schoonzus, die over een voorbeeld van een schuldbekentenis beschikte. [geïntimeerde] heeft [appellant] deze schuldbekentenis gegeven en hem de schuldbekentenis min of meer laten overschrijven en laten ondertekenen.

Er is sprake van misbruik van omstandigheden, bedrog en/of dwaling door hem een schuldbekentenis te laten ondertekenen, wetende van de psychische en emotionele omstandigheden waarin hij als gevolg van de brand en het overlijden van zijn broer verkeerde en hem er pas vele jaren later, gedurende de Pinksterdagen 2012, mee te confronteren en aanspraak te maken op een bedrag van fl. 50.000,00, aldus [appellant] .

7.10.2.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende. [appellant] heeft op geen enkele wijze concreet onderbouwd dat hij bij het tekenen van de schuldbekentenis door [geïntimeerde] is misleid, dan wel dat hij door een opzettelijke onjuiste mededeling van [geïntimeerde] of door het opzettelijk verzwijgen van enig feit tot het verrichten van de geldlening is bewogen of dat hij de overeenkomst is aangegaan onder een onjuiste voorstelling van zaken. De enkele stelling dat [geïntimeerde] voor een voorbeeldformulier van een schuldbekentenis te rade is gegaan bij de echtgenote van de broer van [appellant] is in dat kader niet relevant. Gelet op het voorgaande gaat het hof voorbij aan het beroep op misleiding, bedreiging en dwaling.

Wat betreft het beroep op misbruik van omstandigheden stelt [appellant] wel dat [geïntimeerde] bewust gebruik heeft gemaakt van de trieste omstandigheden waarin hij destijds verkeerde, maar hij heeft nagelaten dit op enigerlei wijze te concretiseren. Voorts heeft [appellant] niets gesteld omtrent het causaal verband tussen de gestelde omstandigheden en het aangaan van de overeenkomst en heeft hij nagelaten te stellen dat [geïntimeerde] heeft moeten begrijpen dat hij door de gememoreerde bijzondere omstandigheden tot het aangaan van de geldlening werd bewogen. Aldus heeft [appellant] ten aanzien van het beroep op misbruik van omstandigheden niet voldaan aan de op hem rustende stelplicht. Daarom wordt ook het beroep op dit wilsgebrek gepasseerd. Het hof komt daarom niet toe aan een beoordeling van het bewijsaanbod van [appellant] .

7.11.

Ad d) er is sprake van ongerechtvaardigde verrijking

7.11.1.

[appellant] heeft aan dit verweer ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] gedurende ruim tien jaren bij [appellant] heeft gewoond zonder een vergoeding voor woonkosten te betalen. Bij haar vertrek in 2010 heeft [appellant] de verhuis- en inrichtingskosten van [geïntimeerde] voor zijn rekening genomen. Daarnaast heeft [geïntimeerde] de auto van het merk Toyota type RAV 4 als haar eigendom meegenomen, terwijl die auto is aangeschaft met geld van [appellant] . Aldus heeft [geïntimeerde] zich ten koste van hem ongerechtvaardigd verrijkt, aldus [appellant] .

7.11.2.

Naar het hof begrijpt, wenst [appellant] zijn uit de gestelde ongerechtvaardigde verrijking voortvloeiende vordering te verrekenen met de vordering van [geïntimeerde] tot terugbetaling van het bedrag van € 22.689,01. Het hof zal daarom dit verweer hierna bij de tweede grief beoordelen.

7.12.

Overigens faalt de eerste grief van [appellant] .

7.13.

In de tweede grief voert [appellant] , kort gezegd, het verweer dat hij zich kan beroepen op verrekening, waardoor de vordering van [geïntimeerde] tenietgaat.

7.14.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

7.15.1.

[appellant] heeft aan het verweer ten grondslag gelegd dat hij tijdens de relatie van partijen betalingen heeft verricht in verband met de aanschaf van de auto merk Toyota type Celica en alle kosten van de huishouding, een bedrag van € 81.011,83, heeft voldaan [appellant] stelt dat [geïntimeerde] op grond van artikel 3:172 BW de helft van deze kosten heeft te dragen, op grond waarvan hij vergoeding van deze kosten vordert.

7.15.2.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende. Ingevolge artikel 6:136 BW kan een vordering ondanks een beroep van de gedaagde op verrekening worden toegewezen, indien de gegrondheid van dit verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen en de vordering overigens voor toewijzing vatbaar is.

7.15.3.

Naar het oordeel van het hof kan de gegrondheid van de verrekeningsbevoegdheid in dit geval niet op eenvoudige wijze worden vastgesteld. De – door [geïntimeerde] betwiste – vordering van [appellant] is gegrond op de stelling dat [appellant] en [geïntimeerde] tijdens hun affectieve relatie en de periode dat zij samenwoonden niet naar evenredigheid hebben bijgedragen in kosten van huishouding en van aanschaf van goederen. Deze vordering is niet op eenvoudige wijze vast te stellen. Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat het beroep op verrekening faalt.

7.15.4.

Voor zover [appellant] er in deze grief ook over klaagt dat de kantonrechter ten onrechte geen comparitie heeft gelast en niet is ingegaan op het verweer inhoudende een beroep op verrekening/tenietgaan van de vordering, is het hof van oordeel dat het belang bij deze grief ontbreekt, aangezien het verzuim, zo al daarvan sprake zou zijn, geacht kan worden in hoger beroep te zijn hersteld.

7.16.

De tweede grief van [appellant] faalt.

7.17.

De conclusie luidt dan ook dat de vordering door de kantonrechter terecht is toegewezen. Het hof zal het vonnis waarvan beroep bekrachtigen en zal [appellant] , als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:

griffierecht € 683,00

totaal verschotten € 683,00

en voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief:

2 punten x € 1.158,00 € 2.316,00.

De uitspraak

Het hof:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn voor het eerst in hoger beroep ingestelde vorderingen;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op € 683,00 aan verschotten en op € 2.316,00 aan salaris advocaat;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.W. Vermeulen, M.G.W.M. Stienissen en
P.P.M. Rousseau en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 september 2015.

griffier rolraadsheer