Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:366

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-02-2015
Datum publicatie
09-02-2015
Zaaknummer
F 200.159.343_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 5 februari 2015

Zaaknummer : F 200.159.343/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/283176 / JE RK 14/1382MZ12

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A.J.C.W. Scholte-van de Ven,

tegen

de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant,

gevestigd te Eindhoven en mede kantoorhoudende te ‘s-Hertogenbosch,

verweerster,

hierna te noemen: de stichting.

Als belanghebbende kan worden aangemerkt:

de heer [de vader] (hierna te noemen: de vader).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie ’s-Hertogenbosch,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats

’s-Hertogenbosch, van 17 september 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 10 november 2014, heeft de moeder verzocht, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking, voor wat betreft de verlening van de uithuisplaatsing van de hierna nader te noemen minderjarige [de zoon], althans de verlening van de uithuisplaatsing van [de zoon] in een verblijf pleegouder 24-uurs te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing dan wel de verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing in een verblijf pleegouder 24-uurs alsnog af te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 1 december 2014, heeft de stichting verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de beschikking waarvan beroep in stand te laten.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 januari 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Scholte-van de Ven;

- de stichting, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger stichting 1] en mevrouw [vertegenwoordiger stichting 2];

- de vader.

De raad is, met bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen. Mr. P.W. van der Kruijs, de advocaat van de vader, is evenmin verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 8 september 2014;

  • -

    de brief met bijlagen van de stichting d.d. 19 december 2014.

3 De beoordeling

3.1.

Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen in werking getreden. Op grond van artikel 28 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek geldt dat gedingen inzake een ondertoezichtstelling waarbij het inleidende verzoekschrift is ingediend vóór 1 januari 2015 volgens het oude recht worden afgedaan. Nu het inleidende verzoekschrift is ingediend op 22 augustus 2014, is derhalve artikel 1:261 van het Burgerlijk Wetboek zoals dat gold tot 1 januari 2015, in de onderhavige zaak van toepassing.

3.2.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader is op [geboortedatum] 2011 te

[geboorteplaats] [de zoon] (hierna te noemen: [de zoon]) geboren.

De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [de zoon] uit.

3.3.

[de zoon] staat sinds 24 januari 2013 onder toezicht van de stichting.

3.4.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank machtiging verleend aan de stichting om [de zoon] met ingang van 17 september 2014 tot uiterlijk 24 januari 2015 uit huis te plaatsen in een verblijf pleegouder 24-uurs.

3.5.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan. Er is geen noodzaak voor een uithuisplaatsing. De moeder betwist dat [de zoon] ernstig bedreigd wordt in zijn ontwikkeling. Ook de veiligheid van [de zoon] is niet in het geding. Uit het rapport van de raad van 27 december 2012 komt naar voren dat de moeder over voldoende opvoedvaardigheden beschikt om [de zoon] te verzorgen en op te voeden. Dit blijkt tevens uit het eindverslag van het Medisch Kinderdagverblijf, dat [de zoon] vanaf maart tot juli 2014 heeft bezocht. De klachten van de vader over de opvoedkundige kwaliteiten van de moeder zijn dan ook niet gegrond. De moeder betwist voorts de zorgen die de Stichting Hoek heeft geuit in het kader van de voorbereiding van een evaluatie op 17 juni 2014.

Partijen hebben op 27 mei 2013 een vaststellingsovereenkomst ondertekend, waarin onder meer de hoofdverblijfplaats van [de zoon] bij de moeder is bepaald en een contactregeling tussen de vader en [de zoon] is neergelegd. De moeder is van mening dat er thans rust moet komen, doordat partijen deze vaststellingsovereenkomst gaan nakomen. De moeder heeft ter zitting voorts gepleit voor aanhouding van de zaak met verwijzing van partijen naar mediation met als doel de onderlinge communicatie te verbeteren.

De moeder heeft inmiddels individuele therapie.

De moeder heeft zich in het beroepschrift op het standpunt gesteld dat met de daadwerkelijke plaatsing van [de zoon] in het netwerkpleeggezin van de grootvader (van vaderszijde) en de stiefgrootmoeder gewacht dient te worden totdat er een zorgvuldige veiligheidscheck en screening hebben plaatsgevonden. Ter zitting heeft de moeder bevestigd dat het goed gaat met [de zoon] in het netwerkpleeggezin. Dat het goed gaat met [de zoon] in het pleeggezin, betekent echter niet dat de moeder niet zelf [de zoon] kan opvoeden, aldus de moeder.

3.7.

De stichting voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - aan dat de uithuisplaatsing van [de zoon] noodzakelijk is, zodat kan worden bezien welke opvoedingsplek het meest voldoet aan de (ontwikkelings)behoeften van [de zoon].

De stichting is van mening dat de moeder op momenten over basale opvoedingsvaardigheden lijkt te beschikken, maar dat zij, mogelijk door persoonlijke problemen, onvoorspelbaar en onstabiel is als opvoeder. Ook heeft de moeder moeite om aan te sluiten bij de ontwikkelingsbehoeften van [de zoon]. De stichting verwijst hiervoor naar de verslaglegging van de Stichting Hoek.

De stichting acht de ouders voorts niet in staat om de geschilpunten die opkomen bij de uitvoering van de mediationovereenkomst op te lossen. Er is sprake van veel negativiteit en wantrouwen tussen de ouders. Pogingen om de ouders op een constructieve wijze met elkaar in gesprek te laten gaan, onder meer door middel van de module Expeditie Scheiden, hebben geen soelaas geboden. De strijd tussen de ouders heeft een negatief effect op [de zoon]. [de zoon] is op dit moment het meeste gebaat bij een neutrale opvoedingssituatie. De plaatsing in het netwerkpleeggezin is goed verlopen. Er is meer rust tussen de ouders ontstaan. Ook met [de zoon] gaat het goed in het pleeggezin.

In november 2014 is Oosterpoort gestart met het Oriëntatie en Observatie traject. Door middel van dit traject wordt onderzocht welke opvoedingssituatie het meest tegemoet komt aan de ontwikkelingsbehoeften van [de zoon].

3.8.

De vader heeft ter zitting verklaard dat de communicatie tussen de ouders iets beter verloopt. De spanningen zijn minder geworden, ook omdat er thans geen sprake meer is van overdrachten van [de zoon] waarbij alleen de ouders zelf betrokken zijn. De vader voelt minder voor mediation. Er ligt al een vaststellingsovereenkomst en ook binnen de trajecten van de stichting en van Oosterpoort kunnen de ouders werken aan hun onderlinge verstandhouding.

3.9.

Het hof overweegt het volgende.

3.9.1.

Op grond van artikel 1:261 lid 1(oud) van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een machtiging verlenen om een onder toezicht gestelde minderjarige uit huis te plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.9.2.

Het hof is van oordeel dat hier (nog steeds) sprake van is en overweegt daartoe het volgende.

3.9.3.

Uit de overgelegde stukken is het hof gebleken dat er ten tijde van de indiening van het verzoek tot uithuisplaatsing van [de zoon] sprake was van een hevige ex-partnerstrijd tussen de ouders. [de zoon] werd met regelmaat geconfronteerd met deze strijd. De stichting heeft gepoogd de ex-partnerstrijd aan te pakken, maar dit is onvoldoende gelukt. Daarnaast baarde de destijdse opvoedingssituatie van [de zoon] zorgen. [de zoon] woonde bij de moeder in de vrouwenopvang stichting Hoek. Vanuit stichting Hoek werden zorgen geuit over de conflictueuze overdrachten van [de zoon], de wisselende structuur die de moeder [de zoon] bood en de opvoedcapaciteiten van de moeder.

Het hof is - evenals de rechtbank - van oordeel dat het onder deze omstandigheden, waarin de sociaal-emotionele ontwikkeling van [de zoon] ernstig werd bedreigd, in het belang van zijn verzorging en opvoeding noodzakelijk was om hem uit huis te plaatsen in een neutraal pleeggezin.

3.9.4.

Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat het sinds de uithuisplaatsing goed gaat met [de zoon] in het pleeggezin. De moeder en de vader hebben dit ter zitting beaamd. Ook tussen de ouders zijn de spanningen enigszins verminderd, vooral omdat er geen overdrachten van [de zoon] meer plaatsvinden waarbij alleen de ouders zelf zijn betrokken. Inmiddels heeft er een netwerkberaad plaatsgevonden en is in november 2014 vanuit Oosterpoort gestart met het Oriëntatie en Observatietraject teneinde op korte termijn zicht te krijgen op de meest geschikte opvoedingssituatie voor [de zoon].

Met de stichting is het hof van oordeel dat het op dit moment in het belang van [de zoon] is dat hij in een neutrale opvoedingssituatie verblijft, zodat hij niet meer geconfronteerd wordt met de strijd tussen de ouders en zijn emotionele veiligheid meer gewaarborgd is. Het hof acht de moeder op dit moment onvoldoende in staat om een stabiel en veilig opvoedingsklimaat voor [de zoon] te scheppen. De stelling van de stichting dat de moeder op momenten over basale opvoedingsvaardigheden lijkt te beschikken, maar, mogelijk door persoonlijke problemen, onvoorspelbaar en onstabiel handelt als opvoeder, hetgeen zich onder andere uit in emotioneel en ongecontroleerd reageren op [de zoon], wordt bevestigd door de verslagen van de stichting Hoek. Zo concludeert de stichting Hoek in het verslag van 28 november 2014 naar aanleiding van observaties over de periode vanaf 1 september 2014 tot 1 november 2014, dat de moeder nog niet zelfstandig in staat is de vereiste stabiliteit aan [de zoon] te bieden, dat zij moet blijven werken aan het beheersen van haar woede en dat zij opvoedondersteuning moet aanvaarden om goed om te gaan met het aandachtvragende gedrag van [de zoon].

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de uithuisplaatsing van [de zoon] nog steeds noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding.

3.9.5.

Het hof heeft ter zitting het verzoek van de moeder om onder aanhouding van de zaak partijen te verwijzen naar mediation afgewezen. Het hof overweegt daartoe als volgt. Vanuit Oosterpoort loopt momenteel het Observatie en Oriëntatietraject. Dit traject wordt gecoördineerd door de stichting. Binnen de stichting volgen de ouders de module Expeditie Scheiden. De stichting heeft ter zitting aangegeven dat binnen voormelde trajecten ook aandacht zal worden besteed aan de oplossing van het bestaande oud zeer tussen de moeder en de vader. Met de stichting acht het hof dit van belang, aangezien de relatie tussen de ouders als partner zijn weerslag heeft op het handelen van de moeder en de vader als ouder ten opzichte van [de zoon]. Nu de problematiek in de partnerrelatie wordt meegenomen in de reeds ingezette hulpverlening, is naar het oordeel van het hof een afzonderlijk mediationtraject thans niet aangewezen.

3.10.

Het voorgaande leidt ertoe dat de beschikking waarvan beroep dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 17 september 2014;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. van Laarhoven, E.L. Schaafsma-Beversluis en M.L.F.J. Schyns en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2015.