Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:3648

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-09-2015
Datum publicatie
22-09-2015
Zaaknummer
HR 200.173.304-01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling nu saniet toerekenbaar meerdere kernverplichtingen niet naar behoren nakomt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 17 september 2015

Zaaknummer : HR 200.173.304/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/02/12/25 R

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. J.M. Tang.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 8 juli 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 14 juli 2015, heeft [appellante] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en primair te bepalen dat de schuldsaneringsregeling dient te worden voortgezet met een verlenging van 12 maanden, subsidiair te oordelen dat de nieuwe schulden zijn ontstaan om redenen die haar niet zijn toe te rekenen.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 september 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellante] , bijgestaan door mr. Tang;

- mevrouw [waarnemend voor bewindvoerder] , waarnemend voor mevrouw [bewindvoerder] , hierna te noemen: de

bewindvoerder.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 24 juni 2015;

- het indieningsformulier met bijlagen van de advocaat van [appellante] d.d. 3 september 2015;

- de brieven met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 11 augustus 2015 en 26 augustus 2011.

3 De beoordeling

3.1.

Bij vonnis van 9 januari 2012 is ten aanzien van [appellante] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken. Bij vonnis van 4 november 2014 is de looptijd van de schuldsaneringsregeling met één jaar verlengd.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 350 lid 3 aanhef en sub c en d Faillissementswet (Fw) de toepassing van de schuldsaneringsregeling op verzoek van de bewindvoerder d.d. 4 maart 2015 tussentijds beëindigd, nu [appellante] een of meer van haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt of door haar doen of nalaten de uitvoering van de schuldsaneringsregeling anderszins belemmert dan wel frustreert en bovenmatige schulden doet of laat ontstaan. De rechtbank heeft voorts beslist dat bij het ontbreken van enige baten voor uitdeling, de schuldsaneringsregeling eindigt door het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis.

3.3.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“De rechtbank stelt vast dat schuldenares niet betwist dat de informatie niet tijdig en pas na herhaaldelijk verzoek daartoe aan de bewindvoerder is toegezonden. Hoewel door schuldenares de informatie inmiddels is verstrekt aan de bewindvoerder, is de rechtbank van oordeel dat schuldenares toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de informatieverplichting. (…)

Vaststaat dat schuldenares na vonnis van 4 november 2014 wederom nieuwe schulden heeft laten ontstaan bovenop de reeds bestaande nieuwe schulden. (…)

Daarnaast weegt de rechtbank mee dat schuldenares reeds bij vonnis van 4 november 2014 een laatste kans heeft gekregen om de destijds ontstane nieuwe schulden middels betalingsregelingen af te lossen gedurende de verlengde looptijd van de schuldsaneringsregeling maar schuldenares deze kans niet volledig heeft benut. In tegendeel, schuldenares heeft bovenop de bestaande nieuwe schulden wederom nieuwe schulden laten ontstaan. Gelet op deze eerder geboden kans ziet de rechtbank geen redenen om de regeling zoals door schuldenares is verzocht, nogmaals te verlengen.”

3.4.

[appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellante] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. [appellante] erkent en betreurt dat er nieuwe schulden zijn ontstaan, maar is evenwel van mening dat deze niet verwijtbaar zijn ontstaan. Het feit dat zij de voor haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet stipt is nagekomen is haar naar haar idee niet geheel toe te rekenen. Zo zijn de nieuwe schulden ontstaan door de slechte gezondheid van zowel haarzelf als haar beide dochters. Deze situatie was de bewindvoerder bekend, doch deze heeft, ondanks de vele verzoeken van [appellante] , nagelaten om op basis hiervan bij de rechter-commissaris een verzoek tot een ontheffing van de sollicitatieplicht in te dienen. Dat [appellante] eveneens niet heeft voldaan aan de informatieplicht ligt volgens haar in het verlengde hiervan. Omdat zij medisch niet in staat was om te solliciteren kon zij de bewindvoerder ook geen sollicitatiebewijzen doen toekomen. Daarbij komt dat de bewindvoerder ook stukken zou hebben opgevraagd die niet bestaan en daarom ook niet door [appellante] konden worden overgelegd. Voorts stelt [appellante] zich op het standpunt dat de bewindvoerder haar emailadres beschikbaar dient te stellen zodat [appellante] (voortaan) aan haar informatieverplichting kan voldoen. Het kopiëren en per reguliere post opsturen van informatiebescheiden is niet alleen onnodig duur. Vanwege haar thuissituatie kost het [appellante] naar eigen zeggen psychisch veel moeite om tijd in te ruimen om op zoek te gaan naar een kopieermachine en daar alle documenten te kopiëren. Met betrekking tot de nieuwe schulden merkt [appellante] op dat zij de met haar schuldeisers hieromtrent overeengekomen betalingsregeling niet meer kon nakomen nadat [beslaglegger] beslag had laten leggen op haar uitkering. Nu zij de overige verplichtingen wel is nagekomen verzoekt zij dan ook om een tweede verlenging van de schuldsaneringsregeling van wederom één jaar, waarbij zij opmerkt inmiddels ook beschermingsbewind te hebben aangevraagd. Tot slot merkt [appellante] op dat zij op dit moment een boedelvoorstand van ruim € 600,00 heeft en dat zij de bewindvoerder heeft verzocht om dit bedrag aan haar terug te storten zodat zij de huurachterstand kan voldoen, maar dat de bewindvoerder hierop vooralsnog niet heeft gereageerd. Nu het volgens [appellante] aannemelijk is dat zij de nieuwe schulden binnen de duur van een (nogmaals) verlengde schuldsaneringsregeling zal kunnen voldoen acht zij de tekortkomingen tot slot niet zwaarwegend genoeg om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen.

3.5.

Hieraan is door en namens [appellante] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellante] geeft aan dat een groot aantal schulden welke door de bewindvoerder zijn aangemerkt als nieuwe schulden in feite oude schulden betreffen in die zin dat deze schulden ten tijde van de eerste beëindigingszitting in november 2014 al bekend waren. De huurschuld betreft wel een nieuwe schuld en [appellante] wijt het ontstaan hiervan aan het beslag dat door [beslaglegger] namens een zestal schuldeisers op haar uitkering is gelegd. Dit beslag bedraagt € 48,00 per maand. Daarbij komt dat [appellante] ook de nodige kosten heeft moeten maken voor vervoer van en naar het ziekenhuis in verband met onderzoeken en behandelingen voor haar dochter. Deze kosten heeft zij achteraf wel vergoed gekregen, maar op het moment zelf wel voor moeten schieten. [appellante] merkt voorts op dat haar algehele leefsituatie wel is verbeterd. Het gaat beter met haar dochter zodat haar thuissituatie stabieler is geworden. Er is met de verhuurder een betalingsregeling getroffen waarbij [appellante] naast een maandelijkse betaling van € 50,00 driemaandelijks, na ontvangst van de kinderbijslag, een bedrag van € 300,00 aflost en op zeer korte termijn staat er een beschermingsbewindzitting gepland. Deze omstandigheden rechtvaardigen volgens [appellante] dan ook een tweede verlenging van haar schuldsaneringsregeling voor een periode van twaalf maanden, derhalve tot de totale maximale looptijd van vijf jaren.

3.6.

De bewindvoerder heeft in haar brief - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. Gedurende het gehele verloop van de schuldsaneringsregeling is [appellante] de informatieplicht, ondanks herhaalde herinnering en verzoeken van de bewindvoerder, niet naar behoren nagekomen. Zo ontbreken thans nog immer de uitkeringsspecificatie van het vakantiegeld over 2015 alsmede de betalingsbewijzen ten aanzien van de nieuwe schulden. Voorts stelt de bewindvoerder dat er, hoewel er gedurende het verloop van de schuldsaneringsregeling onduidelijkheid bestond inzake de sollicitatieplicht van [appellante] , deze in ieder geval wel onverkort van kracht is geweest gedurende de periode 20 januari 2013 tot en met januari 2015. Daarbij komt dat er een aanzienlijk aantal en bovendien ook omvangrijke nieuwe schulden is ontstaan. Het betreft nieuwe en inmiddels veelal al ter incasso uit handen gegeven schulden aan [gerechtsdeurwaarder] Gerechtsdeurwaarder inzake Woonstichting [vestigingsnaam] van circa € 2.340,00, GGN inzake Werkplein Hart van West-Brabant van circa € 755,00, Credifin van € 1.298,00, LAVG inzake Ziggo van € 159,46 en Intrum Justitia inzake ADSL Extra van € 375,13. Tot slot stelt de bewindvoerder dat de afdrachtplicht wel redelijk wordt nagekomen: er is sprake van een minimale boedelachterstand van € 13,43 berekend tot en met juni 2015. Zodra de bewindvoerder de specificatie van het vakantiegeld over het jaar 2015 van [appellante] heeft ontvangen kan zij de berekening van de boedelstand evenwel pas actualiseren.

3.7.

Hieraan is door de bewindvoerder ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. De bewindvoerder geeft aan dat zij de totale nieuwe schuld van [appellante] thans op een bedrag van ruim € 6.750,00 begroot. Voorts geeft de bewindvoerder aan dat zij van [appellante] nimmer enige stukken met betrekking tot het door [beslaglegger] gelegde beslag op haar uitkering heeft ontvangen en dat zij derhalve nu pas, bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep, begrijpt dat er maandelijks een bedrag van slechts € 48,00 – in plaats van het in de brief van mr. Tang van 3 september 2015 genoemde bedrag van € 361,70 per maand - wordt afgedragen. In dat geval is het volgens de bewindvoerder dan ook uitgesloten dat [appellante] de totale nieuwe schuld binnen de looptijd van een maximaal verlengde schuldsaneringsregeling geheel zal kunnen inlopen. De bewindvoerder heeft haar verzoek om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen dan ook gehandhaafd.

3.8.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.8.1.

Het hof dient, gelet op het bepaalde in artikel 350 lid 3 aanhef en sub c en d Fw, te beoordelen of er bij [appellante] , in het licht van de overige omstandigheden van het geval, sprake is van het niet naar behoren nakomen van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen of het door haar doen of nalaten anderszins belemmeren dan wel frustreren van de uitvoering van de schuldsaneringsregeling en het doen of laten ontstaan van bovenmatige schulden.

3.8.2.

Vast staat, temeer nu bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat de bewindvoerder met betrekking tot het door [beslaglegger] gelegde beslag nimmer enige bescheiden van [appellante] heeft ontvangen, [appellante] de voor haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatieverplichting, ondanks het feit dat zij in de eerdere procedure zowel door de bewindvoerder als door de rechtbank nadrukkelijk en bij herhaling op de strekking en reikwijdte van deze verplichting is gewezen, niet naar behoren is nagekomen. Het hof is van oordeel dat [appellante] het belang van de nakoming van voornoemde verplichting, mede omdat zij reeds sinds 9 januari 2012 in de schuldsaneringsregeling zit en deze regeling al eens tussentijds is verlengd, had moeten onderkennen en hiernaar had moeten handelen, hetgeen niet is geschied.

3.8.3.

Voorts staat vast, temeer nu zij zulks bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep nadrukkelijk heeft erkend, dat [appellante] , ook na het vonnis van 4 november 2014, bovenmatige nieuwe schulden heeft laten ontstaan. Hoewel het hof niet uitsluit dat deze nieuwe schulden voor een deel mede zijn ontstaan ten gevolge van de onfortuinlijke thuissituatie van [appellante] alsmede het door [beslaglegger] gelegde beslag op haar uitkering, gaat het hof hieraan uiteindelijk voorbij omdat deze omstandigheden zijn gelegen in de risicosfeer van [appellante] en het door [beslaglegger] gelegde beslag bovendien relatief beperkt in omvang is. Van niet-verwijtbaarheid is naar het oordeel van het hof geen sprake. Het hof merkt voorts op dat het, gelet op de totale omvang van de nieuwe schulden en de door [appellante] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep gestelde aflossingscapaciteit, volstrekt onaannemelijk is dat [appellante] in staat zal zijn om de totale nieuwe schuldenlast voor het einde van een maximaal verlengde schuldsaneringsregeling geheel te voldoen, nog daargelaten dat een concreet en onderbouwd financieel plan van aanpak hiertoe ontbreekt, althans in hoger beroep niet door [appellante] is overgelegd.

3.8.4.

Nu, zoals hierboven overwogen, de geconstateerde tekortkomingen [appellante] kunnen worden verweten, het bovendien om meerdere verwijtbare tekortkomingen gaat en bovendien de nieuwe schulden niet zullen kunnen worden ingelopen binnen de nog mogelijke termijn van verlenging acht het hof geen termen aanwezig om de schuldsaneringsregeling van [appellante] nogmaals te verlengen. Het hof overweegt hierbij nadrukkelijk dat [appellante] reeds bij vonnis van 4 november 2014 een allerlaatste kans heeft gekregen om gedurende een verlengde looptijd van de schuldsaneringsregeling de destijds al ontstane nieuwe schulden middels betalingsregelingen af te lossen. [appellante] heeft deze kans volledig onbenut gelaten zelfs bovenop deze nieuwe schulden wederom nieuwe schulden, meer concreet een aanzienlijke huurschuld, laten ontstaan.

Voor zover bedoeld is te betogen dat oude nieuwe schulden in dit stadium van de schuldsaneringsregeling niet meer zouden mogen moeten meewegen in het kader van de beslissing op het verzoek tot tussentijdse beëindiging dan wel ten aanzien van een mogelijke beslissing tot al dan niet extra verlenging, deelt het hof die visie niet. Het enkele feit van eerdere nieuwe schulden – als reeds beslecht bij vonnis van 4 november 2014 – als zodanig kan op zich beschouwd niet alsnog tot tussentijdse beëindiging leiden. Maar het feit dat dergelijke nieuwe schulden zich eerder hebben voorgedaan en het feit dat die nieuwe schulden nog niet zijn opgelost en daarenboven ‘nieuwere’ nieuwe schulden zijn ontstaan, kunnen wel degelijk gezamenlijk, in onderling verband worden beschouwd en meewegen bij de thans te nemen beslissing.

Op grond van het voorgaande is het hof dan ook van oordeel dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigd dient te worden en een tweede verlenging van de duur niet aan de orde is.

3.9.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.P. Zweers-van Vollenhoven, R.R.M. de Moor en H.R. Quint en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2015.