Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:3625

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-09-2015
Datum publicatie
01-10-2015
Zaaknummer
14/00487
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:2096
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorzetting procedure ECLI:NL:HR:2014:842, BNB 2014/167. Belanghebbende heeft een bedrag van € 650.000 niet aangegeven, hoewel dat bedrag in werkelijkheid belast inkomen was. In de procedure na verwijzing acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende voor het jaar 2002 niet de vereiste aangifte heeft gedaan. In alle volgens het Hof denkbare scenario’s heeft belanghebbende opzettelijk een zowel absoluut als relatief bezien omvangrijk belastingbedrag niet aangegeven. Belanghebbende doet niet blijken dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Ook is belanghebbende terecht een vergrijpboete opgelegd. De boete wordt verminderd tot 90 per cent wegens omkering bewijslast. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een verdere matiging, noch in verband met de redelijke termijn, noch anderszins.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/2133
FutD 2015-2429
NTFR 2015/2951 met annotatie van Mr. E.I. Brouwer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 14/00487

Uitspraak op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur

tegen de uitspraak van de Rechtbank te Arnhem (hierna: de Rechtbank) van 7 april 2011, nummer AWB 09/3229, in het geding tussen

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende

en

de Inspecteur,

betreffende de hierna te vermelden belastingaanslagen en beschikkingen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is over het jaar 2002 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: de IB/PVV) opgelegd, alsmede, bij beschikking, een boete. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Voorts is aan belanghebbende over het jaar 2002 een navorderingsaanslag in de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen opgelegd en is bij desbetreffende beschikking heffingsrente in rekening gebracht. De voornoemde navorderingsaanslagen (hierna: de navorderingsaanslagen), de boetebeschikking en de beschikkingen inzake heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur, alsmede de navorderingsaanslagen, de boetebeschikking en de beschikkingen inzake heffingsrente vernietigd.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft de Inspecteur hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem (hierna: Hof Arnhem). Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Hof Arnhem heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, het hoger beroep gegrond verklaard, het incidentele hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en het beroep met betrekking tot de navorderingsaanslagen, de boetebeschikking en de beschikkingen inzake heffingsrente ongegrond verklaard.

1.4.

Tegen de uitspraak van Hof Arnhem heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld. Bij arrest van 11 april 2014, nr. 13/00802, ECLI:NL:HR:2014:842, BNB 2014/167 (hierna: het verwijzingsarrest), heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie gegrond verklaard, de uitspraak van Hof Arnhem vernietigd en het geding verwezen naar het Hof ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het verwijzingsarrest.

1.5.

Het Hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het verwijzingsarrest. Beide partijen hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt.

1.6.

Het onderzoek ter zitting van het Hof heeft plaatsgehad op 24 november 2014 te ’s-Hertogenbosch. Partijen zijn aldaar verschenen en gehoord.

1.7.

Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.8.

Aan het slot van deze zitting heeft het Hof het onderzoek gesloten.

1.9.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat in afschrift aan partijen is gezonden.

2 Feiten en het verwijzingsarrest

Het Hof stelt op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de andere niet, althans onvoldoende, weersproken.

2.1.

Belanghebbende heeft tot en met 2003 een handel in gebruikte auto’s gedreven. Daarnaast handelt hij sinds 1998 in en verhuurt hij onroerende zaken. Die onroerende zaken zijn vanaf 2001 tot de rendementsgrondslag zoals bedoeld in artikel 5.3, lid 1, van de Wet IB 2001 gerekend.

2.2.

Belanghebbende heeft in 1998 [A] te [B] (hierna: het hotel) gekocht voor ƒ 1.000.000 (€ 453.780). Volgens een koopovereenkomst van 25 augustus 2002 heeft belanghebbende het hotel voor € 1.300.000 verkocht aan “ [C] , wonende te [D] (Rusland)” (hierna: [C] ). In die koopovereenkomst is onder meer bepaald dat de levering van het pand uiterlijk op 1 september 2005 zal plaatsvinden. Artikel 4 van de koopovereenkomst luidt:

“1. Tot zekerheid voor de nakoming van zijn verplichtingen is koper verplicht uiterlijk op 25 augustus 2002 bij de verkoper als waarborgsom een bedrag te voldoen van (€ 650.000) zeshonderdvijftig duizend euro.

5. Er wordt geen rente over de waarborgsom aan koper vergoed.”

2.3.

Op 26 augustus 2002 heeft belanghebbende € 650.000 (hierna: het bedrag van € 650.000) in contanten gestort op een op zijn naam staande bankrekening. De desbetreffende bank heeft ter zake van deze storting een melding ingevolge de (voormalige) Wet melding ongebruikelijk transacties.

2.4.

In verband met onduidelijkheid over de herkomst van de zojuist genoemde gelden is een opsporingsonderzoek ingesteld wegens verdenking jegens belanghebbende van witwassen. Op 14 oktober 2008 is een overzichtsproces-verbaal opgemaakt door twee opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD-ECD waarin de bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd. In dat overzichtsproces-verbaal is onder meer vermeld dat uit navraag bij de Oekraïense belastingautoriteiten is gebleken dat geen enkele informatie over [C] kon worden gevonden.

2.5.

De Inspecteur heeft op basis van dit overzichtsproces-verbaal aan belanghebbende onder meer een navorderingaanslag in de IB/PVV over het jaar 2002 opgelegd waarbij het bedrag van € 650.000 tot het belastbare inkomen uit werk en woning is gerekend. Gelijktijdig is aan belanghebbende een vergrijpboete van 100 percent (€ 326.522) opgelegd.

2.6.

Aan het verwijzingsarrest kan (voorts) het volgende worden ontleend:

“3.2. Het Hof heeft in de onderdelen 4.18 en 4.19 van zijn uitspraak geoordeeld dat de Inspecteur aannemelijk moet maken dat de door belanghebbende ontvangen “waarborgsom” van € 650.000 inkomen uit werk en woning vormt. Het Hof acht de Inspecteur in dat bewijs geslaagd. Het acht niet aannemelijk dat het ontvangen bedrag afkomstig is van de verkoop van het hotel. De omstandigheid dat een onbelaste verkooptransactie is gefingeerd, impliceert dat het bedrag van € 650.000 in werkelijkheid als belast inkomen is genoten, aldus het Hof. Dit heeft naar het oordeel van het Hof temeer te gelden nu belanghebbende tot en met 2003 een handel in gebruikte auto’s heeft gedreven waaruit deze (belaste) inkomsten afkomstig kunnen zijn, en belanghebbende geen andere plausibele verklaring voor de herkomst van de gelden heeft gesteld.

3.3.1.

Middel IV komt op tegen deze oordelen.

3.3.2. ’

s Hofs oordeel dat het aannemelijk acht dat het ontvangen bedrag niet afkomstig is van de verkoop van het hotel, berust op de aan het Hof voorbehouden waardering van de bewijsmiddelen. Dit oordeel is voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. Het Hof heeft aan het fingeren van een onbelaste verkooptransactie kennelijk het niet weerlegde vermoeden ontleend, en ook kunnen ontlenen, dat tot het bedrag van € 650.000 in werkelijkheid belaste inkomsten door belanghebbende zijn genoten. Voor zover middel IV deze oordelen bestrijdt, faalt het.

3.3.3.

Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat het volledige bedrag van € 650.000 als belaste inkomsten is genoten in het onderhavige jaar 2002. Dat oordeel kan niet worden gebaseerd op het enkele feit dat in dat jaar een verkooptransactie is gefingeerd. Zonder nadere motivering, welke ontbreekt, is ook niet begrijpelijk dat het volledige bedrag van € 650.000 afkomstig is van de handel in gebruikte auto’s in de periode van 1 januari tot 25 augustus 2002. Middel IV slaagt derhalve voor zover het erover klaagt dat ’s Hofs oordeel op dit punt onvoldoende met redenen is omkleed.

3.4.

De middelen I, II en III falen. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.5.1.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.3.3 is overwogen kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Dat brengt mee dat middel V inzake de opgelegde boete geen behandeling behoeft. Verwijzing moet volgen.

3.5.2.

In het geding na verwijzing kan aan de orde komen of sprake is van zogenoemde omkering van de bewijslast op de grond dat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan, zoals de Inspecteur heeft betoogd. Daarbij verdient opmerking dat slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte voor het jaar 2002 niet is gedaan, indien de Inspecteur aannemelijk maakt (a) dat belanghebbende een zodanig bedrag aan inkomsten niet in die aangifte heeft verantwoord dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan belasting niet is geheven en (b) dat belanghebbende dit ten tijde van het doen van die aangifte wist of zich daarvan toen bewust moest zijn (zie HR 30 oktober 2009, nr. 07/10513, ECLI:NL:HR:2009:BH1083, BNB 2010/47).

(…)”

2.7.

In de namens belanghebbende ingediende aangifte in de IB/PVV voor het jaar 2002 (hierna: de aangifte) is een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van € 6.948 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 41.141. Het aangegeven belastbare inkomen uit werk en woning bestaat voor € 3.805 uit belastbare winst uit onderneming en voor € 3.143 uit belastbare inkomsten uit eigen woning. De voor het jaar 2002 aangegeven gemiddelde rendementsgrondslag bedraagt € 1.028.526.

2.8.

Belanghebbende heeft het bedrag van € 650.000 niet als onderdeel van het belastbare inkomen uit werk en woning in de aangifte verantwoord. Ook in andere jaren is dat bedrag nimmer, geheel of ten dele, als belaste inkomsten aangegeven. Dat bedrag is in de aangifte evenmin als onderdeel van de bezittingen per 1 januari 2002 ter vaststelling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen verantwoord. De aangegeven waarde van bank-, giro- en spaartegoeden bedraagt per 1 januari 2002 € 277.195 en per 31 december 2002 € 1.018.735. De aangegeven waarde van de overige onroerende zaken bedraagt per 31 december 2002 € 282.102. Daarin is begrepen € 741.000 als waarde van het hotel en een bedrag van -/- € 650.000 als (beweerdelijke) waarborgsom ter zake van de onder 2.2 bedoelde transactie.

2.9.

De aan belanghebbende opgelegde voorlopige en definitieve aanslagen in de IB/PVV voor het jaar 2002 zijn overeenkomstig de aangifte vastgesteld. De ingevolge deze belastingaanslagen verschuldigde IB/PVV bedroeg € 12.767.

2.10.

Bij de onderhavige navorderingsaanslag in de IB/PVV is het belastbare inkomen uit werk en woning verhoogd met € 650.000.

2.11.

Voorts is de belastbare winst uit onderneming gecorrigeerd met € 3.045 en de gemiddelde rendementsgrondslag met € 563.917. De laatstgenoemde correctie betrof de waardering van enkele onroerende zaken, de waardering van een effectenportefeuille en de waarde van privéleningen die ten onrechte tot het ondernemingsvermogen waren gerekend.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Na verwijzing is tussen partijen in geschil (i) of het bedrag van € 650.000 door belanghebbende in het jaar 2002 genoten belaste inkomsten betreft, (ii) of de boetebeschikking (geheel of ten dele) in stand moet blijven en (iii) of belanghebbende recht heeft op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de beslechting van het onderhavige geschil.

Belanghebbende beantwoordt vragen (i) en (ii) ontkennend en vraag (iii) bevestigend. De Inspecteur beantwoordt vraag (i) bevestigend en vraag (ii) aldus dat de boetebeschikking geheel in stand moet blijven.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden beschouwd. Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal. Over de juistheid van de onder 2.11 hiervóór genoemde correcties als zodanig bestaat geen geschil.

3.3.

Belanghebbende concludeert, naar het Hof verstaat, tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het tegen de uitspraken op bezwaar ingestelde beroep.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

De verdeling van de bewijslast, het bewijs en de hoogte van de navorderingsaanslagen en beschikkingen

4.1.

Het Hof zal ten eerste beoordelen of er grond is voor “omkering van de bewijslast” zoals bedoeld in artikel 27j, lid 2, in verbinding met artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (tekst voor het jaar 2011).

4.2.

In het geding na verwijzing moet ervan worden uitgegaan dat belanghebbende uiterlijk in het jaar 2002 € 650.000 aan belaste inkomsten heeft genoten. Vaststaat dat belanghebbende dat bedrag niet als onderdeel van het belastbare inkomen uit werk en woning heeft verantwoord, noch, onder de vigeur van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, als winst uit onderneming, dan wel inkomsten uit andere arbeid. Gezien de onder 2.8 weergegeven verantwoording van de rendementsgrondslag op 31 december 2002, voor zover te dezen van belang, moet er voorts vanuit worden gegaan dat het bedrag van € 650.000 evenmin als zodanig is aangegeven. Weliswaar kan ervan worden uitgegaan dat dat bedrag als onderdeel van de banktegoeden van belanghebbende per 31 december 2002 is aangegeven, maar hetzelfde bedrag is (ten onrechte) als beweerdelijke waarborgsom ter zake van de gefingeerde verkoop van het hotel in mindering gebracht op de bezittingen, zodat er per saldo van het aangeven van dat bedrag, anders dan belanghebbende betoogt, geen sprake is geweest. Van aftrek wegens een verplichting tot levering van het hotel kan, gezien de gefingeerde verkoop daarvan, geen sprake zijn. Het Hof zal met inachtneming van dit een en ander beoordelen of de vereiste aangifte is gedaan.

4.3.

De vereiste aangifte is niet gedaan indien (a) belanghebbende een zodanig bedrag aan inkomsten niet in de aangifte heeft verantwoord dat daardoor een zowel absoluut als relatief bezien aanzienlijk bedrag aan belasting, dan wel belasting en premie, niet is geheven en (b) belanghebbende dit ten tijde van het doen van die aangifte wist of zich daarvan destijds bewust moet zijn geweest.

4.4.

Het Hof stelt voorop dat in de procedure na verwijzing aannemelijk is dat belanghebbende het bedrag van € 650.000 opzettelijk niet heeft aangegeven en dat hij met de gefingeerde verkoop van het hotel, een beweerdelijk onbelaste verkooptransactie, heeft getracht te verhullen dat hij tot dat bedrag in werkelijkheid belaste inkomsten heeft genoten. Het Hof acht aannemelijk dat zojuist genoemde niet-verantwoording van het bedrag van € 650.000 in de aangifte overeenstemt met belanghebbendes wens om de belaste aard van dat bedrag te verhullen. Belanghebbende heeft derhalve opzettelijk onjuist aangifte gedaan; zijn wil was gericht op de niet-verantwoording van en dientengevolge de niet-heffing over dat bedrag.

4.5.

Wat dan rest is het antwoord op de vraag of de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de aangifte ertoe heeft geleid dat een absoluut en relatief omvangrijk bedrag aan belasting, dan wel belasting en premie, niet is geheven.

4.6.

Het Hof stelt in dit verband voorop dat het de Inspecteur niet erin geslaagd acht aannemelijk te maken dat het bedrag van € 650.000 geheel in het jaar 2002 door belanghebbende is gerealiseerd of genoten. Het voornaamste argument dat de Inspecteur in dat verband heeft aangevoerd betreft de omstandigheid dat de onder 2.3 genoemde storting een eurostorting was en dat de euro op 1 januari 2002 in Nederland is ingevoerd. Weliswaar kan daarin een aanwijzing worden gevonden dat het voornoemde bedrag geheel in 2002 door belanghebbende is gerealiseerd of genoten, maar tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende van de stellingname van de Inspecteur, in combinatie met hetgeen is komen vast te staan over de door belanghebbende verrichte werkzaamheden (kortweg: een handel in tweedehandsauto’s en niet nader geduide handel in en verhuur van onroerende zaken) heeft de Inspecteur niet het van hem in dit verband te verlangen bewijs geleverd.

4.7.

Het Hof acht denkbaar dat het bedrag van € 650.000 hetzij gedurende een langere periode door belanghebbende is vergaard, dan wel dat het bedrag is vergaard met een of meer incidentele transacties waarvan volstrekt duister is gebleven op welk(e) tijdstip(pen) die transacties hebben plaatsgevonden. Gelet op die onduidelijkheid zal het Hof uitgaan van de volgende, naar ’s Hofs oordeel denkbare, scenario’s en voor elk van die scenario’s beoordelen of belanghebbende de vereiste aangifte al dan niet heeft gedaan:

a. Belanghebbende heeft het bedrag van € 650.000 in het jaar 2002 gerealiseerd als winst uit onderneming, dan wel resultaat uit overige werkzaamheden;

b. Belanghebbende heeft het bedrag van € 650.000 in enig(e) ja(a)r(en) voorafgaand aan het jaar 2002 gerealiseerd als winst uit onderneming dan wel resultaat uit overige werkzaamheden en het desbetreffende bedrag is tot en met 2002 tot belanghebbendes ondernemings- respectievelijk resultaatvermogen blijven behoren;

c. Het bedrag van € 650.000 is op een of meerdere momenten voorafgaand aan de onder 2.3 genoemde storting door belanghebbende vergaard en behoort althans op 31 december 2002 tot de rendementsgrondslag zoals bedoeld in artikel 5.3, lid 1, van de Wet IB 2001.

4.8.

Ingeval wordt uitgegaan van het scenario waarin belanghebbende het bedrag van € 650.000 in het jaar 2002 als belastbaar inkomen uit werk en woning heeft gerealiseerd, is – indachtig het onder 4.4 overwogene – de vereiste aangifte niet gedaan. De ter zake van dat bedrag verschuldigde IB/PVV ontstijgt immers in zowel absolute als relatieve zin de IB/PVV die belanghebbende, bij denkbeeldige juistheid van de aangifte zoals hij deze heeft gedaan, verschuldigd zou zijn.

4.9.

Indien wordt verondersteld dat belanghebbende het bedrag van € 650.000 in de periode voorafgaand aan het jaar 2002 zou hebben gerealiseerd als winst uit onderneming dan wel als resultaat uit overige werkzaamheden of inkomsten uit andere arbeid, moet eveneens worden geoordeeld dat de volgens de aangifte verschuldigde IB/PVV absoluut en relatief aanzienlijk lager is dan de daadwerkelijk verschuldigde IB/PVV. Uitgaande van de veronderstelling dat het bedrag van € 650.000 desalniettemin, althans tot en met 2002, tot belanghebbendes ondernemings- respectievelijk resultaatvermogen behoort, bevat belanghebbendes eindvermogen voor het jaar 2001 een fout die met toepassing van de foutenleer moet worden hersteld en wel zodanig dat het bedrag van € 650.000 alsnog tot de winst uit onderneming respectievelijk het resultaat uit overige werkzaamheden van het jaar 2002 wordt gerekend. Hetgeen onder 4.5 is overwogen over de absolute en relatieve grootte van de in dit scenario niet-geheven IB/PVV geldt dienovereenkomstig.

4.10.

In het laatste scenario wordt ervan uitgegaan dat het bedrag van € 650.000 geheel of ten dele in de periode voorafgaand aan 23 augustus 2002 is gerealiseerd of genoten. Bij gebreke van duidelijkheid over de mate waarin het bedrag in 2002 en voorafgaand daaraan is vergaard, wordt in het voordeel van belanghebbende verondersteld dat (i) het bedrag geheel niet tot het ondernemings- of resultaatvermogen in het jaar 2002 moet worden gerekend en (ii) dat dat bedrag evenmin geheel of ten dele tot de rendementsgrondslag op 1 januari 2002 behoort. Wat dan rest is de constatering dat het bedrag van € 650.000 tot de rendementsgrondslag op 31 december 2002 behoort. Ook voor dit scenario heeft de Inspecteur betoogd dat een absoluut en relatief omvangrijk belastingbedrag bij het volgen van de aangifte niet zou zijn geheven. De Inspecteur heeft daartoe zowel gewezen op het onder 2.8 geschetste niet-aangeven van het bedoelde bedrag als onderdeel van de rendementsgrondslag per 31 december 2002 als op de onder 2.11 genoemde correcties.

4.11.

Aangezien het Hof de Inspecteur niet erin geslaagd acht aannemelijk te maken dat belanghebbende zich bewust was of had moeten zijn van de onjuistheid van de aangifte voor zover de aangifte de in 2.11 bedoelde posten betreft, zal het Hof de ten gevolge van die correcties verschuldigde IB/PVV buiten beschouwing laten bij de beantwoording van de vraag of de niet-verantwoording van het bedrag van € 650.000 ertoe leidt dat er absoluut en relatief te weinig IB/PVV zou worden geheven. Het Hof zal derhalve de ter zake van een rendementsgrondslag van € 650.000 per 31 december 2002 verschuldigde inkomstenbelasting beoordelen, zowel in absolute als in relatieve zin, namelijk in relatie tot de in het onderhavige scenario verschuldigde IB/PVV over het jaar 2002.

4.12.

De verschuldigde IB/PVV bij veronderstelde juistheid van de aangifte bedraagt € 12.767 (zie onderdeel 2.9 hiervóór). Indachtig het vorenoverwogene is aannemelijk dat belanghebbende bewust het bedrag van € 650.000 niet als onderdeel van de rendementsgrondslag per 31 december 2002 heeft aangegeven. De dientengevolge niet geheven inkomstenbelasting bedraagt € 3.900, zijnde 30% x 4% x 50% x € 650.000. Dat bedrag is absoluut bezien aanzienlijk. Het is eveneens relatief aanzienlijk, indien het wordt gerelateerd aan de in dit scenario verschuldigde IB/PVV, zijnde de volgens de aangifte verschuldigde IB/PVV van € 12.767, vermeerderd met het voornoemde bedrag aan inkomstenbelasting van € 3.900, alsmede de IB/PVV over de onder 2.11 genoemde correcties van de aangegeven belastbare winst uit onderneming en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen (het bedrag van € 3.900 bedraagt 15 à 16 percent van dat totaal).

4.13.

Het vorenoverwogene betekent dat belanghebbende in alle naar ’s Hofs oordeel denkbare scenario’s de vereiste aangifte niet heeft gedaan. Dat betekent dat het (hoger) beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond moet worden verklaard, tenzij belanghebbende doet blijken dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Belanghebbende heeft geen zodanig bewijs in het geding gebracht.

4.14.

Het zojuist overwogene laat onverlet dat het Hof zal beoordelen of de onderhavige navorderingsaanslagen en beschikkingen berusten op een redelijke schatting. Dat is het geval indien die belastingaanslagen en beschikkingen niet naar willekeur zijn vastgesteld. De Inspecteur is er in dit verband vanuit gegaan dat het bedrag van € 650.000 behoort tot het door belanghebbende in 2002 gerealiseerde belastbare inkomen uit werk en woning. Hoewel de juistheid van die veronderstelling met onzekerheden is omgeven (zie het onder 4.5 en 4.6 hiervóór overwogene), kan naar ’s Hofs oordeel niet worden gezegd dat de Inspecteur de navorderingsaanslagen en beschikkingen naar willekeur heeft vastgesteld. In de omstandigheid dat de in 2.3 genoemde storting in 2002 heeft plaatsgevonden en in de bepaald niet-irreële veronderstelling dat de gefingeerde verkooptransactie ter zake van het hotel was bedoeld om te verhullen dat het meergenoemde bedrag van € 650.000 in werkelijkheid belaste inkomsten waren, welke veronderstelling na cassatie voor juist moet worden gehouden, kon de Inspecteur voldoende gronden vinden om de navorderingsaanslagen en beschikkingen vast te stellen zoals hij heeft gedaan.

Ten aanzien van de boetebeschikking

4.15.

Zoals in onderdeel 4.4 hiervóór is overwogen, acht het Hof bewezen dat belanghebbende opzettelijk onjuist aangifte heeft gedaan door het bedrag van € 650.000 in het geheel niet in de aangifte te vermelden. Het is aan belanghebbendes opzet te wijten dat de aanslag voor het jaar 2002 te laag is vastgesteld.

4.16.

Het Hof is voorts van oordeel dat belanghebbende terecht een vergrijpboete van 100 percent is opgelegd. Het Hof acht aannemelijk dat hij een verkooptransactie met betrekking tot het hotel heeft gefingeerd teneinde belaste inkomsten ten bedrage van € 650.000 voor de Inspecteur te verzwijgen. De aangifte is dienovereenkomstig gedaan. Er is sprake van listigheid, waardoor het Hof een boete van 100 percent, als uitgangspunt, passend en geboden acht.

4.17.

De hoogte van de boete wordt bepaald door het voornoemde percentage toe te passen op de verschuldigde IB/PVV, zijnde de met toepassing van “omkering van de bewijslast” vastgestelde IB/PVV. Het Hof zal evenwel beoordelen of de omstandigheid dat de verschuldigde IB/PVV aldus is vastgesteld moet leiden tot matiging van de boete in het kader van een oordeel over de in het onderhavige geval passende en geboden sanctie. Aangezien er weliswaar geen onzekerheid is over het bedrag van door belanghebbende behaalde inkomsten, maar er wel onzekerheid is over het jaar of de jaren waarin dat bedrag is vergaard, acht het Hof termen aanwezig tot een matiging van de boete in verband met de omstandigheid dat de verschuldigde IB/PVV is vastgesteld met toepassing van “omkering van de bewijslast”. Het Hof zal de boete met inachtneming daarvan vaststellen op 90 per cent. Het Hof ziet in de omstandigheden van belanghebbende en de onderwerpelijke zaak overigens geen aanleiding voor een verdergaande boetematiging.

4.18.

Het Hof acht ten slotte geen termen aanwezig voor matiging van de boetebeschikking wegens overschrijding van de redelijke termijn. Uitgaande van de eerste aankondiging van het opleggen van de onderhavige vergrijpboete bij schrijven van 3 november 2008 van de Inspecteur aan belanghebbende, zijn tot de dagtekening van deze uitspraak (afgerond) 6 jaren en 11 maanden verstreken. Gezien het procesverloop tot dusverre is de redelijke termijn niet overschreden, ook niet indien het procesverloop als één geheel wordt beschouwd. Wat betreft de overschrijding van de redelijke termijn die zich in de eerste fase, tot de datum waarop de Rechtbank uitspraak deed, heeft voorgedaan, sluit het Hof zich aan bij overweging 4.27 uit de uitspraak van Hof Arnhem en maakt het die overweging tot de zijne.

Ten aanzien van belanghebbendes verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

4.19.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling van de Inspecteur en/of de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) tot vergoeding van immateriële schade. Wat betreft de termijn tot de dag waarop Hof Arnhem uitspraak deed, geldt dat hetgeen dat Hof in overweging 4.20 van zijn uitspraak heeft overwogen na het verwijzingsarrest onherroepelijk is komen vast te staan. De procedure nadien, dus na de dag waarop Hof Arnhem uitspraak deed tot de dag van de onderhavige uitspraak, is niet zodanig lang dat geoordeeld moet worden dat de redelijke termijn is overschreden. Zoals in overweging 4.18 besloten ligt, is de termijn die met de procedure als geheel gemoeid is geweest evenmin te lang geweest in de onderhavige zin.

Slotsom

4.20.

Het gelijk is aan de Inspecteur. Het Hof zal diens hoger beroep gegrond verklaren, de uitspraak van de Rechtbank gedeeltelijk vernietigen en, doende wat de Rechtbank had behoren te doen, het tegen de uitspraken op het bezwaar tegen de navorderingsaanslagen en beschikkingen inzake heffingsrente ingestelde beroep ongegrond verklaren, het beroep tegen de uitspraak op bezwaar tegen de boetebeschikking gegrond verklaren en die beschikking verminderen tot € 293.896.

Ten aanzien van het griffierecht

4.21.

Het Hof acht geen termen aanwezig om te gelasten dat ter zake van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep enig griffierecht wordt geheven.

Ten aanzien van de proceskosten

4.22.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten zoals bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen inzake de proceskosten en het griffierecht;

  • -

    verklaart het tegen de uitspraken op het bezwaar tegen de navorderingsaanslagen en de beschikkingen inzake heffingsrente ingestelde beroep ongegrond;

  • -

    verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar tegen de boetebeschikking ingestelde beroep gegrond;

  • -

    vermindert de boetebeschikking tot een bedrag van € 293.896.

Aldus gedaan op: 17 september 2015 door P.C. van der Vegt, voorzitter, P.A.G.M. Cools en J.W. Verstraate, in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.