Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:3594

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-09-2015
Datum publicatie
16-09-2015
Zaaknummer
HD 200.160.449_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

aanrijding auto en motor, letselschade motor; niet vast te stellen wie door rood reed; toepassing HR 8 juli 2011 ECLI:NL:HR:2011:BP6996.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 101
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2016/115
JA 2016/46
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.160.449/01

arrest van 15 september 2015

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. C.C. Janssen te Goes,

tegen

1 [geintimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [schadeverzekering] Schadeverzekering N.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerden,

hierna tezamen aan te duiden als [geintimeerden c.s.] en afzonderlijk als [geintimeerde 1] en [schadeverzekering] ,

advocaat: mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem,

op het bij exploot van dagvaarding van 24 november 2014 ingeleide hoger beroep van de deelgeschilbeschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 13 januari 2014, gewezen tussen [appellant] als verzoeker en [geintimeerden c.s.] als verweerders.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/02/267721/HA RK 13-178)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde beschikking alsmede naar het vonnis van 19 november 2014.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven van 20 januari 2015 met vier producties;

  • -

    de memorie van antwoord van 3 maart 2015.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep staan de volgende feiten vast.

3.1.1.

Op 20 augustus 2010 omstreeks 11.15 uur heeft op de kruising van de [straat 1] en de [straat 2] in [plaats] een ongeval plaatsgevonden waarbij [appellant] (geboren [geboortedatum] 1962) als motorrijder, rijdend in westelijke richting over de [straat 2] , en [geintimeerde 1] (geboren [geboortedatum] 1968) als bestuurder van een bestelwagen (Volkswagen Caddy), rijdend in noordelijke richting over de [straat 1] , betrokken waren. De kruising ligt binnen de bebouwde kom en er geldt een maximumsnelheid van 50 km/u. Het kruisingsvlak is met verkeerslichten beveiligd.

3.1.2.

Bezien vanuit de rijrichting van [geintimeerde 1] heeft de [straat 1] vóór het kruisingsvlak drie rijstroken, waarvan twee voor het verkeer dat rechtdoor gaat en één voor het verkeer dat rechtsaf slaat. Rechts van de weg bevindt zich eerst een verhard gedeelte met bomen en lantaarnpalen, daarnaast ligt een fietspad, daarnaast een trottoir en vervolgens bebouwing. De verkeerslichten en de stopstrepen bevinden zich enkele meters vóór het kruisingsvlak.

3.1.3.

Bezien vanuit de rijrichting van [appellant] heeft de [straat 2] vóór het kruisingsvlak eveneens drie rijstroken, waarvan één voor het verkeer dat rechtsaf gaat, één voor het verkeer dat rechtdoor gaat en één voor het verkeer dat linksaf gaat. De verkeerslichten en de stopstrepen bevinden zich ook hier enkele meters vóór het kruisingsvlak.

3.1.4.

De [straat 1] is een voorrangsweg. De gemeente heeft op deze weg een zgn. “groene golf” ingesteld. De bewuste kruising over de [straat 1] naderend, staat een verkeersbord dat aanduidt dat men op een voorrangsweg rijdt en een verkeersbord waarop de “groene golf” staat afgebeeld met daaronder: “50 km/u”.

3.1.5.

Bij nadering van de kruising vanaf de [straat 2] staat een verkeersbord dat men een voorrangsweg nadert. Voorts zijn er direct vóór het kruisingsvlak, enkele meters achter de stopstreep, zgn. haaientanden op de weg aangebracht.

3.1.6.

[geintimeerde 1] en [appellant] wilden beiden rechtdoor rijden en zijn op de kruising met elkaar in botsing gekomen. De voorzijde van de auto van [geintimeerde 1] heeft de gehele linkerzijde van de motor van [appellant] geraakt. De aanrijding heeft, bezien vanuit de rijrichting van [appellant] , plaatsgevonden op dat deel van de kruising dat ongeveer in het verlengde ligt van de scheidslijn tussen de rijstroken voor rechtsaf en voor rechtdoor gaand verkeer op de [straat 2] .

3.1.7.

[appellant] heeft als gevolg van het ongeval een posttraumatische amnesie (hersenletsel) en een gecompliceerde crurisfractuur aan zijn linker onderbeen opgelopen. Hij heeft inmiddels 23 ingrepen aan zijn onderbeen ondergaan. Door het bij het ongeval opgelopen letsel is [appellant] , die opperman was van beroep, volledig arbeidsongeschikt geraakt.

3.1.8.

[schadeverzekering] is de WAM-verzekeraar van [geintimeerde 1] .

3.1.9.

[appellant] heeft [geintimeerden c.s.] aansprakelijk gesteld. [geintimeerden c.s.] hebben de aansprakelijkheid afgewezen.

3.2.1.

[appellant] heeft op 19 juli 2013 een verzoekschrift deelgeschil met 11 producties ingediend bij de rechtbank en verzocht:

I voor recht te verklaren dat [geintimeerden c.s.] aansprakelijk zijn voor alle, subsidiair voor een bepaald percentage, van de door [appellant] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het ongeval op 20 augustus 2010;

II [geintimeerden c.s.] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [appellant] van een voorschot op de schadevergoeding van € 15.000,--, subsidiair een door de rechtbank te bepalen bedrag;

III de kosten te begroten op € 3.136,32 en te bepalen dat [schadeverzekering] de kosten van de deelprocedure, althans een door de rechter te bepalen bedrag, binnen 14 dagen na datum eindbeschikking aan [appellant] zal voldoen. Bij akte heeft [appellant] dit bedrag vermeerderd tot

€ 4.234,03, te vermeerderen met het griffierecht.

3.2.2.

[geintimeerden c.s.] hebben op 22 oktober 2013 een verweerschrift met vier producties ingediend.

3.2.3.

Het deelgeschil is op 22 oktober 2013 ter zitting behandeld. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt. Namens [appellant] zijn daarbij pleitaantekeningen overgelegd. [appellant] heeft tevens een akte genomen en daarbij vier producties in het geding gebracht. Ook [geintimeerden c.s.] hebben een akte genomen en daarbij vier producties in het geding gebracht.

3.2.4.

Bij beschikking van 13 januari 2014, waarvan thans beroep, heeft de rechtbank de kosten aan de zijde van [appellant] begroot op € 4.378,32 met toepassing van 6% kantoorkosten in plaats van de verzochte 8%, en de verzoeken van [appellant] voor het overige afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank, kort weergegeven, overwogen dat het criterium van HR 8 juli 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP6996) opgeld doet en het daartegen gerichte verweer van [geintimeerden c.s.] wordt verworpen. De rechtbank is ervan uitgegaan dat [geintimeerde 1] door groen licht is gereden en dat hij op het punt van alcoholgebruik geen wetsbepaling heeft overtreden. Het is niet komen vast te staan of dit van invloed is geweest op het plaatsvinden van de aanrijding; er is geen reden voor toepassing van de omkeringsregel, aldus de rechtbank. [appellant] moet door rood licht hebben gereden en de rechtbank concludeert dat [appellant] tussen de auto’s die vóór de stopstreep stonden door, de kruising is opgereden. Voorts oordeelde de rechtbank dat het verkeersgedrag van [geintimeerde 1] niet als onrechtmatig jegens [appellant] kan worden gekwalificeerd.

3.2.5.

Op 20 augustus 2014 heeft [appellant] [geintimeerden c.s.] gedagvaard in de bodemzaak en gevorderd, kort weergegeven, een verklaring voor recht dat [geintimeerden c.s.] aansprakelijk zijn voor het ongeval, een veroordeling van [geintimeerden c.s.] tot betaling van alle materiële en immateriële schade op te maken bij staat, een voorschot van € 15.000,-- en de proceskosten. Tevens vorderde [appellant] hem verlof te verlenen om in hoger beroep te komen van de deelbeschikking van 13 januari 2014.

Bij tussenvonnis van 19 november 2014, rolnr. C/02/286909/HA ZA 14-629, heeft de rechtbank aan [appellant] het gevraagde verlof tot het instellen van hoger beroep verleend en is de bodemzaak aangehouden en naar de parkeerrol verwezen totdat het hof op het huidige hoger beroep in de deelgeschilprocedure zal hebben beslist.

3.3.1.

[appellant] heeft tegen de beschikking in het deelgeschil bij memorie van grieven tien grieven aangevoerd, met conclusie:

I tot vernietiging van de deelgeschilbeschikking van 13 januari 2014;

II te verklaren voor recht dat [geintimeerden c.s.] hoofdelijk aansprakelijk zijn, primair voor alle, subsidiair voor een percentage van de door [appellant] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade door het ongeval van 20 augustus 2010, met betaling van een bedrag van € 15.000,-- als voorschot op de schadevergoeding;

III [geintimeerden c.s.] te veroordelen in de kosten van beide instanties, met nakosten en wettelijke rente,

IV zulks uitvoerbaar bij voorraad.

3.3.2.

De grieven houden, kort en zakelijk weergegeven, het volgende in.

Grief 1 betreft het oordeel van de rechtbank omtrent het alcoholgebruik van [geintimeerde 1] .

In grief 2 maakt [appellant] er bezwaar tegen dat de rechtbank zijn verklaring dat hij door groen licht is gereden, buiten beschouwing laat.

In grief 3 maakt [appellant] bezwaar tegen de vaststelling door de rechtbank dat [appellant] tussen auto’s door de kruising is opgereden.

De grieven 4 en 5 bevatten een bezwaar tegen de vaststelling dat [geintimeerde 1] eerder drie kruispunten met groene verkeerslichten was gepasseerd en dat [geintimeerde 1] ook op het kruispunt waar het ongeval plaatsvond, groen licht had.

In grief 6 maakt [appellant] bezwaar tegen de kwalificatie door de rechtbank van de [straat 1] als een “doorgaande route”.

Grief 7 betreft de (on)overzichtelijkheid van de kruising en de vraag of [geintimeerde 1] een concrete aanleiding had om verdacht te zijn op de mogelijkheid dat een motorrijder (tussen voor de stopstreep stilstaande auto’s door) de kruising op zou rijden.

Grief 8 bevat een bezwaar tegen de vaststelling door de rechtbank dat [geintimeerde 1] voorafgaand aan de aanrijding nog enigszins naar links is uitgeweken, dat [geintimeerde 1] reeds vier rijbanen was overgestoken, en dat het een feit van algemene bekendheid is dat een motorrijder sneller kan optrekken dan een automobilist.

In grief 9 maakt [appellant] bezwaar tegen de berekening van 6% kantoorkosten in plaats van 8%, en grief 10 is een “veeggrief” waarmee [appellant] beoogt de beschikking in zijn geheel aan het hof voor te leggen.

3.3.3.

[geintimeerden c.s.] hebben de grieven bij memorie van antwoord bestreden en geconcludeerd de grieven te verwerpen en de beschikking te bekrachtigen met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in beide instanties, met wettelijke rente.

3.4.1.

Het hof overweegt als volgt.

Zowel partijen als de rechtbank zijn ervan uitgegaan, dat in dit geval de criteria van toepassing zijn die de Hoge Raad heeft geformuleerd in zijn arresten van 17 november 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AY9749) en 8 juli 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP6996). Dat is juist en het hof deelt die conclusie, aangezien ook in dit geval niet vast staat en niet meer vastgesteld kan worden wie van beide bestuurders door rood licht is gereden (zie ook de opmerking van de verbalisanten op blz. 8 van het proces-verbaal van de politie), terwijl wel vaststaat dat de lichten niet tegelijkertijd groen konden zijn.

3.4.2.

De grieven 1 t/m 8 zijn gericht tegen de wijze waarop de rechtbank de genoemde arresten heeft toegepast en de afweging die de rechtbank in dat verband van de omstandigheden in dit geval heeft gemaakt. Het hof zal deze grieven tezamen behandelen.

3.4.3.

De maatstaf waaraan allereerst het verkeersgedrag van [geintimeerde 1] , die door [appellant] aansprakelijk wordt gehouden voor alle door hem als gevolg van het ongeval geleden schade, en vervolgens het verkeersgedrag van [appellant] in verband met het beroep van [geintimeerden c.s.] op art. 6:101 BW, moet worden getoetst luidt als volgt.

Bij de beantwoording van de vraag of in een geval waarin geen van beide partijen het bewijs heeft geleverd met betrekking tot de vraag welke partij door rood is gereden, de ene bestuurder aansprakelijk is tegenover de andere, dient te worden uitgegaan van de veronderstelling dat de aansprakelijk gestelde bestuurder door groen licht is gereden. Uit die enkele omstandigheid volgt echter niet zonder meer dat deze gedaagde niet aansprakelijk is voor de schade die door eiser is geleden als gevolg van de aanrijding die vervolgens heeft plaatsgevonden. Indien gedaagde onmiddellijk voor de aanrijding gevaarzettend heeft gehandeld en daardoor een situatie in het leven heeft geroepen waarin de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval als gevolg van dat handelen zo groot was dat hij zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden, volgt uit de artikelen 5 WVW 1994 en 6:162 BW dat hij wel degelijk aansprakelijk is tegenover eiser. Bij de beantwoording van de vraag of inderdaad een aansprakelijkheid als hier bedoeld is ontstaan, moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen. Ten aanzien van gevallen als de onderhavige dient de rechter in dat verband, naast de veronderstellenderwijs aangenomen omstandigheid dat gedaagde door groen is gereden, mee te wegen:

  • -

    a) het verkeersgedrag van partijen onmiddellijk voorafgaand aan de aanrijding, waarbij van belang is (i) of gedaagde een concrete aanleiding had om verdacht te zijn op de mogelijkheid dat eiser het voor hem rood licht uitstralende stoplicht zou negeren en de kruising zou oprijden, en (ii) de snelheid van beide automobilisten en de afstand die zij beiden tot de desbetreffende kruising hadden op het moment waarop zij elkaar opmerkten;

  • -

    b) de overzichtelijkheid van die kruising, en

  • -

    c) of ter plaatse waarschuwingsborden waren geplaatst.

Indien op grond van de hier bedoelde afweging moet worden geoordeeld dat gedaagde, ondanks de veronderstellenderwijs aangenomen omstandigheid dat hij door groen licht is gereden, aansprakelijk is tegenover eiser voor de door deze als gevolg van de aanrijding geleden schade, kan vervolgens de vraag aan de orde komen of de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde/eiser kan worden toegerekend als bedoeld in art. 6:101 BW. Bij de beantwoording van die vraag moet eveneens ten aanzien van eiser ervan worden uitgegaan dat deze door groen licht is gereden.

3.4.4.

Het hof gaat er veronderstellenderwijs van uit dat [geintimeerde 1] door groen licht is gereden.

Wat het verkeersgedrag van [geintimeerde 1] direct voorafgaand aan de aanrijding betreft neemt het hof de navolgende omstandigheden in aanmerking.

( a) [geintimeerde 1] is direct na het ongeluk aangehouden als verdachte van overtreding van art. 8 lid 2 b jo. artikel 8 lid 1 jo. artikel 8 lid 2 a jo. art. 6 WVW 1994 en voorgeleid aan de hulpofficier van justitie (pag. 16 pv politie).

[geintimeerde 1] had, naar zijn zeggen de vorige avond en nacht, alcohol gebruikt en had een uur en drie kwartier na het ongeval een ademonderzoekresultaat van 175 mg/l, terwijl de wettelijke grens ligt op 220 mg/l. Het staat weliswaar niet vast, en kan niet meer vastgesteld worden, dat [geintimeerde 1] ten tijde van de aanrijding meer alcohol in zijn bloed had dan wettelijk is toegestaan, maar hij had wel een zekere hoeveelheid alcohol in zijn bloed, terwijl een feit van algemene bekendheid is dat alcohol, ook een mindere hoeveelheid dan wettelijk is toegestaan, het reactievermogen negatief beïnvloedt.

  • -

    b) Uit de verklaring van [geintimeerde 1] zelf en het proces-verbaal van de politie blijkt dat [geintimeerde 1] met een onverminderde snelheid van 50 km/u de kruising is opgereden. Uit de foto’s die zijn overgelegd als prod. 8 bij inleidend verzoekschrift leidt het hof af dat de kruising voor [geintimeerde 1] aanvankelijk niet goed te overzien was in die zin, dat hij door bebouwing en beplanting rechts van de [straat 1] niet goed rechts de [straat 2] , waar [appellant] uit kwam, in kon kijken. Zodra hij de stopstreep bij de verkeerslichten echter was gepasseerd had [geintimeerde 1] een ruim zicht de [straat 2] in en kon hij het verkeer dat bij die verkeerslichten stond, goed zien. [geintimeerde 1] heeft bij het betreden van de kruising kennelijk niet naar rechts gekeken, waar hij [appellant] had kunnen zien aankomen. [geintimeerde 1] heeft immers tegenover de politie verklaard dat hij plotseling “in zijn ooghoek” een motorrijder van rechts zag komen en dat deze voor hij het wist voor zijn auto terecht kwam. [geintimeerde 1] stelt wel dat hij nog heel hard heeft geremd, maar de politie heeft in het proces-verbaal genoteerd (pag. 5 pv) dat slechts een geringe lengte van krassporen van de motor, en wel een lengte van 9,50 m (pag. 26 pv) was aangetroffen; op het kruisingsvlak heeft de politie geen rem/blokkeersporen van de bestelauto van [geintimeerde 1] aangetroffen die met het ongeval in verband gebracht konden worden (pag. 27 pv). Uit de verklaringen van de getuige [getuige 1] , dat de motorrijder van zijn motor vloog en een stukje verder op de grond terecht kwam, en de getuige [getuige 2] , dat hij de motorrijder ongeveer twee meter de lucht in zag vliegen, kan het hof niet afleiden dat [geintimeerde 1] , zoals hij heeft verklaard, hard heeft geremd, maar valt eerder af te leiden dat de snelheid van [geintimeerde 1] op het moment van de aanrijding niet aanmerkelijk lager was dan de snelheid waarmee hij de kruising is gaan oversteken (50 km/u). Uit de bij het proces-verbaal behorende fotomap en tekening leidt het hof voorts af dat [geintimeerde 1] [appellant] geraakt heeft toen [geintimeerde 1] het kruispunt al ruim driekwart was overgestoken, en [geintimeerde 1] dus al ruim zicht had de [straat 2] in, op het verkeer dat zich bij de verkeerslichten bevond. Uit de fotomap en tekening leidt het hof voorts af dat [appellant] , waarvan vast staat dat hij nog in de eerste versnelling reed, op het moment van de aanrijding al reed ter hoogte van de meest linkse rijbaan – gezien vanuit de rijrichting van [geintimeerde 1] – van de [straat 1] , dus ook al een flink aantal meters op het kruispunt had afgelegd en zichtbaar moet zijn geweest voor [geintimeerde 1] . Er kan dus niet worden aangenomen dat [geintimeerde 1] naar rechts gekeken en heeft geremd, maar wel dat hij door de motor van [appellant] kennelijk volledig werd verrast. Dat [appellant] tussen twee auto’s door plotseling de weg op reed, zoals [geintimeerde 1] stelt, is naar het oordeel van het hof niet komen vast te staan. Dit wordt weliswaar door de getuige [getuige 1] (die aan de overzijde van het kruispunt stond) verklaard, maar de getuige [getuige 2] (die aan dezelfde kant als [appellant] stond) verklaart dat [appellant] op een rijstrook rechts van hem eerst stil stond en vervolgens optrok, en zegt niets over het tussen auto’s door rijden.

  • -

    c) [geintimeerden c.s.] hebben ter onderbouwing van hun stelling dat [geintimeerde 1] daadwerkelijk door groen reed gesteld dat [geintimeerde 1] uit de verkeersborden mocht afleiden dat hij in een groene golf met de aanduiding 50 km/u reed en dat hij er op mocht vertrouwen dat hij ook de kruising met de [straat 2] met die snelheid in die groene golf kon oversteken. In twee emailberichten van de gemeente Tilburg van 7 en 21 november 2013 (prods. 12 en 14 bij akte [appellant] in eerste aanleg) schrijft de ambtenaar [ambtenaar van de gemeente] in antwoord op vragen van de advocaten van partijen dat de verkeerslichten op dit kruispunt verkeersafhankelijk geregeld worden, dus dat het daadwerkelijk groen worden van een richting wordt gestuurd door detectielussen in het wegdek. Er is dus geen vaste fasering. Rijdend over de [straat 1] in de richting zoals [geintimeerde 1] reed, is er wel een groene golf maar geen gegarandeerde groene golf: de ene keer kan het verkeer wel in een keer door, de andere keer moet het verkeer wachten voor rood licht als er een hiaat in het peloton voertuigen is gevallen. In dat laatste geval start daarna een nieuwe groene golf, aldus de ambtenaar [ambtenaar van de gemeente] .
    Ook als [geintimeerde 1] op eerdere kruispunten steeds met 50 km/u heeft kunnen doorrijden, bracht dat dus niet mee dat hij er ook op ieder volgend kruispunt van uit kon gaan dat het licht voor hem op groen zou staan en groen zou blijven. [geintimeerden c.s.] hebben niet onderbouwd op grond waarvan [geintimeerde 1] daar wel gerechtvaardigd op mocht vertrouwen. [geintimeerde 1] is dus, ook als hij groen licht had, zonder voldoende op het overige verkeer te letten en zonder zich ervan te vergewissen dat de weg voor hem daadwerkelijk vrij was, en met een voor de situatie te hoge snelheid het kruispunt overgestoken.

3.4.5.

Dit alles brengt naar het oordeel van het hof mee, dat [geintimeerde 1] direct voorafgaand aan de aanrijding gevaarzettend heeft gehandeld en daardoor een situatie in het leven heeft geroepen waarin de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval als gevolg van dat handelen zo groot was dat hij zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden. [geintimeerde 1] heeft daardoor onrechtmatig jegens [appellant] gehandeld en [geintimeerden c.s.] zijn aansprakelijk voor de door [appellant] daardoor geleden schade. Daaraan doet naar het oordeel van het hof niet af dat [geintimeerde 1] op een voorrangsweg reed; ook dan moet een kruising met een aan de situatie aangepaste voorzichtigheid worden gepasseerd.

3.4.6.

De grieven 1, 2, 5 en 7 slagen daarmee en de grieven 3, 4, 6 en 8 behoeven geen afzonderlijke behandeling meer.

3.5.1.

[geintimeerden c.s.] hebben zich voor het geval het hof hen aansprakelijk zou achten, beroepen op eigen schuld van [appellant] in de zin van art. 6:101 BW. Ook ten aanzien van de beoordeling van dit beroep, waarbij opnieuw geldt dat niet is komen vast te staan wie van partijen door rood licht is gereden, moet worden uitgegaan van een fictie en wel dat [appellant] door groen licht is gereden. Stelplicht en bewijslast van de feitelijke grondslag van een eigen schuld verweer rusten immers op [geintimeerde 1] .

3.5.2.

[geintimeerden c.s.] hebben daaromtrent gesteld dat [appellant] door rood licht is gereden, dat hij zonder acht te slaan op het overige verkeer het kruispunt is opgereden, dat hij tussen twee auto’s door geslingerd kwam, dat [appellant] met een snelheid van slechts 15 km/u reed zodat hij de aanrijding, anders dan [geintimeerde 1] die 50 km/u reed, had kunnen voorkomen, en dat op het wegdek voor [appellant] haaientanden zichtbaar waren.

3.5.3.

Het hof overweegt dat bij de beoordeling van het beroep op eigen schuld van [appellant] ervan uit wordt gegaan dat [appellant] door groen reed, zodat de stelling van [geintimeerden c.s.] dat [appellant] door rood reed in dit verband moet worden verworpen. Ook de stelling van [geintimeerden c.s.] dat [appellant] tussen twee auto’s door het kruispunt op reed wordt verworpen (zie r.o. 3.4.4 sub b). [geintimeerden c.s.] hebben zowel gesteld dat [appellant] langzaam het kruispunt op reed, als dat [appellant] met hoge snelheid is opgetrokken (mva sub 40). Nu op grond van het proces-verbaal van de politie vast staat dat [appellant] op het moment van de aanrijding nog in de eerste versnelling reed en geen van de getuigen verklaart dat [appellant] hard reed – de getuige [getuige 1] schat de snelheid van [appellant] op ongeveer 15 km/u – gaat het hof ervan uit dat [appellant] op het moment van de aanrijding 15 km/u reed.

Dat, samen met de vaststelling dat [appellant] het kruispunt al voor een flink stuk was overgestoken toen de aanrijding plaats had, brengt echter wel mee dat [appellant] de gelegenheid heeft gehad om naar links te kijken om te controleren of het kruispunt, ook al had hij zelf groen licht, daadwerkelijk vrij was. Als hij dat had gedaan en nog had geremd, wat bij een snelheid van 15 km/u tot een snelle stilstand kan leiden, had dat mogelijk de aanrijding kunnen voorkomen of was hij mogelijk minder frontaal door [geintimeerde 1] geraakt. Van remsporen van de motor is echter niet gebleken. [appellant] heeft zelf geen herinnering aan de aanrijding en kan daarover dus niets verklaren. Tenslotte neemt het hof in aanmerking dat [appellant] een voorrangsweg kruiste, hetgeen voor hem ook door de bewegwijzering en de haaientanden zichtbaar was.

3.5.4.

De schade is aldus naar het oordeel van het hof mede een gevolg van het feit dat [appellant] onoplettend de kruising is overgestoken. Daartegenover staan de aan [geintimeerde 1] toe te rekenen omstandigheden: kort gezegd het gebruik van alcohol, een voor de situatie te hoge snelheid en zonder op het overige verkeer te letten de kruising oversteken. Daarbij had [geintimeerde 1] naar het oordeel van het hof een beter zicht op het verkeer dat voor hem van rechts kwam, dan [appellant] op het verkeer dat voor hem van links kwam (zie r.o. 3.4.4 sub b).

De causaliteitsafweging leidt ertoe dat de aan [geintimeerde 1] toe te rekenen omstandigheden naar het oordeel van het hof voor 70% tot de schade hebben bijgedragen en de aan [appellant] toe te rekenen omstandigheden voor 30%.

3.5.5.

[appellant] heeft ten slotte een beroep gedaan op de billijkheidscorrectie op grond van de ernst van zijn letsel, de ernst van de door [geintimeerde 1] gemaakte fouten en het feit dat er aan de zijde van [geintimeerde 1] sprake is van een WAM verzekering.

Naar het oordeel van het hof is een billijkheidscorrectie van 10% op zijn plaats in die zin, dat [geintimeerden c.s.] voor 80% aansprakelijk gehouden moeten worden voor de door [appellant] geleden schade. Het hof is van oordeel dat de ernst van de door [geintimeerde 1] gemaakte fouten, te weten het alcoholgebruik en het rijden met een voor de situatie te hoge snelheid, zwaarder weegt dan de – aan beide partijen te verwijten – onoplettendheid bij het oversteken van de kruising. Daarnaast spelen het letsel en de ernstige gevolgen die het ongeval voor [appellant] hebben gehad, een rol. Tenslotte neemt het hof in aanmerking dat sprake is van een verzekeringsplicht aan de zijde van [geintimeerde 1] , hetgeen een uitdrukking is van de bescherming die de wetgever aan verkeersslachtoffers heeft willen geven.

3.6.

[appellant] vordert in hoger beroep opnieuw betaling van een voorschot van € 15.000,--.

[appellant] heeft in grief 10 gesteld dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek onder 2 (het voorschot van € 15.000,--) heeft afgewezen. Daarmee heeft [appellant] ook voor [geintimeerden c.s.] , die stellen dat deze grief onvoldoende bepaald is, voldoende kenbaar bezwaar gemaakt tegen de afwijzing door de rechtbank van het voorschot.

Gelet op de ernst van het letsel van [appellant] en de te verwachten hoogte van de schade acht het hof, nu geoordeeld is dat [geintimeerden c.s.] voor 80% aansprakelijk zijn, een voorschot van € 15.000 toewijsbaar. Op grond van dezelfde overweging staat een mogelijk restitutierisico daar niet aan in de weg. Dat het hier aanvankelijk een deelgeschilprocedure betrof brengt niet mee dat geen voorschot kan worden toegewezen.

3.7.

Grief 9 faalt. Het is het hof uit eigen wetenschap bekend dat een opslagpercentage van 6% bovenop het uurtarief van een advocaat, redelijk en gebruikelijk is. Het gaat hier niet om de vraag of het totale uurtarief, inclusief 8% kantoorkosten, nog redelijk te noemen zou zijn.

[appellant] heeft geen omstandigheden aangevoerd waarom in dit geval van het redelijke en gebruikelijke opslagpercentage voor kantoorkosten zou moeten worden afgeweken. De deelgeschilbeschikking wordt op dit punt bekrachtigd.

3.8.

De beschikking, waarvan beroep, zal met uitzondering van de begroting van de kosten worden vernietigd, en opnieuw rechtdoende zullen de vorderingen van [appellant] sub II subsidiair en het voorschot van € 15.000,-- worden toegewezen.

3.9.

[geintimeerden c.s.] zullen als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt de deelgeschilbeschikking van 13 januari 2014, tussen partijen gewezen onder nr. C/02/267721/HA RK 13-178, met uitzondering van de begroting van de kosten, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat [geintimeerden c.s.] hoofdelijk voor 80% aansprakelijk zijn voor het ongeval van 20 augustus 2010 en gehouden zijn de dientengevolge door [appellant] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade voor 80% aan hem te vergoeden;

veroordeelt [geintimeerden c.s.] tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 15.000,-- als voorschot op de door hem geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade ten gevolge van het ongeval op van 20 augustus 2010;

bekrachtigt de deelgeschilbeschikking voor wat betreft de begrote kosten;

veroordeelt [geintimeerden c.s.] in de proceskosten in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [appellant] begroot op € 797,80 voor verschotten en € 894,-- voor salaris advocaat;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M.A. de Groot-van Dijken, C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden en H.A.W. Vermeulen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 15 september 2015.

griffier rolraadsheer