Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:3586

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-09-2015
Datum publicatie
16-09-2015
Zaaknummer
HD 200.144.152_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Elektra niet conform NEN. Non-conformiteit huis/woning

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RCR 2015/90
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.144.152/01

arrest van 15 september 2015

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. L.A. Witten te Nijmegen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. D. Heuker of Hoek te Eindhoven,

als vervolg op het door het hof gewezen arrest van 13 mei 2014 in het op het bij exploot van dagvaarding van 17 maart 2014 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, kanton Eindhoven gewezen vonnis van 2 januari 2014 tussen appellant - [appellant] - als gedaagde partij (in het vonnis [appellant] genoemd) en geïntimeerde - [geïntimeerde] - als eisende partij.

Het hof zal de nummering van voormeld tussenarrest voortzetten.

5 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 2524471 rolnr 13-14920)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

6 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- voornoemd arrest van 13 mei 2014 waarbij een comparitie is gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 17 juni 2014;

- de memorie van grieven waarbij een productie is overgelegd;

- de memorie van antwoord.

Nadat partijen arrest hebben gevraagd, is bepaald dat arrest zal worden gewezen. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

7 De beoordeling

7.1

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis geen feiten vastgesteld. Het hof gaat uit van de volgende vaststaande feiten.

a. Bij koopovereenkomst van 10 maart 2011 heeft [appellant] (zijn naam is in de stukken niet eenduidig vermeld. Het hof zal zijn naam verder overal schrijven als “ [appellant] ”) aan [geïntimeerde] verkocht de woning [perceel] te [plaats] (hierna de woning).

Art. 5.1 van de koopovereenkomst luidt:

De onroerende zaak zal aan koper in eigendom worden overgedragen in de staat waarin het zich bij het tot stand komen van deze overeenkomst bevindt met alle daarbij behorende rechten en aanspraken, zichtbare en onzichtbare gebreken, (…)

Art. 5.3 van de koopovereenkomst luidt:

De onroerende zaak zal bij de eigendomsoverdracht de feitelijke eigenschappen bezitten die nodig zijn voor een normaal gebruik als: woonhuis, een en ander onverlet het bepaalde in artikel 5.1 van deze overeenkomst.

(…)

Verkoper staat niet in voor andere eigenschappen dan die voor een normaal gebruik nodig zijn. (…)”.

b. De woning is bij notariële akte van 1 augustus 2011 geleverd.

c. [appellant] heeft de woning voor de overdracht aan [geïntimeerde] ongeveer 16 jaar bewoond.

d. Bij e-mailbericht van 9 mei 2012 (productie 3 dagvaarding eerste aanleg) deelt [geïntimeerde] [appellant] het volgende mee:

“(…)

Vanmorgen is een Elektrotechnisch installatiebedrijf geweest om te komen kijken naar de installatie. Zij heeft aangegeven dat de installatie wordt afgekeurd en hersteld dient te worden. (…) Dat er wat moet gebeuren is zeker, maar precies wat en hoe, bedrading vervangen, muren open kappen en dergelijke zal nog bekeken worden (…)”.

e. Bij brief van 21 mei 2012 (productie 4 dagvaarding in eerste aanleg) deelt [geïntimeerde] [appellant] mee:

“(…)

Nu 3 weken geleden heb ik geconstateerd dat er elektrische bedrading in de muur is ingemetseld en niet meer te vervangen is zonder hak en breekwerk.

(…)

Inmiddels heb ik contact gehad met een Elektrisch installatiebedrijf. Zij hebben geconstateerd dat de bedrading niet in orde is en zullen de installatie afkeuren.

Middels dit schrijven stel ik u aansprakelijk voor alle schade en daarmee gepaard gaande kosten voor herstel.

Ik geef u hiervoor een termijn van 2 weken na dagtekening, om alles in orde te brengen. (…)”.

f. Het schrijven van 3 september 2012 van Elektro Techniek [elektro techniek] bv (productie 7 dagvaarding in eerste aanleg) houdt onder meer in:

“(…)

Bij deze de constateringen van adres: [perceel] [plaats]

  • -

    Bij lasdozen voor opbouw, schakelmateriaal, inbouwdozen naast gezet, en lasklem in bestaande lasdoos. Vervolgens lasdozen met lassen weggesmeerd. Draden vernieuwen is hierdoor niet mogelijk. Ook zijn op diverse plaatsen verkeerde kleuren gebruikt om door te lussen. De blauwe draad is bv als fase gebruikt. Dit is oa. Op zolder geconstateerd.

  • -

    Leidingen waar de draad in vast zit, deze zijn niet te vernieuwen. (…)

  • -

    (…)

  • -

    Zolderschakelaar leiding is in de muur gesmeerd, niet te vervangen. Komt in lasdoos uit zonder buis.

  • -

    Wcd zolderkast zwart op wcd en blauw als fase gebruikt, ook niet te vervangen en dus geen goede kleuren.

  • -

    (…)”.

g. Het op 1 juli 2013 gedagtekende rapport van [deskundige van appellant] (productie 12 bij dagvaarding in eerste aanleg) houdt in, voor zover relevant:

“(…)

2.3

Resultaten van het onderzoek

(…)

Op de overloop op de zolder zit een wisselschakelaar, hierop zijn drie zwarte draden aangesloten. In deze draden is geen beweging mogelijk, vervangen van de bedrading is niet mogelijk. Bij de invoer aan de bovenzijde in deze inbouwdoos is te zien dat op de VD bedrading in (zoals het hof “is” leest) cement zijn gelegd, hier is geen bescherming (installatiebuis) aanwezig.

In de bergruimte op de zolderkamer is voor een fasedraad welke volgens de NEN 1010 een bruine kleur dient te hebben een blauwe draad gebruikt. Zo is voor de fase-aansluiting van de verlichtingsschakelaar en de contactdoos een zwarte draad gebruikt.

3. Conclusie

Het toegepaste reeds aanwezig centraaldoossysteem is niet in de hele installatie doorgevoerd. De wijze van installeren en aansluiten is in strijd met de voorschriften vastgelegd in de NEN 1010 (veiligheidsbepalingen voor laagspanningsinstallaties). (…)

Het is niet toegestaan losse VD bedrading zonder (buis)bescherming aan te leggen, Deze aanlegwijze staat niet als toegestaan beschreven in de NEN 1010 (tabel 52A).

In deze tabel is opgenomen dat losse aders in buizen moeten worden gelegd. Het is niet toegestaan deze in de muur aan te brengen zonder buis.

Over de toepassing van draadkleur is de NEN 1010 eenduidig, als draadkleur dient sinds 1970 te worden gehanteerd;

 groen-geel voor PE-, PU-, PEN-, en aardleidingen,

 lichtblauw voor nuladers,

 bruin voor fase-aders,

 zwart voor schakeldraden en –aders, alsmede voor fase-aders.

In de installatie zijn draden aangetroffen waarbij de draadkleur niet in overeenstemming is met de voorgeschreven coderingen uit de NEN 1010 (ook niet met een codering van voor 1970). Voor leidingsystemen geldt dat geleiders zo moeten zijn aangelegd of aangeduid dat deze kunnen worden geïdentificeerd voor inspectie, beproevingen, reparatie of verandering van de installatie.

Lasverbindingen dienen te worden aangebracht in een daarvoor geschikt omhulsel. Wegwerken van draadverbindingen in een stenen muur is dan ook niet toegestaan zonder gebruik van een lasdoos.

Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de aanleg van de besproken installatiedelen op meerdere punten niet conform de NEN 1010 zijn uitgevoerd.

(…)

De huidige situatie is niet direct gevaarlijk voor personen, de installatie is beveiligd door aardlekschakelaars die bij een defect zullen aanspreken. Om aan de voorschriften uit de NEN 1010 te voldoen zijn herstelwerkzaamheden toch noodzakelijk.”.

7.2

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd, samengevat, dat de rechtbank:

1. Primair [appellant] veroordeelt om aan [geïntimeerde] te betalen € 6.848,60 op grond van toerekenbare tekortkoming, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 4 juni 2012;

Subsidiair de koopovereenkomst gedeeltelijk ontbindt wegens wanprestatie in die zin dat de koopprijs wordt verminderd en [appellant] wordt veroordeeld om aan [geïntimeerde] te voldoen € 6.848,60 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 4 juni 2012;

Meer subsidiair de koopovereenkomst wijzigt op grond van dwaling, in die zin dat de koopprijs wordt verminderd en [appellant] wordt veroordeeld om aan [geïntimeerde] te voldoen € 6.848,60 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 4 juni 2012;

2. Zowel primair, subsidiair als meer subsidiair [appellant] veroordeelt om de buitengerechtelijke incassokosten te betalen ad € 847,- te vermeerderen met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW vanaf de dag der dagvaarding;

3. [appellant] veroordeelt tot betaling van de kosten vanwege het inschakelen van de deskundige [deskundige van appellant] ad € 1.264,45 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding;

4. [appellant] veroordeelt in de kosten van de procedure, inclusief de nakosten ad € 205,- (zonder betekening) en € 273,- (met betekening) en met bepaling dat [appellant] wettelijke rente over de nakosten wordt verschuldigd als hij deze kosten niet binnen 14 dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis heeft voldaan.

De rechtbank heeft het onder 1., primair gevorderde en het onder 2 en 3 gevorderde toegewezen als gevorderd omdat de vordering niet is weersproken. [appellant] is tevens veroordeeld in de proceskosten en de nakosten, met dien verstande dat de rechtbank die nakosten heeft begroot op € 100,-, en te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [appellant] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van de betekening van het vonnis en met de wettelijke rente over de nakosten vanaf 14 dagen nadat [appellant] schriftelijk tot betaling van deze kosten is aangemaand. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde is afgewezen.

7.3

[appellant] vordert in dit hoger beroep onder het voordragen van twee grieven, samengevat, dat het hof zal vernietigen het vonnis van 2 januari 2014 en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling aan [appellant] van al hetgeen [appellant] ter voldoening aan het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum der betaling, uitvoerbaar bij voorraad, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide procedures, eveneens uitvoerbaar bij voorraad.

[geïntimeerde] voert verweer.

7.4

Het hof heeft per abuis in het arrest van 13 mei 2014 mr. Van Dijk als advocaat van [appellant] vermeld. Op het verzoek tot herstel van mr. Witten heeft [geïntimeerde] zich gerefereerd. Het hof verstaat dat waar in het arrest van 13 mei 2014 mr. “R.P.W. van Dijk” is vermeld, moet worden gelezen “L.A. Witten”.

7.5

In zijn grieven voert [appellant] aan dat de elektrische installatie niet zodanig is dat, mede gelet op hetgeen partijen zijn overeengekomen, sprake is van toerekenbare tekortkoming en/of dwaling. De grieven zullen niet afzonderlijk worden besproken.

7.6.1

Het hof zal allereerst de vordering beoordelen voor zover deze is gegrond op toerekenbare tekortkoming, dus de vordering voor zover hiervoor in r.o. 7.2 onder 1 primair en subsidiair is vermeld.

Het hof stelt hierbij voorop dat [appellant] de juistheid van de in het rapport van [deskundige van appellant] (r.o. 7.1 sub g) vermelde feitelijke gebreken niet heeft betwist. Hij voert wat dat betreft alleen aan dat de woning is gebouwd in 1968 en opgeleverd in 1969 en dat ten tijde van de bouw van de woning wat betreft de kleurcoderingen krachtens de toen geldende NEN 1010 norm de draad voor de fasebespanning groen diende te zijn, de nuldraad rood en de aardedraad wit of grijs, zoals [experts] experts B.V. heeft vermeld in het als productie 1 bij memorie van grieven overgelegde rapport van 9 juli 2014. Ook indien het hof van deze kleurstellingen uitgaat, zijn in de woning voor de betreffende draden onjuiste kleuren gebruikt. Ook [experts] experts B.V. vermeldt immers niet in haar rapport dat op enig moment een NEN norm 1010 toeliet dat fasedraad blauw mocht zijn of voor de fase-aansluiting zwarte draad mocht worden gebruikt. Dit betekent dat het hof ervan uitgaat dat de elektrische installatie in de woning gebrekkig is. Dat [appellant] dit gebrek kende of had moeten kennen is gesteld noch gebleken.

7.6.2

Het in r.o. 7.6.1 gegeven oordeel dat sprake is van een gebrek, brengt met zich dat de volgende vraag moet worden beantwoord, en wel of dit gebrek, gelet op de vordering van van [geïntimeerde] voor zover gegrond op toerekenbare tekortkoming, inderdaad een tekortkoming oplevert die kan leiden tot toewijzing van het gevorderde. Deze vraag moet worden beoordeeld aan de hand van de artikelen 5.1 en 5.3 van de koopovereenkomst (zie r.o. 7.1 sub a). Bij de uitleg van die artikelen heeft te gelden dat indien partijen bij de schriftelijke vastlegging van hun overeenkomst gebruikmaken van een standaardakte zoals hier, waarin een beding voorkomt dat, zoals art. 5.3 van de standaard NVM-koopakte, als voorgedrukte verklaring van de verkoper bevat dat de verkochte zaak de feitelijke eigenschappen zal bezitten die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn, uitgangspunt voor de uitleg van dit beding dient te zijn dat 'normaal gebruik' betrekking heeft op wat daaronder naar gangbaar spraakgebruik wordt verstaan ten aanzien van, in dit geval, een woning als de onderhavige (HR 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2414). Onder 'normaal gebruik' wordt in het algemeen verstaan dat de veiligheid van de woning in voldoende mate gewaarborgd dient te zijn, dat sprake dient te zijn van een redelijke mate van duurzaamheid en dat het woongenot niet wezenlijk wordt aangetast. Het feit dat de veiligheid van de woning in voldoende mate gewaarborgd dient te zijn betekent wat een elektrische installatie betreft dat ervan mag worden uitgaan dat de bouw van de woning of een verbouwing is geschied met inachtneming van de op dat moment geldende voorschriften (vergelijk HR 25 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5383). Elektriciteit is immers een niet ongevaarlijk iets, terwijl het voor de bruikbaarheid van de woning zeer belangrijk is. Er mag hierbij verder van worden uitgegaan dat het niet ongebruikelijk is dat tijdens het gebruik van een woning veranderingen aan een elektrische installatie worden aangebracht. Ook [appellant] heeft dit gedaan, gelet op zijn stelling dat hij elektrische tuinverlichting heeft aangelegd en daarbij de stoppenkast heeft uitgebreid.

Dit uitgangspunt brengt met zich dat het hof de vraag dient te beantwoorden of de onderhavige elektriciteitsinstallatie voldoet aan de voorschriften zoals die golden ten tijde van de bouw van de woning. Uit r.o. 7.6.1 blijkt reeds dat dit niet het geval is. Zo zijn voor sommige draden kleuren gebruikt die voor die betreffende functie niet zijn toegelaten krachtens enige NEN-norm, ongeacht het antwoord op de vraag of de woning voor of na 1970 is gebouwd. Het hof begrijpt verder uit het rapport van [deskundige van appellant] dat ook al bij woningbouw in 1968 VD bedrading in buisbescherming moest worden gelegd (zie ook nr. 15 memorie van antwoord) en dat voor leidingsystemen ook toen al had te gelden dat dat geleiders zo aangelegd of aangeduid moesten worden dat deze kunnen worden geïdentificeerd voor inspectie, beproevingen, reparatie of verandering van de installatie. De conclusie uit dit alles is dan ook dat het gebrek in de elektrische installatie in de weg staat aan een normaal gebruik van de woning in de zin van art. 5.3 van de koopakte. Nu [appellant] in genoemd art. 5.3 heeft gegarandeerd dat de woning geschikt was voor normaal gebruik, doet niet ter zake dat hij het onderhavige gebrek niet kende noch behoorde te kennen. Het feit dat de installatie niet direct gevaarlijk is voor personen doet hier niet aan af, omdat uit het rapport van [deskundige van appellant] blijkt dat de installatie, ook al levert deze niet direct gevaar voor personen op, toch niet geschikt is voor normaal gebruik. Dit betekent dat voor zover hij in zijn memorie van grieven erover klaagt dat de rechtbank hem aansprakelijk heeft gehouden, die klachten falen.

7.7

Voor wat betreft de gevorderde schade betwist [appellant] alleen de hoogte van de stucadoorskosten. Volgens hem is het tarief van een stucadoor doorgaans niet € 110,- per vierkante meter, maar is dit rond de € 27,- per vierkante meter.

De als productie 9 bij dagvaarding in eerste aanleg overgelegde offerte van Stucadoorsbedrijf [stucadoorsbedrijf] van 21 november 2012 vermeldt, voor zover van belang:

“(…)

Repareren en voorzien van stuclaag € 10,00 m2 € 1.100,00

Spachtelputz € 18,00 m2 € 1.980,00

(…)”.

Daaruit blijkt dat gaat om 110 m2 stucwerk: € 1.100,- gedeeld door € 10,- is immers 110. Uit verdere optelling blijkt dat [stucadoorsbedrijf] dus voor 110 m2 stucwerkzaamheden € 28,- per m2 vraagt, zodat de betreffende opmerking van [appellant] door het hof wordt gepasseerd als berustende op een verkeerde lezing van de offerte.

7.8

Al met al heeft de rechtbank dus terecht de vordering toegewezen en [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. Daarmee faalt ook de tweede grief van [appellant] .

7.9

In de nrs. 45 en 46 van zijn memorie van grieven heeft [appellant] een groot aantal bewijsaanbiedingen gedaan. Deze zijn, gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft vastgesteld en overwogen, niet ter zake dienend en/of onvoldoende specifiek, zodat daaraan voorbij wordt gegaan.

[appellant] heeft ook in dit hoger beroep te gelden als in het ongelijk gesteld, en zal daarom worden veroordeeld in de kosten van dit beroep.

8 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van dit hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 308,- wegens griffierecht en € 1.264,- voor salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken proceskostenveroordeling en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien (14) dagen na de dag van deze uitspraak;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, J.R. Sijmonsma en J.H.C. Schouten en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 15 september 2015.

griffier rolraadsheer