Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:3567

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-09-2015
Datum publicatie
17-09-2015
Zaaknummer
20-003900-14
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opzettelijk verkopen van hoeveelheid hennep. Redelijk vermoeden van schuld aan overtreding van de Opiumwet. Het in dat kader gevoerde verweer strekkende tot strafvermindering wordt verworpen.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 3
Wetboek van Strafvordering 27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003900-14

Uitspraak : 16 september 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, van 12 december 2014 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 03-195795-14 en 03-202525-14, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 week en is ter zake van tweemaal als ongewenst vreemdeling in Nederland verblijven geen straf of maatregel opgelegd.

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte in de zaak met parketnummer 03-195795-14 onder 1 is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-195795-14 onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat de verdachte opzettelijk een hoeveelheid hennep aanwezig heeft gehad, en de verdachte zal veroordelen tot een geldboete van € 150,-, subsidiair 3 dagen vervangende hechtenis.

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd en verzocht dat het hof geen straf of maatregel zal opleggen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd omdat de politierechter kon volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.

Tenlastelegging

Aan verdachte is in de zaak met parketnummer 03-195795-14 onder 1 ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 9 september 2014, in de gemeente Maastricht opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 4 gram hennep, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 03-195795-14 onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 9 september 2014 in de gemeente Maastricht opzettelijk heeft verkocht een hoeveelheid van ongeveer 4 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna weergegeven bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.1

1.

De bevindingen van de verbalisant van politie [A] , voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:2

Op dinsdag 9 september 2014 reed ik over de Hoenderstraat in Maastricht. Rechts van mij, in de directe nabijheid van een aldaar gelegen coffeeshop, zag ik op de stoep drie blanke personen staan met de rug tegen een gevel. Het betrof twee mannen en een vrouw. Voor deze drie personen stond een Noord-Afrikaanse man. Ik kon zien dat zij met elkaar in gesprek waren. In het passeren zag ik dat de blanke vrouw een klein plastic zakje in haar handen had en dit voor zich hield. Ik zag dat de Noord-Afrikaanse man richting de Maas liep en de blanke personen richting de Markt. Ik heb de Noord-Afrikaanse man staande gehouden en aangehouden ter zake handel in verdovende middelen. De verdachte bleek te zijn [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1973. Door mij werden twee getuigenverklaringen opgenomen van de kopers van de verdovende middelen [het hof begrijpt: de hierna genoemde [getuigen 1 en 2] ]. Hieruit bleek dat men 4 gram hennep gekocht had voor € 37,- van de zojuist door ons aangehouden Noord-Afrikaanse man. Getuige Giering overhandigde mij een zakje hennep welk door mij in beslag genomen werd. Na weging bleek dit 3,9 gram bruto te zijn. Ik herkende deze stof ambtshalve qua kleur, geur en samenstelling als hennep.

2.

De verklaring van de [getuige 1] , afgelegd ten overstaan van de politie op 9 september 2014, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:3

Ik liep met twee vrienden over de Hoenderstraat te Maastricht. We werden opeens aangesproken door een voorbijganger. Hij vroeg of wij marihuana wilden kopen. Hij wilde aanvankelijk € 40,- hebben voor 4 gram. Wij hebben toen afgepingeld naar € 37,-. Hij toonde ons het zakje met marihuana. Dat haalde hij uit zijn jaszak. Nadat wij gekeken hadden naar het zakje gingen wij akkoord met de koop en liepen wij verder. Ik zag dat de man waar wij de marihuana van gekocht hadden meteen daarna werd aangehouden.

3.

De verklaring van de [getuige 2] , afgelegd ten overstaan van de politie op 9 september 2014, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:4

We liepen over de Hoenderstraat en werden opeens aangesproken door een passant die later werd aangehouden. Hij vroeg of wij marihuana wilden kopen en dit hebben wij gedaan. € 37,- voor 4 gram. Hierna zijn wij verder gelopen en zag ik dat de man werd aangehouden.

4.

De verklaring van de verdachte, afgelegd ten overstaan van de politie bij de inverzekeringstelling op 9 september 2014, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende:

Moet ik nou hier blijven voor ’n zakje weed.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat, nu het onder de [getuige 1] in beslag genomen materiaal niet is getest, niet kan worden vastgesteld dat dit hennep betrof. Volgens de verdediging is het mogelijk dat de getuigen die het materiaal hebben gekocht zijn opgelicht omdat het materiaal iets anders dan hennep betrof of dat het materiaal niet de werkzame stof van hennep bevatte.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen stelt het hof vast dat:

  • -

    de [getuigen 1 en 2] hebben verklaard dat zij op straat door de verdachte zijn aangesproken met de vraag of zij marihuana wilden kopen, waarna de verdachte een zakje met marihuana toonde;

  • -

    verbalisant [A] het materiaal aan de kleur, geur en samenstelling ambtshalve heeft herkend als zijnde hennep;

  • -

    de verdachte bij zijn inverzekeringstelling heeft gevraagd of hij moest blijven voor een zakje weed, waaruit het hof afleidt dat ook de verdachte er van is uitgegaan dat het materiaal hennep betrof.

Gelet op het vorenstaande, in onderling verband beschouwd, is het hof van oordeel dat genoegzaam is komen vast te staan dat het materiaal dat de verdachte aan de getuigen heeft verkocht hennep betrof. Dat het materiaal niet is getest doet hier niet aan af. Mitsdien acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hiervoor bewezen verklaard.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het in de zaak met parketnummer 03-195795-14 onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Beroep op artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht:

De verdediging heeft betoogd dat de staandehouding en daarop volgende aanhouding van de verdachte onrechtmatig zijn geweest nu in het onderhavige geval geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan overtreding van de Opiumwet. De omstandigheid dat de verdachte in de nabijheid van een coffeeshop op straat met drie personen stond te praten, een van deze drie personen een plastic zakje in haar hand had en de verdachte is weggerend en zich niet kon legitimeren is volgens de verdediging onvoldoende om te komen tot een redelijk vermoeden van schuld. De verdediging heeft geconcludeerd dat aldus sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, waardoor de verdachte gedurende enige tijd onrechtmatig van zijn vrijheid is beroofd, hetgeen dient te leiden tot strafvermindering. Voorts heeft de verdediging in dit kader aangevoerd dat in het onderhavige geval sprake is van een geringe hoeveelheid hennep waarvan het bezit doorgaans wordt gedoogd en dat de inverzekeringstelling van de verdachte in strijd met de wet niet binnen zes uren na diens aanhouding heeft plaatsgevonden. Volgens de verdediging dient het voorgaande ertoe te leiden dat aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof vast dat verbalisant [A] heeft waargenomen dat de verdachte op straat in de nabijheid van een coffeeshop in gesprek was met drie personen, dat een van deze drie personen een klein plastic zakje in haar hand had en dit voor zich hield en dat de verdachte vervolgens verder liep. Nadat de verdachte door verbalisant Ummels was staande gehouden, kon de verdachte zich desgevraagd niet legitimeren en is hij weggerend, waarna de verdachte is aangehouden. Door verbalisant Ummels is voorts gerelateerd dat het hem bekend is dat, als gevolg van het verbod voor coffeeshops om aan niet in Nederland ingeschreven personen softdrugs te verkopen, deze buitenlandse drugskopers zich tot illegale handelaren en/of verkooppuntenpunten wenden, met veel overlast rond deze plaatsen tot gevolg. De drugsdealers vatten post op straat en spreken voorbijgangers aan met de vraag of zij verdovende middelen willen kopen.5

Anders dan door de verdediging is betoogd is het hof van oordeel dat op grond van vorenstaande feiten en omstandigheid redelijkerwijs kon worden vermoed dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan overtreding van de Opiumwet. Mitsdien acht het hof de staandehouding en daarop volgende aanhouding van de verdachte rechtmatig, zodat geen sprake is van een vormverzuim.

Het hof verwerpt mitsdien het verweer van de verdediging strekkende tot de strafvermindering.

Ook in hetgeen overigens door de verdediging is aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om aan de verdachte geen straf of maatregel op te leggen.

Op te leggen straf of maatregel:

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft op straat opzettelijk een hoeveelheid hennep verkocht. Het op straat verkopen van verdovende middelen leidt tot overlast en gevoelens van angst en onzekerheid voor de omgeving. Blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 7 juli 2015 is de verdachte veelvuldig eerder onherroepelijk veroordeeld ter zake van strafbare feiten, waaronder ter zake van overtreding van de Opiumwet. Daarbij zijn aan de verdachte ook al dan niet voorwaardelijke gevangenisstraffen opgelegd. Dit heeft de verdachte er niet van weerhouden om zich opnieuw aan strafbaar handelen schuldig te maken.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor enige duur met zich brengt. Een en ander in aanmerking genomen acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 1 week, zoals door de politierechter is opgelegd, passend en geboden.

Het hof komt tot een zwaardere straf dan door de advocaat-generaal is gevorderd omdat het hof van oordeel is dat met de door advocaat-generaal gevorderde straf de aard en ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking zou worden gebracht. Het hof merkt daarbij op dat de advocaat-generaal is uitgegaan van bewezenverklaring van opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid hennep terwijl het hof komt tot een veroordeling ter zake van het opzettelijk verkopen van een hoeveelheid hennep.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-195795-14 onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week.

Aldus gewezen door

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter,

mr. G.T.C. van der Bilt en mr. H.D. Bergkotte, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. F. Gerritsen, griffier,

en op 16 september 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. G.T.C. van der Bilt en mr. H.D. Bergkotte is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 De hierna in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen zijn afkomstig uit het (niet doorgenummerde) dossier van Politie Eenheid Limburg, Leiding District Maastricht, Leiding BE Maastricht Centrum/Zuid, registratienummer PL2400-2014097334, sluitingsdatum 9 september 2014.

2 Ambtsedig proces-verbaal van bevindingen van 9 september 2014, proces-verbaalnummer PL2400-2014097334-4, inhoudende het relaas van de verbalisant [A] .

3 Ambtsedig proces-verbaal van verhoor getuige van 9 september 2014, proces-verbaalnummer PL2400-2014097334-5, inhoudende de verklaring van de [getuige 1] .

4 Ambtsedig proces-verbaal van verhoor getuige van 9 september 2014, proces-verbaalnummer PL2400-2014097334-7, inhoudende de verklaring van de [getuige 2] .

5 Zie: ambtsedig proces-verbaal van bevindingen van 9 september 2014, proces-verbaalnummer PL2400-2014097334-4, inhoudende het relaas van de verbalisant [A] .