Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:3564

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-09-2015
Datum publicatie
15-09-2015
Zaaknummer
20-000941-13
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2013:936, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

OM-appel tegen vrijspraak, gewijzigde tenlastelegging in hoger beroep.

Uitspraak hof:

- vrijspraak poging doodslag/zwaar lichamelijk letsel cf de rechtbank.

- veroordeling wegens bedreiging van een tweetal verbalisanten.

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich met zijn handelwijze schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag dan wel aan een poging tot zware mishandeling. Van opzet bij de verdachte gericht op de dood van de verbalisanten, dan wel op zwaar lichamelijk letsel, is niet gebleken. Evenmin is gebleken van een welbewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat de verbalisanten het leven zouden laten dan wel dat zij zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen.

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte al enige tijd wist dat de politie achter hem aan zat. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij in paniek was geraakt en niet besloten heeft om te stoppen. Het hof is van oordeel dat de verdachte met zijn handelwijze heeft willen verhinderen dat hij werd aangehouden en een vrije doortocht heeft willen forceren door naar links te sturen en de verbalisanten te dwingen opzij te gaan dan wel om zo voor de politieauto te kunnen blijven rijden zodat hij niet afgestopt kon worden. Aldus is op de vrijheid van de verbalisanten inbreuk gemaakt, hetgeen de kern oplevert van een bedreiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000941-13

Uitspraak : 15 september 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 6 maart 2013, parketnummer 01-845325-12 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummers 01-710535-10 en 01-825163-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op 3 augustus 1991,

wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte integraal vrijgesproken van hetgeen hem ten laste was gelegd (feiten 1 en 2).

Voorts heeft de rechtbank beslist op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij (deze is niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering) en op de vorderingen van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke straffen (deze zijn afgewezen). Tevens heeft de rechtbank beslist op het beslag (onttrekking aan het verkeer van hennep en teruggave aan de verdachte van een gsm, een muts en een geldbedrag).

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis op 18 maart 2013 hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

De benadeelde partij heeft zich niet opnieuw in hoger beroep gevoegd. De in het vonnis gegeven beslissing op de vordering van de benadeelde partij is derhalve niet aan het oordeel van het hof onderworpen.

Voorts is het hoger beroep bij akte van 17 juli 2015 uitdrukkelijk beperkt tot de vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde, alsmede tot de beslissing van de rechtbank op de vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke straffen.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof bewezen zal verklaren hetgeen – na wijziging van de tenlastelegging – onder 2 primair ten laste is gelegd, in dier voege dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd, met vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde en dat het hof de verdachte deswege zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest en met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht.

Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke hechtenis voor de duur van 2 weken (parketnummer 01-710535-10) heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof deze zal toewijzen en de tenuitvoerlegging daarvan zal gelasten.

Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden (parketnummer

01-825163-11) heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof deze zal afwijzen.

Namens verdachte is:

- primair integrale vrijspraak bepleit;

- subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd;

- ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer 01-710535-10 bepleit deze af te wijzen dan wel om te zetten in een taakstraf en

- ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer 01-825163-11 bepleit deze af te wijzen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep en voor zover thans nog van belang - ten laste gelegd dat:

2:
hij op of omstreeks 12 oktober 2012 te Oss, tezamen en/of in vereniging met een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk twee, althans één politieagent(en) ( [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ) van het leven te beroven, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een auto onverhoeds en/of met hoge, althans aanmerkelijke snelheid is ingereden op en/of uitgeweken in de richting van een dicht naast/achter hem rijdende (politie)auto en/of tegen deze (politie)auto is gereden/gebotst, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 12 oktober 2012 te Oss, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, verbalisant [slachtoffer 1] en/of verbalisant [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een auto onverhoeds en/of met hoge, althans aanmerkelijke snelheid, ingereden op en/of uitgeweken in de richting van een dicht naast/achter hem rijdende (politie)auto en/of tegen deze (politie)auto gereden/gebotst, terwijl voornoemde verbalisanten in de (politie)auto aanwezig waren.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich met zijn handelwijze schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. Anders dan de advocaat-generaal, acht het hof evenmin bewezen dat sprake is geweest van een poging tot zware mishandeling. Van opzet bij de verdachte gericht op de dood van de verbalisanten, dan wel op zwaar lichamelijk letsel, is niet gebleken. Evenmin is gebleken van een welbewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat de verbalisanten het leven zouden laten dan wel dat zij zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen. De verdachte zal derhalve van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 12 oktober 2012 te Oss verbalisant [slachtoffer 1] en verbalisant [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een auto onverhoeds en met aanmerkelijke snelheid, uitgeweken in de richting van een dicht naast hem rijdende politieauto en tegen deze politieauto gereden/gebotst, terwijl voornoemde verbalisanten in de politieauto aanwezig waren.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Het hof is van oordeel dat de zijdens verdachte bepleite vrijspraak van de ten laste gelegde feiten wordt weersproken door de bewijsmiddelen. Het hof heeft, gelet op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, geen reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van die, van de lezing van de verdediging afwijkende, bewijsmiddelen te twijfelen. De verklaringen van de getuigen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [getuige] zijn consistent en ondersteunen elkaar op detailpunten.

De stelling van de verdachte dat hij, terwijl hij over zijn linkerschouder naar achteren keek, mogelijk per ongeluk met zijn auto naar links is afgeweken, wordt door het hof verworpen.

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat:

- de in de tenlastelegging genoemde verbalisanten op 12 oktober 2012, omstreeks 02.00 uur ’s nachts, zagen dat er over de Oostwal te Oss twee voertuigen kort achter elkaar reden;

- de verbalisanten met hun als zodanig herkenbare politieauto zijn gekeerd en achter het laatste voertuig, waarin de verdachte als bestuurder was gezeten, zijn gaan rijden teneinde de bestuurder aan te spreken op zijn kleefgedrag;

- toen al rijdende, na controle, bleek dat de auto waar de verdachte in reed was gestolen, de verbalisanten middels het daktransparant op de politieauto een stopteken hebben gegeven teneinde het voertuig staande te houden en de inzittenden aan te houden ter zake van diefstal c.q. heling;

- de verdachte zijn voorganger passeerde en geen aanstalten maakte om te stoppen;

- vervolgens de verbalisanten zijn overgegaan tot het voeren van optische signalen;

- de verdachte ook toen niet is gestopt en de snelheid van de auto heeft opgevoerd;

- de verbalisanten hebben getracht om de verdachte in te halen en voorbij te rijden teneinde hem te verhinderen door te rijden;

- dat de verdachte, toen de politieauto zich tijdens de inhaalmanoeuvre (deels) naast hem bevond, met de auto een abrupte en flinke beweging naar links heeft gemaakt;

- het volgens de getuige [getuige] , de verbalisant die achter voornoemde politieauto en de verdachte reed, een echte rambeweging was.

Uit het voorgaande leidt het hof af dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte al enige tijd wist dat de politie achter hem aan zat. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij in paniek was geraakt en niet besloten heeft om te stoppen.

Het hof is van oordeel dat de verdachte met zijn handelwijze heeft willen verhinderen dat hij werd aangehouden en een vrije doortocht heeft willen forceren door naar links te sturen en de verbalisanten te dwingen opzij te gaan dan wel om zo voor de politieauto te kunnen blijven rijden zodat hij niet afgestopt kon worden.

Aldus is op de vrijheid van de verbalisanten inbreuk gemaakt, hetgeen de kern oplevert van een bedreiging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

De advocaat-generaal heeft wegens een poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd, gevorderd een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest en met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de advocaat-generaal gevorderde straf niet op zijn plaats is. Gelet op straffen die doorgaans in soortgelijke zaken worden opgelegd, alsmede gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, is hooguit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend. De raadsvrouwe van de verdachte heeft in dat verband gewezen op de omstandigheden dat het strafproces lang heeft geduurd, dat het reclasseringsrapport verouderd is en dat de verdachte, die van ver komt, inmiddels zijn leven aardig op de rit heeft. Bovendien heeft het voorval voor verdachte zelf ook nadelige gevolgen gehad. De verdachte is, nadat hij door de politieauto is geraakt, tegen een boom gereden en heeft daarvan veel pijn ondervonden.

Het hof acht bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een bedreiging van twee politieambtenaren.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Het hof heeft daarbij gelet op de volgende omstandigheden:

- de omstandigheid dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 13 juli 2015, reeds eerder ter zake het plegen van strafbare feiten onherroepelijk is veroordeeld en het bewezen verklaarde feit is gepleegd in de proeftijd van een eerdere veroordeling;

- de omstandigheid dat het bewezen verklaarde is gericht tegen politieambtenaren, gedurende de uitoefening van hun politietaak, waardoor het ambtelijk gezag is geschonden;

- het gevaarzettende en agressieve karakter van het bewezen verklaarde en de mate waarin het bewezen verklaarde feit heeft geleid tot gevoelens van angst en onveiligheid bij de betreffende politieambtenaren.

Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat de verdachte door dreigend en abrupt met zijn auto naar links te rijden en de politieauto daarbij te raken, geprobeerd heeft aan een aanhouding door de politie te ontkomen. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan.

Anderzijds heeft het hof rekening gehouden met de volgende omstandigheden:

- na het tijdstip waarop het bewezen verklaarde heeft plaatsgevonden is inmiddels geruime tijd verstreken;

- de verdachte is (mede) door toedoen van de politieambtenaren van de weg geraakt en is tegen een boom gereden en is vervolgens door een van de politieambtenaren uit de auto getrokken, terwijl hij als gevolg van de aanrijding veel pijn had;

- de persoonlijke omstandigheden van de verdachte lijken inmiddels in gunstige zin gewijzigd te zijn.

Het hof zal, alles overziende, een gevangenisstraf opleggen waarvan de duur van het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Anders dan de advocaat-generaal ziet het hof geen reden tot het opleggen van reclasseringscontact nu de persoonlijke omstandigheden van de verdachte inmiddels in gunstige wijze gewijzigd lijken te zijn.

Vorderingen tenuitvoerlegging

Het hof is ten aanzien van de vordering van het openbaar ministerie te Oost-Brabant van

18 januari 2013, tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kantonrechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 1 december 2010 onder parketnummer 01-710535-10 opgelegde voorwaardelijke hechtenis voor de duur van 2 weken, van oordeel, dat - nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan strafbaar handelen heeft schuldig gemaakt - de tenuitvoerlegging van genoemde voorwaardelijke straf op zijn plaats is.

Echter, op grond van hetgeen omtrent de veroordeelde ter terechtzitting is gebleken, alsmede gelet op de duur van de strafzaak, acht het hof het niet langer opportuun om de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf te gelasten. In plaats daarvan zal het hof een taakstraf, in de vorm van een werkstraf, gelasten voor het hierna te vermelden aantal uren.

Voorts was door het openbaar ministerie gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de meervoudige kamer in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 1 november 2011 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden (parketnummer

01-825163-11). De advocaat-generaal heeft echter ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd deze vordering alsnog af te wijzen omdat de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf naar alle waarschijnlijkheid reeds is geëxecuteerd.

Het hof zal, gelet op hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep daaromtrent aan de orde is geweest, voornoemde vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 57, 63 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 108 (honderdacht) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de kantonrechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 1 december 2010, parketnummer

01-710535-10, te weten van hechtenis voor de duur van 2 weken, te vervangen door een taakstraf voor de duur van 28 (achtentwintig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 14 (veertien) dagen hechtenis.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Oost-Brabant van

18 januari 2013, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de meervoudige kamer in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 1 november 2011, parketnummer

01-825163-11, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

Aldus gewezen door

mr. J. Platschorre, voorzitter,

mr. M. Rutgers en mr. H. Harmsen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N. van der Velden, griffier,

en op 15 september 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.