Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:3505

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-09-2015
Datum publicatie
22-09-2015
Zaaknummer
HR 200.172.504-01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging einde schuldsaneringsregeling zonder toekenning van de schone lei nu saniet een aantal kernverplichtingen toerekenbaar niet naar behoren is nagekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 3 september 2015

Zaaknummer : HR 200.172.504/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/03/12/309 R

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. B.P.J. Tillemans.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 23 juni 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 29 juni 2015, heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en alsnog de beëindiging van de schuldsaneringsregeling onder toekenning van de schone lei uit te spraken, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellant] , bijgestaan door mr. Tillemans.

- mevrouw [bewindvoerder] , hierna te noemen: de bewindvoerder.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 16 juni 2015;

- de brieven met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 14 juli 2015 en 17 juli 2015.

3 De beoordeling

3.1.

Bij vonnis van 19 juni 2012 is ten aanzien van [appellant] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 354 lid 1 Faillissementswet (Fw) bij wijze van eindoordeel in verband met het verstrijken van de looptijd van de schuldsaneringsregeling, geoordeeld dat [appellant] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. De rechtbank heeft daarbij geen toepassing gegeven aan artikel 354 lid 2 Fw, zodat op grond van artikel 358 lid 2 Fw aan [appellant] geen “schone lei” is verleend. De rechtbank heeft verstaan dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt op het moment dat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.

3.3.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“De schuldenaar heeft zich gedurende het verloop van de schuldsaneringsregeling niet gehouden aan de informatieplicht zoals deze in voormelde regeling van kracht is. Voorts is een hoge boedelachterstand ontstaan van € 8.500,00 en zijn nieuwe schulden ontstaan van in totaal € 6.336,23, te weten een schuld van € 1.254,74 aan het UWV, een schuld van

€ 4.765,08 aan Heemwonen en een schuld van € 316,41 bij Nuon. (…)

De schuldenaar heeft verzocht de schuldsaneringsregeling te verlengen. Van een verlenging kan alleen dan sprake zijn als een schuldenaar niets te verwijten valt ten aanzien van de boedelachterstand en nieuwe schulden. Zulks is hier niet het geval. De schuldenaar is door de rechter-commissaris gewaarschuwd middels een waarschuwingsbrief van 20 januari 2015.Naar aanleiding van deze brief heeft hij geen contact opgenomen met de bewindvoerder noch heeft hij gedurende de schuldsaneringsregeling gereageerd op hetgeen de bewindvoerder in haar verslaglegging heeft vermeld.”

3.4.

[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. De bewindvoerder geeft zelf in het verslag aan de rechtbank aan dat [appellant] voldoet aan de informatie- en sollicitatieverplichting. [appellant] acht het oordeel van de rechtbank, dat hij niet zou hebben voldaan aan zijn informatieverplichting, dan ook volstrekt onbegrijpelijk. Voorts stelt [appellant] dat de ontstane boedelachterstand een gevolg is van het faillissement van zijn voormalige werkgever, ten gevolge waarvan [appellant] minder inkomsten genereerde. Dat had weer tot gevolg dat minder boedelafdrachten konden plaatsvinden. Daarbij komt dat [appellant] van mening is dat de bewindvoerder hem nimmer heeft aangeschreven voor wat betreft de wijziging in boedelafdrachten middels toezending van een nieuwe vtlb berekening. Er is derhalve telkenmale en onterecht als uitgangspunt genomen het bedrag dat [appellant] maandelijks aan de boedel diende af te dragen, gebaseerd op zijn voormalige dienstverband en de daarbij behorende inkomsten. Een en ander valt hem naar zijn mening dan ook niet te verwijten. Tot slot benadrukt [appellant] dat hij gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling niet doelbewust nieuwe schulden heeft (doen) laten ontstaan, hij de bewindvoerder ten aanzien van een aantal belangrijke kwesties zoals zijn ziekenhuisopname, zijn nieuwe dienstverband, het inlopen van de boedelachterstand en het betwisten van beweerdelijke vorderingen tijdig heeft geïnformeerd en dat hij nimmer afschriften heeft ontvangen van de door de bewindvoerder opgestelde verslagen zodat hij hierop ook nimmer heeft kunnen reageren.

3.5.

Hieraan is door en namens [appellant] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellant] stelt dat hij op 8 februari 2014 ontdekt heeft dat zijn computer was gehackt. Hierdoor is het voor hem thans onmogelijk om de voor die datum reeds aan de bewindvoerder toegezonden informatiebescheiden, nu de bewindvoerder heeft verklaard dat zij deze nimmer heeft ontvangen, voor een tweede maal aan haar te doen toekomen. Met betrekking tot de stelling van de bewindvoerder dat hij stelselmatig te lage bedragen aan de Kredietbank overmaakte merkt [appellant] op dat zijn voormalige werkgever tot aan diens faillissement hierover immer op een correcte wijze zorg heeft gedragen, maar dat vervolgens, toen [appellant] een WW-uitkering kreeg, het UWV en aansluitend daarop zijn nieuwe werkgever hiertoe, ondanks zijn herhaald verzoek, niet genegen waren. Dat valt [appellant] naar zijn idee dan ook niet euvel te duiden. Voorts stelt [appellant] dat hij niet heeft gereageerd op de waarschuwingsbrief van de rechter-commissaris omdat hij deze brief niet, of althans niet tijdig, heeft ontvangen. Aangaande de nieuwe schuld aan Nuon voert [appellant] aan dat hij sinds afgelopen juli geen klant van Nuon meer is en dat hij deze schuld, die door Nuon weliswaar nog eens is bevestigd in een schrijven van 8 juni 2015, bovendien al in zijn geheel zou hebben voldaan. Desgevraagd kan [appellant] zich niet meer herinneren of hij bij gelegenheid van de toelatingszitting melding heeft gemaakt van het feit dat hij, zoals hij in hoger beroep (wel) heeft gesteld, nimmer enige rapportage van de bewindvoerder heeft ontvangen. Hij erkent dat het proces verbaal van die betreffende zitting hiervan in ieder geval geen melding maakt. Tot slot geeft [appellant] aan dat uit de wijze waarop hij in zijn beroepschrift zijn verzoek heeft geformuleerd mag worden geconcludeerd dat hij, subsidiair, om een eventuele verlenging van zijn schuldsaneringsregeling verzoekt.

3.6.

De bewindvoerder heeft in haar brief van 14 juli 2015 - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. [appellant] heeft verzuimd zijn salarisspecificaties vanaf periode 12 van 2014 te overleggen. Ook de bankafschriften vanaf 27 mei 2014 ontbreken nog immer. Ten aanzien van de partner van [appellant] ontbreken de salarisspecificaties vanaf mei 2014. Na december 2014 heeft de bewindvoerder ook geen mailberichten van [appellant] meer ontvangen. Met betrekking tot de nieuwe huurschuld van [appellant] merkt de bewindvoerder op dat een onderhoud met de verhuurder van [appellant] haar heeft geleerd dat er op basis van een verstekvonnis een ontruiming was aangezegd voor 8 april 2015. Deze ontruiming is evenwel voorlopig van de baan nu er een regeling is getroffen waarbij [appellant] de lopende huur correct dient te voldoen, hetgeen ook het geval is, maar waarbij ook de gehele vordering van

€ 4.765,00 vóór het einde van 2015 in zijn geheel moet zijn voldaan. Omdat dit een extra maandelijkse aflossing van circa € 500,00 betekent verwacht de verhuurder dat dit [appellant] niet zal gaan lukken. De nieuwe schuld aan het UWV ziet voor een deel op een terugvordering teveel ontvangen inkomsten en voor een deel op een boete vanwege het niet doorgeven van inkomsten voor een totaalbedrag van € 1.254,74. [appellant] heeft aangegeven dat hij in augustus 2014 bezwaar heeft gemaakt tegen deze terugvordering maar navraag van de bewindvoerder bij het UWV heeft haar geleerd dat [appellant] evenwel nimmer meer naar de afhandeling van zijn bezwaar bij het UWV heeft geïnformeerd. Ten aanzien van de nieuwe schuld aan Nuon van € 316,41 heeft [appellant] aangegeven aan dat deze vordering niet klopt, hij heeft dit evenwel nimmer aangetoond. Aangaande de boedelachterstand merkt de bewindvoerder op dat dit tekort met name is ontstaan omdat [appellant] maandelijks niet zijn gehele salaris aan de Kredietbank overmaakt waardoor deze onvoldoende middelen heeft om een correcte boedelafdracht te verrichten. De bewindvoerder is tot slot dan ook van mening dat [appellant] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de voor hem uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen zodat een verlenging van de schuldsaneringsregeling naar haar idee ook niet aan de orde is.

3.7.

Hieraan is door de bewindvoerder ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. De bewindvoerder stelt dat [appellant] zelf en niet zijn (huidige) werkgever verantwoordelijk is voor de afdrachten aan de Kredietbank en dat het feit dat deze stortingen structureel te laag zijn en waren hem daarom wel degelijk valt toe te rekenen. Daarnaast geeft de bewindvoerder aan begrip te hebben voor de door [appellant] gestelde computerproblemen, maar ook recent heeft de bewindvoerder geen informatiebescheiden van hem ontvangen, zodat zij op dit moment ook niet de exacte hoogte van de boedelachterstand vast kan stellen. Met betrekking tot de nieuwe huurschuld stelt de bewindvoerder dat er inmiddels door [appellant] een bedrag van circa € 700,00 is afbetaald, maar dat er nog immer een schuld van € 3.000,00 bestaat die nog dit kalenderjaar in zijn geheel door [appellant] zal moeten worden ingelopen. De bewindvoerder heeft haar verzoek om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen dan ook gehandhaafd.

3.8.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.8.1.

Bij het einde van de termijn gedurende welke de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is, dient op de voet van artikel 354 lid 1 Fw te worden vastgesteld of de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Bij deze vaststelling geldt als maatstaf of een tekortkoming, in het licht van alle omstandigheden van het geval, een duidelijke aanwijzing vormt dat het bij de schuldenaar aan de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling heeft ontbroken. Ingevolge artikel 354 lid 2 Fw dient de rechter voorts na te gaan of er aanleiding bestaat om te bepalen dat een tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft.

3.8.2.

Vast staat, temeer nu hij zulks bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in eerste aanleg heeft erkend, althans onweersproken heeft gelaten, dat [appellant] de voor hem uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatieplicht niet naar behoren is nagekomen. Zo heeft [appellant] nagelaten de bewindvoerder, desgevraagd noch spontaan, vanaf maart 2015 van enige informatie voorzien. Daarbij komt dat reeds vanaf de aanvang van de schuldsaneringsregeling informatiebescheiden, waarvan [appellant] stelt deze wel tijdig en op een juiste wijze te hebben verzonden, nimmer door de bewindvoerder zijn ontvangen. De niet onderbouwde stelling van [appellant] dat hij, vanwege een computerprobleem, thans niet meer in staat is om deze, naar zijn zeggen reeds eerder verzonden, informatiebescheiden alsnog aan de bewindvoerder te doen toekomen maakt dit, temeer nu [appellant] heeft nagelaten de door hem gestelde verzending middels verificatoire bescheiden dan wel anderszins voldoende aannemelijk te maken, geenszins anders.

3.8.3.

Vast staat, temeer nu hij zulks bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep eveneens nadrukkelijk en bovendien bij herhaling heeft erkend, dat [appellant] een aanzienlijke boedelachterstand heeft laten ontstaan. Deze boedelachterstand is een direct gevolg van het feit dat niet maandelijks niet de volledige inkomsten van [appellant] door hem aan zijn budgetbeheerder werden overgemaakt, waardoor deze over te weinig financiële middelen beschikte om de maandelijkse reguliere boedelafdrachten volledig af te dragen. Het hof is van oordeel dat het feit dat maandelijks niet de volledige inkomsten van [appellant] aan zijn budgetbeheerder werden afgedragen, en ten gevolge daarvan de reguliere boedelafdrachten niet volledig kon plaatsvinden, voor rekening en risico van [appellant] dient te komen. Het nakomen van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende kernverplichtingen, waaronder dus ook de afdrachtplicht, is per definitie de verantwoordelijkheid van de saniet. Het verweer van [appellant] , zoals bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep geponeerd, dat een en ander te wijten zou zijn aan de onwil van zijn huidige werkgever, snijdt naar het oordeel van het hof dan ook geen hout. Het had dan immers nadrukkelijk op de weg van [appellant] gelegen om, nu hij zelf over een gedeelte van zijn maandelijkse inkomsten kon beschikken, de reguliere boedelafdracht aan te vullen tot het volledige bedrag. Daar komt bij dat de bewindvoerder, nu [appellant] reeds geruime tijd heeft verzuimd om zijn salarisspecificaties aan haar te doen toekomen, de exacte hoogte van de boedelachterstand niet kan vaststellen. Daarmee is de bewindvoerder (structureel) belemmerd in de uitoefening van de op haar rustende taken (zie bijvoorbeeld artikel 316 lid 1 Fw).

3.8.4.

Voorts staat vast dat [appellant] , zoals bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep ook nadrukkelijk door hem is erkend, gedurende de reeds verstreken looptijd van de schuldsaneringsregeling aanzienlijke nieuwe schulden heeft laten ontstaan. Zo heeft hij een huurschuld laten ontstaan welke thans nog circa € 3.000,00 bedraagt, alsmede een schuld aan het UWV van ruim € 1.250,00 en een schuld aan Nuon van circa € 300,00. Dat de schuld aan Nuon, zoals door [appellant] ter zitting in hoger beroep is aangedragen, inmiddels geheel is voldaan maakt dit, temeer nu [appellant] deze stelling niet middels verificatoire bescheiden dan wel anderszins nader weet te onderbouwen alsmede gelet op de beperkte omvang van deze schuld ten opzichte van de totale nieuwe schuldenlast, geenszins anders. Daarbij is het hof tot slot bovendien van oordeel dat niet is gebleken dat de geconstateerde tekortkomingen [appellant] niet kunnen worden toegerekend. Nu het om meerdere tekortkomingen van ook nog eens ernstige aard gaat, temeer nu wordt geacht bekend te zijn met de op hem rustende verplichtingen uit de wettelijke schuldsanering, acht het hof geen termen aanwezig om te bepalen dat de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft.

3.8.5.

Nu de geconstateerde tekortkomingen [appellant] kunnen worden toegerekend en het bovendien om meerdere verwijtbare tekortkomingen gaat (zie ook r.o. 3.8.4) acht het hof voorts geen termen aanwezig om de schuldsaneringsregeling van [appellant] , zoals ter zitting in hoger beroep subsidiair door hem is verzocht, te verlengen, daargelaten nog dat een concreet financieel plan van aanpak ten aanzien van de nieuwe schulden en de boedelachterstand – voor zover al door de bewindvoerder precies vast te stellen nu nog steeds bepaalde informatie zijdens [appellant] ontbreekt – ontbreekt, althans in hoger beroep niet is overgelegd. Al hetgeen hiervoor is overwogen voert het hof dan ook tot de slotsom dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat de schuldsaneringsregeling van [appellant] dient te worden beëindigd zonder toekenning van een schone lei.

3.9.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.J.M. Bongaarts, L.Th.L.G. Pellis en A.J. Coster en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2015.