Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:3488

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-08-2015
Datum publicatie
10-09-2015
Zaaknummer
F 200 173 288_01 en F 200 173 288_02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing. Verzoek schorsing uitvoerbaarheid bij voorraad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 20 augustus 2015

Zaaknummers : F 200.173.288/01 en F 200.173.288/02

Zaaknummers 1e aanleg : C/03/205298 / JE RK 15-926 en

C/03/207223 / JE RK 15-1326

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw],

wonende op een geheim adres,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. C.A.M.J.M. Joosten,

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

gevestigd te [de vrouw] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de stichting.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio: [regio] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 16 juni 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 13 juli 2015, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de uithuisplaatsing niet wordt uitgesproken c.q. gelast.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 24 juli 2015, heeft de stichting verzocht – naar het hof begrijpt – voormelde beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- mr. Joosten;

- de stichting, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de stichting 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de stichting 2] .

De moeder en de raad zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 15 juni 2015;

  • -

    het V6-formulier van de advocaat van de moeder d.d. 27 juli 2015;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 18 augustus 2015;

  • -

    de per post en per telefax overgelegde brief met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 19 augustus 2015.

2.4.1.

Voormelde stukken van 18 en 19 augustus 2015 zijn ingekomen buiten de in het procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven gestelde termijn. In zaken betreffende een maatregel van kinderbescherming kunnen evenwel ook binnen de termijn van tien kalenderdagen nog stukken worden overgelegd die van belang zijn en die niet eerder konden worden ingediend.

Gelet op het feit dat deze stukken niet eerder konden worden overgelegd, heeft het hof beslist dat deze stukken worden toegelaten. De stichting heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt.

3 De beoordeling

In de zaken met nummers F 200.173.288/01 en F 200.173.288/02:

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de heer [de vader] (hierna te noemen: de vader) is – voor zover hier van belang – op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] , [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ) geboren.

3.2.

[minderjarige] staat sinds 19 juni 2008 onder toezicht van de stichting.

3.3.

Bij beschikking d.d. 6 mei 2015 heeft de rechtbank een machtiging verleend tot plaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van zorgaanbieder Mutsaersstichting voor de duur van drie maanden. Deze machtiging is (als gevolg van wachtlijsten en het door de moeder tegen die beschikking aangetekende appel) niet geëffectueerd.

3.4.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 19 juni 2016, alsmede de aan de stichting verleende machtiging verlengd om [minderjarige] met ingang van – naar het hof begrijpt –19 juni 2015 (in plaats van 2016) tot uiterlijk 19 september 2015 uit huis te plaatsen in een accommodatie van zorgaanbieder Mutsaersstichting.

3.5.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen, voor zover het de machtiging uithuisplaatsing betreft, en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

De moeder voert in het beroepschrift – kort samengevat – aan dat zij erkent dat er zorgen zijn rondom [minderjarige] en dat het van belang is dat onderzocht wordt wat er met hem aan de hand is. Een 24-uurs plaatsing acht zij echter niet in het belang van [minderjarige] , aangezien hij gehecht is aan zijn moeder en zijn zusje, zodat de uithuisplaatsing voor hem ontwrichtend zal werken. De moeder stelt dat in ieder geval een deeltijd uithuisplaatsing, waarbij [minderjarige] alleen overdag bij de Mutsaersstichting verblijft, moet worden geprobeerd, alvorens tot een zwaarder middel wordt besloten.

3.6.1.

Ter zitting heeft mr. Joosten, in aanvulling op het voorgaande, erop gewezen dat uit het overgelegde e-mailbericht van mevrouw [medewerker van de Mutsaersstichting] van de Mutsaersstichting van 13 augustus 2015 het volgende blijkt. Besloten is om [minderjarige] op de deeltijdbehandeling te plaatsen, omdat die vorm van hulpverlening voor nu het meest passend is en er daarnaast geen plaats was op de 24uurs-groep. Zowel [minderjarige] als de moeder werken goed mee. [minderjarige] stelt zich steeds meer open richting de groepsleiding. De moeder is heel open, maakt zaken bespreekbaar en komt de afspraken goed na. Voor nu is er geen reden om te denken aan een 24uurs-plaatsing. Op het moment dat de Mutsaersstichting onvoldoende groei zou zien bij [minderjarige] of er nieuwe situaties van onveiligheid zouden ontstaan, zal de Mutsaersstichting dit direct met de moeder bespreken en mogelijk in gesprek gaan over een 24uurs-plaatsing. De moeder heeft aangegeven dit te begrijpen en daar dan ook achter te kunnen staan.

Mr. Joosten stelt voorts dat, aangezien de stichting het standpunt handhaaft dat een 24uurs-opname noodzakelijk is, de moeder vreest dat, zodra er plaats is binnen de 24uurs-groep, de stichting alsnog overgaat tot effectuering van de machtiging. En hoewel die machtiging op 19 september 2015 reeds expireert, heeft de beslissing van het hof mogelijk invloed op de beslissing van de stichting om al of niet de verlenging van de huidige machtiging aan te vragen en op de beslissing van de rechtbank op een dergelijk verzoek.

Op vragen van het hof heeft mr. Joosten namens de moeder nogmaals nadrukkelijk verklaard dat de moeder kan instemmen met en haar medewerking zal blijven verlenen aan de dagbehandeling van [minderjarige] bij de Mutsaersstichting.

3.7.

De stichting voert in het verweerschrift – kort samengevat – aan dat een tijdelijke uithuisplaatsing met als doel onderzoek en observatie noodzakelijk is ten einde een gericht behandelingsaanbod te kunnen bieden om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] af te wenden.

Voormeld standpunt heeft de stichting ter zitting gehandhaafd, verwijzend naar de ernstige zorgen over [minderjarige] . De stichting stelt dat, hoewel de Mutsaersstichting van mening is dat een 24uurs-plaatsing op dit moment niet nodig is, de machtiging wel voorhanden moet zijn op het moment dat de zorgen toenemen en die plaatsing toch noodzakelijk wordt geacht, aangezien de moeder daarmee niet kan instemmen.

Op vragen van het hof verklaart de stichting dat (nog) geen verzoek tot verlenging van de huidige machtiging is ingediend.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet – thans: de stichting – die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.8.2.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:265b BW.

3.8.3.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank, gelet op de aard en de ernst van de zorgen omtrent [minderjarige] ten tijde van de procedure in eerste aanleg, terecht een machtiging heeft afgegeven voor de uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de Mutsaersstichting ten behoeve van observatie en diagnostiek. De rechtbank heeft daarbij terecht overwogen dat bij een 24uurs-opname de alledaagse situaties en brede observaties een zorgvuldige diagnose kunnen opleveren.

3.8.4.

In hoger beroep heeft het hof echter kennisgenomen van het e-mailbericht van mevrouw [medewerker van de Mutsaersstichting] (werkzaam bij de Mutsaersstichting) van 13 augustus 2015, waaruit het verloop van het traject van observatie en diagnostiek van [minderjarige] bij de Mutsaersstichting blijkt. Het hof stelt vast dat [minderjarige] op de deeltijdbehandeling is geplaatst; de Mutsaersstichting is van mening dat het op dit moment voldoende is dat [minderjarige] op de doordeweekse dagen overdag bij de Mutsaersstichting verblijft en dat hij ’s avond en in het weekend bij de moeder kan verblijven. Uit voormeld bericht blijkt niet wanneer concreet (dat wel zeggen: op welke datum of op welke termijn) een 24-uurs plaatsing in de visie van de Mutsaersstichting wél noodzakelijk zal zijn.

3.8.5.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de bestreden beschikking, voor zover het betreft de daarbij gegeven machtiging tot een 24uurs-opname van [minderjarige] (bij de Mutsaersstichting) ten behoeve van observatie en diagnostiek, met ingang van heden, 20 augustus 2015, dient te worden vernietigd.

Het hof benadrukt dat dit oordeel niet betekent dat observatie en diagnostiek niet nodig is, maar dat, indien sprake is van nieuwe omstandigheden die (ook in de visie van de Mutsaersstichting) een machtiging voor een 24uurs-opname van [minderjarige] noodzakelijk maken, het aan de stichting is om daartoe een nieuw verzoek bij de rechtbank in te dienen. De moeder dient zich derhalve te realiseren dat indien zij niet langer meewerkt aan de dagbehandeling van [minderjarige] bij de Mutsaersstichting, de kans bestaat dat dan alsnog onmiddellijk door de stichting een machtiging uithuisplaatsing zal worden verzocht.

3.9.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dat wil zeggen voor zover het de machtiging tot opname van [minderjarige] bij de Mutsaersstichting betreft, met ingang van 20 augustus 2015 dient te worden vernietigd en voor het overige dient te worden bekrachtigd.

3.10.

Nu het verzoek in de hoofdzaak reeds ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 20 augustus 2014 is behandeld en daarop direct na het sluiten van de mondelinge behandeling is beslist, heeft de moeder geen belang meer bij haar verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking.

Dit verzoek zal derhalve worden afgewezen.

3.11.

Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing van het hof.

4 De beslissing

Het hof:

In de zaak met nummer 200.173.288/01:

vernietigt met ingang van 20 augustus 2015 de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond van 16 juni 2015, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

en, in zoverre, opnieuw rechtdoende:

wijst met ingang van 20 augustus 2015 alsnog af het inleidend verzoek van de stichting tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van zorgaanbieder Mutsaersstichting;

bekrachtigt de genoemde beschikking voor wat betreft de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing over de periode van 19 juni 2015 tot 20 augustus 2015;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte,

In de zaak met nummer 200.173.288/02:

wijst af het verzoek van de moeder tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van voormelde beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond van 16 juni 2015.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, M.C. Bijleveld-van der Slikke en E.L. Schaafsma-Beversluis en in het openbaar uitgesproken ter zitting op 20 augustus 2015 en op schrift gesteld op 10 september 2015.