Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:3477

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-09-2015
Datum publicatie
09-09-2015
Zaaknummer
HD 200.163.802_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Bij een in 2010 gewezen kortgedingvonnis is het een advocaat op straffe van een dwangsom verboden om zich publiekelijk op diskwalificerende wijze uit te laten over een voormalige cliënt. De voormalige cliënt stelt zich op het standpunt dat de advocaat het verbod heeft overtreden en dwangsommen heeft verbeurd door in 2014 een boek te publiceren waarin passages voorkomen die op hem betrekking hebben. De advocaat vordert in kort geding staking van de executie van dwangsommen.

Het hof bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter waarbij de vordering is toegewezen. Daarbij is rekening gehouden met een tuchtuitspraak van het Hof van Discipline waarin is geoordeeld dat van een normale relatie advocaat-cliënt geen sprake is geweest. Het in 2010 opgelegde verbod correspondeert thans niet meer met het doel dat daarmee was beoogd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.163.802/01

arrest van 8 september 2015

in de zaak van

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. O.M.B. J. Volgenant te Amsterdam,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. H. A. J. Stollenwerck te Maastricht,

op het bij exploot van dagvaarding van 19 januari 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 23 december 2014, gewezen tussen [appellant] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie, en [geïntimeerde] als eiser in conventie, verweerder in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/03/198650/KG ZA 14-643)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties;

  • -

    de beslissing van de rolraadsheer tot afwijzing van het verzoek van [appellant] om een spoedbehandeling;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    het op verzoek van [appellant] gehouden pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;

  • -

    de bij brief van 3 juni 2015 door [geïntimeerde] toegezonden productie, die ter pleidooizitting bij akte in het geding is gebracht;

  • -

    de bij brief van 5 jun 2015 door [appellant] toegezonden producties 28 en 29, die ter pleidooizitting bij akte in het geding zijn gebracht.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.7 van het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter de feiten weergegeven waarvan voor de beoordeling van het geschil in eerste aanleg is uitgegaan. Voor zover tegen die vaststelling geen grieven zijn aangevoerd of anderszins bezwaar is gemaakt, vormen die feiten ook in hoger beroep het uitgangspunt. Het gaat in dit geding om het volgende.

3.1.1.

Bij vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht van 6 december 2010 (zaaknummer 155248/KG ZA 10-454) is het [geïntimeerde] op vordering van [appellant] verboden om zich vanaf de betekening van dat vonnis publiekelijk en/of in de media onheus en/of diskwalificerend uit te laten over [appellant] op de wijze en in de context als aangeduid in rechtsoverweging 4.2 van dat vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per overtreding, met een maximum van € 50.000,-.

Rechtsoverweging 4.2 van dat vonnis luidt:

"Uit de stellingen van [appellant] begrijpt de voorzieningenrechter dat hij met "onheus en/of diskwalificerend en/of onrechtmatig" doelt op uitlatingen van [geïntimeerde] waarin hij [appellant] afschildert als een onbetrouwbaar dan wel bedrieglijk persoon in de context van enerzijds diens (mogelijke) betrokkenheid als kroongetuige van het Openbaar Ministerie in het strafrechtelijk onderzoek tegen " [betrokkene] " en de door [appellant] in dat kader (mogelijk) afgelegde zogenoemde kluisverklaringen en anderzijds de (mogelijke) dubbelrol die [appellant] vervolgens zou spelen of zou hebben willen spelen, toen hij op 5 september 2009 samen met " [betrokkene] " op het kantoor van [geïntimeerde] zou zijn verschenen, om " [betrokkene] " bij te staan in diens strafzaak. De voorzieningenrechter begrijpt uit het samenstel van de woorden "onheus en/of diskwalificerend en/of onrechtmatig" dat het gevorderde verbod betrekking dient te hebben op uitlatingen waarin woorden worden gebezigd met een uitdrukkelijk negatieve betekenis dan wel lading ("sujet", "addergebroed"), maar ook op uitingen over de hiervoor aangeduide kwestie waarin de woordkeuze een meer neutraal karakter heeft. De voorzieningenrechter begrijpt verder dat [appellant] geen verschil wil maken tussen enerzijds "onheuse" en "diskwalificerende" en anderzijds "onrechtmatige" uitlatingen, dat het gebruik van deze verschillende woorden uitsluitend verband houdt met de dubbele grondslag van de vordering en dat in alle gevallen wordt gedoeld op uitlatingen door [geïntimeerde] in verband met [appellant] ’s persoon, verband houdend met diens (mogelijke) betrokkenheid bij de strafzaak jegens " [betrokkene] ", een en ander zoals hiervoor aangeduid."

3.1.2.

In het vonnis van 6 december 2010 heeft de voorzieningenrechter voorts overwogen dat tussen partijen voorshands vaststaat dat [geïntimeerde] in ieder geval in de periode van 12 mei 2009 tot 16 juni 2009 de advocaat van [appellant] is geweest (zie rechtsoverweging 4.4), dat [geïntimeerde] in het kader van die contractuele relatie, gelet op de voor advocaten geldende gedragsregels, geheimhouding jegens derden diende te betrachten over (onder meer) de persoon [appellant] (rechtsoverweging 4.5) en dat [geïntimeerde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van die verplichting (rechtsoverweging 4.7). Op die grond (wanprestatie) heeft de voorzieningenrechter in dat geding de vordering toegewezen. Tegen het vonnis van 6 december 2010 is geen hoger beroep ingesteld, aldus de voorzieningenrechter die het thans bestreden vonnis heeft gewezen.

3.1.3.

De Raad van Discipline te 's-Hertogenbosch heeft op 2 september 2013 een door [appellant] tegen [geïntimeerde] ingediende klacht ongegrond verklaard (ECLI:NL:TADRSHE: 2013:34) . Bij uitspraak in hoger beroep van 23 mei 2014 (ECLI:NL: TAHVD:2014:182, productie 5 bij inleidende dagvaarding) heeft het Hof van Discipline die beslissing van de Raad van Discipline bekrachtigd. Het Hof van Discipline heeft daartoe onder meer overwogen (overwegingen 4.5 en 5.4) dat ten aanzien van het normaaltype van de verhouding tussen raadsman en cliënt in strafzaken weliswaar als uitgangspunt heeft te gelden dat een cliënt genoodzaakt is een groot vertrouwen te stellen in zijn advocaat, dat hij er daarom op moet kunnen vertrouwen dat zijn advocaat zich jegens hem loyaal toont en dat hij zich vrijelijk tegenover zijn advocaat kan uitlaten zonder vrees dat de informatie die hij aan de advocaat toevertrouwt door deze in de openbaarheid wordt gebracht, maar dat gebleken is dat de verhouding tussen [appellant] en [geïntimeerde] van meet af aan niet aan dat normaaltype heeft beantwoord. Ook al verkeerde [appellant] , als aangehouden verdachte, in een voor hem bedreigende situatie en ook al had hij zelf [geïntimeerde] als raadsman gekozen, toch heeft hij [geïntimeerde] van meet af aan gewantrouwd, ofschoon van goede grond voor wantrouwen niet is gebleken, aldus het Hof van Discipline.

In deze uitspraak refereert het Hof van Discipline aan zijn eerdere uitspraak tussen partijen van 14 maart 2011 (ECLI:NL:TAHVD:2011:YA1432), waarin was geoordeeld dat [geïntimeerde] in strijd had gehandeld met het uitgangspunt dat een cliënt ( [appellant] ) zich vrijelijk tegenover zijn advocaat ( [geïntimeerde] ) moet kunnen uitlaten zonder vrees dat de informatie die hij aan zijn advocaat toevertrouwt door deze in de openbaarheid wordt gebracht.

3.1.4.

Bij vonnis van 2 april 2014 (C/03/176899/HA ZA 12-469) heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, op vordering van [appellant] voor recht verklaard dat [geïntimeerde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van verbintenissen voortvloeiende uit de tussen hem en [appellant] bestaande overeenkomst van opdracht. [geïntimeerde] is veroordeeld tot betaling van € 1.500,- als vergoeding voor door [appellant] geleden immateriële schade.

Voorts heeft de rechtbank in rechtsoverweging 4.7.2 van dat vonnis geoordeeld:

" [geïntimeerde] heeft verder verwezen naar de inhoud van een uit een strafdossier afkomstig proces-verbaal dat hij in december 2012 in handen kreeg. Daarin relateren de twee verbalisanten die het proces-verbaal hebben opgemaakt over een gesprek dat zij op 8 juli 2009 met [appellant] hebben gevoerd. Volgens de inhoud van het proces-verbaal - die door [appellant] wordt bestreden - verklaarde [appellant] onder andere over veelvuldige contacten tussen hem en [geïntimeerde] (die niet hebben plaatsgevonden) en suggereerde hij dat [geïntimeerde] betrokken is geweest bij onroerend goed transacties. [geïntimeerde] stelt dat het feit dat [appellant] dergelijke onwaarheden heeft geuit, een rechtvaardiging vormt voor zijn uitlatingen. Deze stelling kan, alleen al op grond van het feit dat [geïntimeerde] pas kennis heeft genomen van het proces-verbaal nadat hij de aan hem verweten uitlatingen heeft gedaan, niet worden aanvaard."

3.1.5.

Bij arrest van dit hof in kort geding van 8 april 2014 is geoordeeld dat [geïntimeerde] niet het bij vonnis van 6 december 2010 opgelegde verbod heeft overtreden als gevolg van de verschijning van een artikel in de Telegraaf van 28 december 2012 waarin diskwalificerende uitlatingen van [geïntimeerde] over [appellant] werden geciteerd. Het hof heeft daartoe overwogen dat, ervan uitgaande dat [geïntimeerde] de - door hem betwiste - uitlatingen heeft gedaan, die uitlatingen zijn gedaan in een andere context dan waarop het vonnis van 6 december 2010 zag, namelijk in het kader van verdediging door [geïntimeerde] tegen beschuldigingen van [appellant] aan zijn adres zoals die zijn gebleken uit een strafrechtelijk proces-verbaal (weergegeven in rechtsoverweging 3.1.4). Het verbod moet zo worden uitgelegd dat de verdediging door [geïntimeerde] tegen die beschuldigingen daardoor niet wordt getroffen, aldus het hof in rechtsoverweging 4.10 van zijn arrest.

3.1.6.

Op 26 september 2014 is een boek in de handel verschenen met de titel:

"mr. [geïntimeerde] ; strafpleiter, dandy, dwarsligger". Dit boek, geschreven door [auteur] en uitgegeven door [Uitgeverij] , bevat een biografie van [geïntimeerde] . Onder verwijzing naar de door hem gevolgde werkwijze, die heeft geresulteerd in een grote en rechtstreekse invloed van [geïntimeerde] op de uiteindelijk gepubliceerde tekst, merkt de auteur op pagina 11 op:

"Het boek dat u nu in handen heeft, vertoont dan ook meer de trekken van een autobiografie dan van een biografie."

Onder 'verantwoording en dankwoord' op pagina 297 stelt de auteur verder:

"Hoewel we er geen harde afspraken over hadden gemaakt, legde ik het manuscript van dit boek voor aan [geïntimeerde] , hetgeen leidde tot een aantal correcties, aanvullingen en (taalkundige) aanpassingen."

3.1.7.

Op de pagina's 162 tot en met 167 (van de eerste drie drukken) heeft de auteur een beschrijving gegeven van gebeurtenissen die zich in 2009 tussen [appellant] en [geïntimeerde] hebben afgespeeld. Daarin is onder meer opgenomen:

- op pagina 162:

"Een schoolvoorbeeld van de geniepige klager die mij uit rancune het leven zuur maakte, diende zich vele jaren later aan: [appellant] ."

- op pagina 163, laatste alinea, en 164, eerste en tweede alinea:

"Op 5 september 2009 stond [betrokkene] op de stoep met iemand die zich voorstelde als [appellant] Ik dacht: verrek, is dat niet de vent die ik gezegd heb dat hij een andere advocaat moest nemen omdat hij een deal met justitie wilde sluiten? Inderdaad, dat was hem. Ik vroeg hem wat hij kwam doen. [appellant] legde een dossier op tafel en in een split second zag ik passages waarin duidelijk werd dat hij had geprobeerd kroongetuige te worden. In een flits schoot door mijn hoofd: hij heeft natuurlijk [betrokkene] . proberen te verraden.

Vermoedelijk was de deal met justitie niet doorgegaan en probeerde hij nu maatjes te worden met [betrokkene] . om te kijken of hij daar een slaatje uit kon slaan. [betrokkene] . had niets in de gaten. Onmiddellijk gooide ik die vent de deur uit en zei tegen [betrokkene] : "Je snapt het niet, maar de man die jij als reddende engel hebt meegenomen, heb je als een stuk addergebroed aan je borst gekoesterd". (…) Kennelijk was [appellant] zo beledigd dat ik hem de deur had gewezen, dat hij ging stoken in de pers met de beschuldiging dat ik tegenstrijdige belangen diende. (…..)"

- op pagina 164, laatste alinea, en het vervolg daarvan op pagina 165:

"Vervolgens diende [appellant] een klacht in tegen mij bij de Maastrichtse deken. Hierop heb ik een brief aan de deken gestuurd, die ik tevens verzond aan de media. Daarin schreef ik dat [betrokkene] . een stuk addergebroed aan de borst had gekoesterd en dat [appellant] een onbetrouwbaar sujet was."

In de vierde druk van het boek zijn deze passages door de uitgever verwijderd.

3.1.8.

[appellant] heeft op 3 november 2014 de grosse van het kortgedingvonnis van 6 december 2010 aan [geïntimeerde] doen betekenen en [geïntimeerde] bevel gedaan om binnen twee dagen € 15.000,- aan verbeurde dwangsommen te betalen wegens drie overtredingen van het bij dat vonnis opgelegde verbod, te weten de drie uitlatingen in eerdergenoemd boek.

3.1.9.

Thans is bij de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, een procedure aanhangig (C/03/202078 HAZA 15-075) waarin [geïntimeerde] vordert (na wijziging van eis bij conclusie van repliek d.d. 27 mei 2015, door [geïntimeerde] bij brief van 3 juni 2015 in de onderhavige procedure in het geding gebracht) voor recht te verklaren dat tussen [geïntimeerde] en [appellant] nimmer een normale verhouding raadsman-cliënt heeft bestaan door toedoen van [appellant] en dat [geïntimeerde] derhalve met kwalificaties als 'addergebroed' en 'onbetrouwbaar sujet' sedert 23 mei 2014 (de datum van de laatste uitspraak tussen partijen van het Hof van Discipline) niet jegens [appellant] toerekenbaar tekortschiet dan wel onrechtmatig handelt.

3.2.1.

[geïntimeerde] vordert in de onderhavige procedure veroordeling van [appellant] om de op 3 november 2014 ingezette executie te staken en gestaakt te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- per dag. [geïntimeerde] heeft ter onderbouwing van zijn vordering aangevoerd dat aannemelijk is dat de bodemrechter in het door hem bij de rechtbank aanhangig gemaakte geding - in navolging van het Hof van Discipline en in afwijking van het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter in het vonnis van 6 december 2010 - zal oordelen dat van een (normale) relatie advocaat-cliënt geen sprake is geweest, zodat de conclusie moet zijn dat [geïntimeerde] geen dwangsommen heeft verbeurd. [geïntimeerde] heeft voorts aangevoerd dat de hiervoor geciteerde passages uit zijn biografie geen nieuwe uitlatingen zijn, maar een historische beschrijving vormen van gebeurtenissen uit zijn leven, en daarom niet onder de reikwijdte van het verbod in het vonnis van 6 december 2010 vallen. De veroordeling bij het vonnis van 6 december 2010 raakt de persoonlijke levenssfeer van [geïntimeerde] en zijn recht op vrije meningsuiting, zodat de veroordeling beperkt dient te worden uitgelegd. Subsidiair heeft [geïntimeerde] zich op het standpunt gesteld dat de desbetreffende drie citaten slechts één overtreding vormen.

3.2.2.

[appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering van [geïntimeerde] .

[appellant] heeft voorts een vordering in reconventie ingesteld die ertoe strekt om aan de bij het vonnis van 6 december 2010 uitgesproken veroordeling een hogere dwangsom te verbinden, namelijk van € 100.000,- per overtreding met een maximum van € 1.000.000,-.

3.2.3.

Bij het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter de vordering in conventie toegewezen, in die zin dat [appellant] is veroordeeld om de op 3 november 2014 ingezette executie te staken en gestaakt te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per dag met een maximum van € 50.000,-. De vordering in reconventie heeft de voorzieningenrechter afgewezen.

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis overwogen dat het vonnis van 6 december 2010 is gewezen op basis van de toen bekende feiten en omstandigheden, maar dat voor de beoordeling van de onderhavige vordering tevens rekening moet worden gehouden met na dat vonnis voorgevallen feiten en omstandigheden. De voorzieningenrechter heeft in dit verband gewezen op de uitspraak van het Hof van Discipline van 23 mei 2014. Volgens de voorzieningenrechter volgt uit de motivering van die uitspraak dat er tussen partijen vanaf aanvang aan door toedoen van [appellant] geen normale verhouding raadsman-cliënt is geweest. Indien de bodemrechter tot dezelfde bevindingen komt als het Hof van Discipline, kan niet worden uitgesloten dat de bodemrechter zal oordelen dat [geïntimeerde] door het opnemen van de bewuste passages geen dwangsommen heeft verbeurd, aldus de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis.

3.4.

[appellant] heeft in hoger beroep zes grieven aangevoerd. Hij concludeert tot vernietiging van het beroepen vonnis, tot het alsnog afwijzen van de vordering van [geïntimeerde] in conventie en tot het alsnog toewijzen van zijn vordering in reconventie.

De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Het hof overweegt als volgt.

3.5.

Juist is, zoals [appellant] ten verwere heeft aangevoerd, dat het vonnis van de rechtbank van 2 april 2014 in de bodemprocedure met zaaknummer C/03/176899/HA ZA 12-469, tegen welk vonnis geen rechtsmiddelen zijn aangewend, tussen partijen gezag van gewijsde heeft. Dat betekent dat hetgeen de rechtbank in dat vonnis omtrent de rechtsbetrekking tussen partijen heeft beslist, in het onderhavige geding in beginsel onbetwistbaar is en thans dus niet ter discussie kan staan.

Hieruit volgt naar het voorlopig oordeel van het hof echter in ieder geval niet dat er thans van moet worden uitgegaan dat ook de gewraakte passages in het boek een overtreding opleveren van het [geïntimeerde] bij vonnis van 6 december 2010 opgelegde verbod. Over die passages in het boek, dat op 26 september 2014 in de handel is gekomen, heeft de rechtbank immers in haar daaraan voorafgegane vonnis van 2 april 2014 geen uitspraak gedaan.

Ook volgt uit het feit dat het vonnis van 2 april 2014 gezag van gewijsde heeft niet dat ook in de onderhavige procedure moet worden geoordeeld dat voor de uitlatingen van [geïntimeerde] in het boek geen rechtvaardiging kan worden gevonden in de door [geïntimeerde] gevoelde noodzaak zich te verweren tegen aantijgingen van [appellant] aan zijn adres. De rechtbank heeft haar desbetreffende oordeel in dat vonnis immers gestoeld op de overweging dat [geïntimeerde] eerst kennis heeft genomen van het proces-verbaal (in december 2012) nadat hij de hem verweten uitlatingen had gedaan. Nu publicatie van het boek heeft plaatsgevonden in september 2014 gaat dat oordeel voor het onderhavige kort geding niet op. Bovendien heeft de rechtbank in dat vonnis overwogen dat bij de beantwoording van de vraag of [geïntimeerde] wanprestatie heeft gepleegd, groot gewicht moet worden toegekend aan de binnen de beroepsgroep van advocaten vastgestelde gedragsnormen voor zover die gelden voor de relatie tot de (voormalige) cliënt, en heeft het Hof van Discipline inmiddels een ander oordeel uitgesproken over de aard van de contractuele verhouding tussen partijen (de uitspraak van 23 mei 2014).

3.6.

Bij de beantwoording van de vraag of [geïntimeerde] het verbod in het vonnis van 6 december 2010 heeft overtreden, dienen de gewraakte uitlatingen te worden getoetst aan de inhoud van het verbod, zoals die door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij moeten doel en strekking van het verbod tot richtsnoer worden genomen, aldus dat het verbod niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel nodig is. De inhoud van het verbod dient mede te worden vastgesteld aan de hand van de overwegingen in het vonnis waarop het steunt. Naarmate een verbod meer in algemene termen is verwoord, moet de draagwijdte van het verbod eerder beperkt worden geacht tot die handelingen waarvan in ernst niet gaan kan worden betwijfeld dat zij, mede gelet op het belang tegen aantasting waarvan het verbod is gegeven, een inbreuk van dit verbod opleveren.

3.7.

In rechtsoverweging 4.1 van het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter overwogen dat bij de beoordeling van de onderhavige vordering tot staking van de executie niet alleen het vonnis van 6 december 2010 en de destijds bekende, aan dat vonnis ten grondslag liggende feiten en omstandigheden een rol spelen, maar dat tevens rekening moet worden gehouden met na het vonnis van 6 december 2010 voorgevallen feiten en omstandigheden, waaronder de uitspraak van het Hof van Discipline van 23 mei 2014. Tegen deze overweging als zodanig heeft [appellant] niet gegriefd, met dien verstande dat [appellant] het niet eens is met die uitspraak van het Hof van Discipline en dat hij meent dat ook andere disciplinaire uitspraken (waarin werd geoordeeld dat er wél sprake was van een normale verhouding advocaat-cliënt) moeten worden meegewogen.

3.8.

In het vonnis van 6 december 2010 heeft de voorzieningenrechter, gelet op de aard van die procedure, slechts voorlopig geoordeeld dat tussen partijen sprake is geweest van een relatie advocaat-cliënt. Ook de rechtbank is daarvan in haar vonnis van 2 april 2014 weliswaar uitgegaan, maar zij heeft voorts overwogen dat voor de vraag welke verplichtingen uit die relatie voor partijen voortvloeien groot gewicht moet worden toegekend aan de binnen de beroepsgroep van advocaten geldende gedragsnormen en aan het oordeel van de tuchtrechter daaromtrent (rechtsoverweging 4.3). De rechtbank heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de Raad van Discipline van 27 september 2010 en het Hof van Discipline van 14 maart 2011. In het vonnis van 2 april 2014 kon - uiteraard - nog geen rekening worden gehouden met de uitspraak van het Hof van Discipline van 23 mei 2014.

3.9.

In laatstgenoemde uitspraak heeft het Hof van Discipline overwogen dat hetgeen in een normale relatie advocaat-cliënt als norm heeft te gelden niet zonder meer ook tussen partijen geldt, nu na eerdere tuchtrechtelijke uitspraken waarin is uitgegaan van een normale relatie advocaat-cliënt, is gebleken dat [appellant] [geïntimeerde] vanaf het begin heeft gewantrouwd en dat [appellant] campagne tegen [geïntimeerde] is gaan voeren door de pers te voeden met beschadigende informatie en door tuchtrechtelijke, civielrechtelijke en strafrechtelijke initiatieven tegen [geïntimeerde] te gaan ontplooien, zoals dat onder meer is gebleken uit eerdergenoemd proces-verbaal. Ten aanzien van dat proces-verbaal (en een ander proces-verbaal) heeft het hof reeds in zijn arrest van 8 april 2014 overwogen dat daarin diskwalificerende beschuldigingen aan het adres van [geïntimeerde] zijn vermeld, in die zin dat [geïntimeerde] - ongefundeerd - wordt beschuldigd van betrokkenheid bij illegale praktijken in de onroerendgoedsector, hetgeen [geïntimeerde] diskwalificeert. Reacties daarop van [geïntimeerde] heeft het Hof van Discipline in zijn laatste uitspraak aangemerkt als het [appellant] met gelijke munt terugbetalen.

Deze nieuw gebleken omstandigheden brengen volgens het Hof van Discipline mee dat van een normale relatie advocaat-cliënt niet kan worden gesproken. Zoals ook de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis heeft overwogen is het hof van oordeel dat deze laatste uitspraak van het Hof van Discipline, waarbij omstandigheden zijn meegewogen die niet in eerdere tuchtrechtelijke uitspraken, noch in het vonnis van 6 december 2010 of het vonnis van 2 april 2014, aan de orde zijn geweest, moet worden betrokken bij de boordeling van het onderhavige geschil.

3.10.

In het licht van het voorgaande is het hof voorshands van oordeel dat de gewraakte passages in het boek niet onder het verbod van het vonnis van 6 december 2010 vallen. Thans is sprake van een andere context dan waarvan bij het opleggen van het verbod bij het kortgedingvonnis van 6 december 2010 is uitgegaan. Ook speelt hierbij de factor tijd naar het oordeel van het hof een rol. Niet kan worden aanvaard dat een eenmaal opgelegd verbod te allen tijde, ongeacht latere ontwikkelingen en ongeacht latere gedragingen van degene ten gunste van wie het verbod is gegeven, door middel van de opeising van dwangsommen afgedwongen kan blijven worden. In de onderhavige zaak moeten die ontwikkelingen en gedragingen tot de conclusie leiden dat het opgelegde verbod thans niet meer correspondeert met het doel dat daarmee was beoogd.

3.11.

Naar het oordeel van het hof is aannemelijk dat de bodemrechter, indien de hiervoor besproken, nieuw voorgevallen feiten en omstandigheden mede in aanmerking worden genomen - kort gezegd: het oordeel van het Hof van Discipline omtrent de atypische relatie tussen partijen en de gevolgtrekkingen die dat oordeel moet hebben voor de tussen partijen over en weer geldende normen, alsmede zijn oordeel dat [geïntimeerde] , gelet op die atypische relatie, zich niet alle aantijgingen van [appellant] aan zijn adres hoeft laten welgevallen - tot het oordeel zal komen dat in het onderhavige geval van schending van het verbod geen sprake is geweest.

3.12.

Gelet op het hiervoor overwogene kunnen de grieven niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden. Het hof zal dat vonnis derhalve bekrachtigen.

3.13.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op € 311,- aan griffierecht en op € 2.682,- aan salaris advocaat;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, C.W.T. Vriezen en T. H. M. van

Wechem en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 september 2015.

griffier rolraadsheer