Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:3452

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-09-2015
Datum publicatie
07-09-2015
Zaaknummer
HR 200.172.508_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WSNP-zaak. Bekrachtiging afwijzing toelating in hoger beroep. Geen minnelijk traject doorlopen; Kredietbank heeft bij voorbaat afgezien van aanbod aan schuldeisers omdat de schuldpositie onvoldoende helder is. Ook zou de schuldenlast te hoog zijn. Hof oordeelt dat dit geen met redenen omklede verklaring ex artikel 285 Fw is.

Ook overigens voldoet het verzoek niet aan de vereisten ex artikel 285 Fw: er is geen volledige opgave van schulden, met daarbij vermeld de ontstaansdatum, de reden van niet-betaling en het onbetaald laten, e.e.a. onderbouwd d.m.v. verificatoire bescheiden. Geen stukken aanwezig m.b.t. huwelijkse voorwaarden, het keuringsrapport van de keuringsarts en verklaringen over de gezondheidstoestand van de aan MS lijdende aanvrager. Het hof kan derhalve niet toetsen of aannemelijk is dat schulden te goede trouw zijn ontstaan en onbetaald gelaten.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 285
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 3 september 2015

Zaaknummer : HR 200.172.508/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/02297281/FT RK 15-546

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. N. Wouters te Middelburg.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 23 juni 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 30 juni 2015, heeft [appellante] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing te verklaren.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2015. Bij die gelegenheid is gehoord [appellante] , bijgestaan door mr. Wouters.

[medewerker Orionis] , medewerker bij Orionis, heeft telefonisch laten weten niet tijdig ter zitting in hoger beroep aanwezig te kunnen zijn. Op uitdrukkelijke vragen van het hof hebben [appellante] en mr. Wouters geantwoord dat de aanwezigheid van [medewerker Orionis] niet noodzakelijk is omdat alles wat van belang is, reeds in de in het kader van het onderhavige hoger beroep overgelegde stukken is weergegeven (zie onder meer productie 5 bij het appelschrift) en dat de behandeling van deze zaak kon worden voortgezet buiten aanwezigheid van [medewerker Orionis] . Het hof heeft hierop de behandeling van deze zaak voortgezet.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van de stukken van de eerste aanleg, waarvan een gedeelte is ingestuurd per indieningsformulier van 21 juli 2015; bij die stukken behoort ook het proces-verbaal van eerste aanleg d.d. 16 juni 2015.

3 De beoordeling

3.1.

Ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat over de goederen die aan [appellante] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 BW. De meerderjarigenbeschermingsbewindvoerder, de heer [beschermingsbewindvoerder] , is niet ter zitting in hoger beroep verschenen. De meerderjarigenbeschermingsbewindvoerder heeft echter per e-mail (productie 5 achter het beroepschrift) zijn visie over het gedane verzoek tot tussentijdse beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling van [appellante] gegeven (vgl. HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV4021).

3.2.

[appellante] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellante] blijkt een totale schuldenlast van € 21.812,- aan preferente schulden en van € 59,168,35 aan concurrente schulden. Daaronder bevinden zich schulden aan de Belastingdienst Particulieren van € 1.032,-, € 6.179,-, € 11.173,-, € 1.258,-, € 1.186,-, € 982,-, € 1.478,- en € 1.674,- en “€ 0,00”, een schuld aan Orionis Walcheren van € 5.612,42, een schuld aan CZ van € 3.316,27, een schuld aan ING N.V. van € 23.653,53, een schuld aan het CJIB ad € 2.241,83 en een schuld aan de Samenwerking Belastingen Walcheren en Schouwen-Duiveland ad € 8.051,13.

Uit genoemde verklaring d.d. 30 maart 2015 blijkt dat geen minnelijk traject heeft plaatsgevonden, omdat het niet mogelijk is gebleken om vanwege de omvangrijke schuldenlast alle schulden in beeld te krijgen en met alle eisers in contact te komen; dit brengt een te groot risico met zich mee voor het vervolg. Bovendien zou de draagkracht er niet zijn om een bod aan de schuldeisers te doen, biedt de verhouding tussen draagkracht en schuldenlast geen ruimte om te onderhandelen en zal, zo stelt Orionis Walcheren, het inkomen waarschijnlijk niet meer groeien, vanwege de gezondheid van mevrouw.

3.3.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek van [appellante] afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellante] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.

3.4.

De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd. De rechtbank is van oordeel dat er ten opzichte van het eerder door [appellante] ingediende verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden, welke thans wel zouden moeten leiden tot toelating. De schuldenlast is weliswaar niet toegenomen, maar er is ook geen sprake van afname van de schuldenlast. [appellante] heeft, ondanks dat zij in staat moet worden geacht om 8 uur per week te werken, niets ondernomen om, al dan niet met behulp van een jobcoach, op zoek te gaan naar passend werk om op die manier te trachten meer inkomsten te genereren ten gunste van haar schuldeisers. Het lag op de weg van [appellante] om de schulden te beperken. Van [appellante] mocht ten minste vanaf 2010 verwacht worden dat zij de financiën van de onderneming die op haar naam stond, ter hand zou nemen. Daarvan is niet gebleken.

Ter zake de datum van het ontstaan van de schulden aan met name de postorderbedrijven merkt de rechtbank op dat in de schuldenlijst gevoegd bij het eerder door [appellante] ingediende verzoek staat vermeld dat deze schulden zijn ontstaan op 1 januari 2013. Op de schuldenlijst gevoegd bij het thans voorliggende verzoek staat als datum van ontstaan van deze schulden 1 januari 2010 vermeld. [appellante] zelf heeft verklaard dat zij in ieder geval tot september 2013 nog spullen heeft besteld bij postorderbedrijven. Nu [appellante] ter zake voormelde schulden geen verificatoire bescheiden heeft overgelegd, is de rechtbank van oordeel dat zij onvoldoende in staat is gesteld om te kunnen beoordelen of [appellante] , in de vijf jaar voorafgaand aan de indiening van het onderhavige verzoek, te goeder trouw is geweest in het laten ontstaan dan wel onbetaald laten van de schulden. De rechtbank neemt aan dat de totale schuldenlast ontstaan uit bestelling bij postorderbedrijven en dergelijke, een voldoende substantieel karkater heeft. De rechtbank komt tot de conclusie dat het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling dient te worden afgewezen, aldus de rechtbank.

3.5.

[appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellante] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. [appellante] is wel degelijk te goeder trouw geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden. Ook heeft zij aangetoond dat zij alle verplichtingen die voortvloeien uit de schuldsaneringsregeling naar behoren zal nakomen (grief I). Een groot deel van de schulden is gemaakt toen [appellante] onder het juk van haar toenmalige partner leefde; het werd haar pas later duidelijk welke schulden zijn gemaakt en afbetaald dienden te worden. [appellante] was niet eerder in staat te handelen. Dit kan haar, gelet op de gewelddadige relatie tussen beiden, niet verweten worden; [appellante] verbleef ook langere tijd in ene opvanghuis. Toen [appellante] geconfronteerd werd met de schulden, heeft zij direct een meerderjarigenbeschermingsbewindvoerder ingeschakeld.

Er zijn inderdaad enkele postorderschulden; deze schulden zijn gemaakt doordat er kleding nodig was voor de kinderen. Nadat het beschermingsbewind is ingegaan, zijn er geen postorderbestellingen meer gedaan. [appellante] kan goed rondkomen van haar leefgeld. De meerderjarigenbeschermingsbewindvoerder heeft inmiddels een schuld aan een postorderbedrijf ad € 814,- afgelost. Er zijn ook andere schulden afgelost (tot 31 december voor een bedrag van € 1.482,-, na 1 januari 2015 € 1.315,10). Er is bovendien een vermogen opgebouwd dat is gereserveerd voor een eventuele eerste betaling aan de boedel van ongeveer € 3.500,-.

[appellante] lijdt aan chronische post traumatische stress stoornis (PTSS) en aan Mutiple Sclerose (MS). Werken is dan ook lastig. [appellante] heeft wel geprobeerd om aan werk te komen, maar veel banen zijn ongeschikt in verband met haar fysieke toestand.

3.6.

Hieraan is door en namens [appellante] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd.

Omdat [appellante] volgens de keuringsarts slechts acht uur per week hoeft te werken, komt [appellante] niet in aanmerking voor een opleidingstraject via de gemeente. Dat spijt [appellante] . Afgesproken is dat zij vrijwilligerswerk gaat doen; hiervoor is [appellante] door Orionis verwezen naar maatschappelijk werk. [appellante] zou het liefst een opleiding tot maatschappelijk werkster volgen. [appellante] verklaart desgevraagd niet te beschikken over het rapport van de keuringsarts.

Mr. Wouters denkt dat het niet uitvoeren van het minnelijk traject te maken heeft met de hoogte van de schuldenlast.

[appellante] beschikt niet over de onderliggende stukken van de schulden: alle stukken waarover zij beschikte, heeft ze afgegeven aan Orionis.

[appellante] weet niet waarom bij een aantal schulden op de schuldenlijst een hoogte van € 1,- of zelfs € 0,- is opgegeven.

[appellante] weet niet waarom de ingangsdatum van veel schulden op de schuldenlijst is aangegeven op de eerste dag van januari van een willekeurig jaar.

[appellante] geeft aan destijds op huwelijkse voorwaarden te zijn gehuwd. Schulden op naam van haar ex-echtgenoot zijn derhalve niet haar schulden.

3.7.

De heer [beschermingsbewindvoerder] , meerderjarigenbeschermingsbewindvoerder heeft in een e-mailbericht d.d. 29 juni 2015 (productie 5 bij beroepschrift) – zakelijk weergegeven – het volgende bericht. Door de meerderjarigenbeschermingsbewindvoerder zijn diverse schulden afgelost, mede naar aanleiding van de behandeling van een eerder verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Vanaf datum beschermingsbewind tot en met 31 december 2014 is een bedrag van € 1.482,- aan schulden afgelost; vanaf 1 januari 2015 is een bedrag van € 1.315,10 aan schulden afgelost (waaronder aan “het postorderbedrijf ad € 814,--“). Ook is inmiddels vermogen gevormd, circa € 3.500,-, dat bij toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling als eerste betaling aan de boedel kan worden overgemaakt. Indien [appellante] niet zou worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, dan zal dit bedrag worden afgelost aan preferente schuldeisers.

3.8.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.8.1.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub a Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.

3.8.2.

Er is geen buitengerechtelijke schuldregeling beproefd. Dit is een vereiste voor toepassing van de schuldsaneringsregeling. Artikel 285 Fw schrijft immers voor dat bij een verzoek tot toelating een met redenen omklede verklaring wordt overgelegd dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke regeling te komen, alsmede over welke aflossingsmogelijkheden verzoeker beschikt (artikel 285 lid 1 aanhef en sub f Fw). Dit vereiste is dwingendrechtelijk voorgeschreven (zie ook conclusie A-G Wuisman in ECLI:PHR:2013:120, randnr. 2.3 en gerechtshof ’s-Hertogenbosch 24 april 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BW3818).

De omstandigheid dat de schuldpositie onvoldoende helder is, zoals in de artikel 285 Fw-verklaring staat beschreven, staat het houden van een minnelijk traject naar het oordeel van het hof niet in de weg.

Ook de suggestie van mr. Wouters, dat een minnelijk traject niet veel zin heeft als de schuldenlast hoog is, staat naar het oordeel van het hof het uitvoeren van een minnelijk traject niet in de weg.

Daarenboven is, getuige de door Orionis Walcheren op 30 maart 2015 afgegeven verklaring, bij voorbaat afgezien van een bod aan de schuldeisers. Een genoegzame verklaring, voorzien van cijfers, ontbreekt waarbij het hof, zoals ook ter zitting in hoger beroep [appellante] is voorgehouden, de ervaring uitwijst dat ook een percentueel laag aanbod in voorkomend geval kan worden geaccepteerd zoals ook de ervaring uitwijst dat een percentueel hoog percentage in voorkomend geval wordt geweigerd (daargelaten de mogelijkheid van een dwangakkoord). Om dit te kunnen achterhalen zullen dan eerst wel de schuldeisers in het kader van een te betrachten minnelijke regeling moeten worden aangeschreven onder uitleg en berekening van de mogelijkheden, hetgeen niet althans onvoldoende is gebleken. Verder is ook de stelling dat het inkomen zeer waarschijnlijk niet meer zal groeien in de toekomst vanwege de gezondheid van mevrouw te algemeen en voor het hof bij gebrek aan onder meer medische stukken c.q. een arbeidskeuring onvoldoende verifieerbaar.

Het gebrek aan het doorlopen van een minnelijk traject is reeds voldoende om het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling af te wijzen. Het hof wijst erop dat ook het niet volledig zijn van een schuldenlijst grond is voor afwijzing.

3.8.3.

Ook overigens voldoet het verzoek van [appellante] niet aan de vereisten. Tot die vereisten behoort dat de schuldenaar die toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling beoogt, opgave doet van onder meer zijn schulden (vgl. artikel 285 lid 1 sub a Fw) met daarbij vermeld de ontstaansdatum van elke schuld, de reden waarom deze schuld niet is betaald en vervolgens onbetaald is gelaten onder overlegging van verificatoire bescheiden. Een dergelijke, volledige opgave is door [appellante] niet verstrekt. Een groot deel van de schulden lijkt de fictieve aanvangsdatum van 1 januari 2010 te hebben, hetgeen naar alle waarschijnlijkheid niet juist kan zijn. Bij een aantal schulden staat een bedrag van € 1,- of

€ 0,- vermeld, hetgeen waarschijnlijk niet juist is.

Stukken inzake de belastingschulden ontbreken.

Een stuk waaruit blijkt dat [appellante] op huwelijkse voorwaarden was gehuwd, ontbreekt.

Het keuringsrapport van de keuringsarts die heeft bepaald dat [appellante] slechts 8 uur per week kan werken, ontbreekt.

Stukken aangaande de ziekte MS waaraan [appellante] lijdt, en die van belang zijn om te bepalen of [appellante] de afgelopen jaren in staat was om te werken, ontbreken.

Desgevraagd heeft mr. Wouters laten weten dat zij evenmin stukken heeft opgevraagd.

Het hof is van oordeel bij gebreke van een dergelijke helderheid in de schuldenlijst en onderbouwende stukken niet getoetst kan worden aan het criterium of aannemelijk is dat [appellante] te goeder trouw is geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden. Ook dit vormt een reden tot afwijzing van het verzoek.

3.9.

Gelet op het bovenstaande, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, zal het vonnis waarvan beroep worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.Th.L.G. Pellis, P.J.M. Bongaarts en A.J. Coster en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2015.