Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:345

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-01-2015
Datum publicatie
04-02-2015
Zaaknummer
20-002143-13
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:5349, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Het hof spreekt verdachte vrij van de primair ten laste gelegde overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 en veroordeelt verdachte ter zake van gevaarzetting op de weg tot een taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis en een voorwaardelijke rijontzegging voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002143-13

Uitspraak : 30 januari 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 juni 2013 in de strafzaak met parketnummer 02-700203-10 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht, veroordeeld tot een taakstraf van 72 uren, subsidiair 36 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, en tot een rijontzegging voor de duur van 6 maanden.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het primair ten laste gelegde met als schuldvorm “een hoge mate van onvoorzichtig” zal bewezen verklaren en verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een taakstraf van 72 uren en een rijontzegging voor de duur van 1 jaar.

De verdediging heeft bepleit dat het hof verdachte integraal zal vrijspreken van het ten laste gelegde.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

hij, op of omstreeks 28 mei 2010 te Breda, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto, Volkswagen), daarmede rijdende over de weg, de Lage Kant

-welke weg was gelegen in een als zodanig (door borden volgens model A1 van bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 met daarop het getal 30 en daarboven het woord ZONE) aangeduide zogenaamde 30 kilometer per uur zone, alwaar derhalve de maximumsnelheid ter plaatse 30 kilometer per uur bedroeg-

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden

door roekeloos, in elk geval in hoge, althans aanzienlijke mate onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of onnadenkend en/of ondeskundig,

bij nadering van de kruising of splitsing van die Lage Kant met de weg, de Marterring, welke wegen van gelijke orde waren,

met dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto, Volkswagen), met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de toen aldaar geldende maximumsnelheid van 30 kilometer per uur, in ieder geval met een gelet op de verkeerssituatie ter plaatse te hoge snelheid,

een vóór hem, verdachte, in gelijke richting als hij, verdachte, eveneens over die weg, die Lage Kant, rijdend motorrijtuig (personenauto), gezien zijn, verdachtes, rijrichting, "links", in te (gaan) halen, op het moment dat een, in gelijke richting als hij, verdachte, eveneens over die weg, die Lage Kant, (met hoge/aanzienlijke snelheid) rijdend motorrijtuig (personenauto, Seat, bestuurd door [medeverdachte]), zich reeds "links naast", althans "dicht links achter", dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto, Volkswagen) bevond,

ten gevolge waarvan (vervolgens), dat genoemde motorrijtuig (personenauto, Seat, bestuurd door [medeverdachte]), gezien diens rijrichting, nog meer "naar links" op het rijbaangedeelte van die weg, bestemd voor het tegemoet rijdende/tegemoetkomende verkeer is gaan en/of is blijven rijden,

zulks terwijl de bestuurster van een hem over voormeld rijbaangedeelte tegemoet rijdende fiets, hem (dicht) genaderd was, althans (dicht) naderde,

waardoor (vervolgens) dat motorrijtuig (personenauto, Seat, bestuurd door

[medeverdachte]), nagenoeg frontaal, in botsing of in aanrijding is gekomen met de bestuurster van die fiets en/of die fiets,

waardoor althans mede waardoor de bestuurster van die fiets (genaamd: [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, althans zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van haar normale bezigheden is ontstaan, te weten zeer ernstig hersenletsel, waardoor zij in (mogelijk blijvende) vegetatieve toestand is komen te verkeren en/of fracturen van meerdere nekwervels en/of een fractuur van een borstwervel en/of van het (rechter)onderbeen en/of het (linker)dijbeen en/of van een ellepijp;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 28 mei 2010 te Breda als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Volkswagen), daarmede rijdende over de weg, de Lage Kant

-welke weg was gelegen in een als zodanig (door borden volgens model A1 van bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 met daarop het getal 30 en daarboven het woord ZONE) aangeduide zogenaamde 30 kilometer per uur zone, alwaar derhalve de maximumsnelheid ter plaatse 30 kilometer per uur bedroeg-

bij nadering van de kruising of splitsing van die weg met de weg, de Marterring, welke wegen van gelijke orde waren,

met dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto, Volkswagen), met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de toen aldaar geldende maximumsnelheid van 30 kilometer per uur, in ieder geval met een gelet op de verkeerssituatie ter plaatse te hoge snelheid,

een vóór hem, verdachte, in gelijke richting als hij, verdachte, eveneens over die weg, die Lage Kant, rijdend motorrijtuig (personenauto), gezien zijn, verdachtes, rijrichting, "links", is (gaan) inhalen, op het moment dat een, in gelijke richting als hij, verdachte, eveneens over die weg, die Lage Kant, (met hoge/aanzienlijke snelheid) rijdend motorrijtuig (personenauto, Seat, bestuurd door [medeverdachte]), zich reeds "links naast", althans "dicht links achter", dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto, Volkswagen) bevond,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die (kruising of splitsing van weg(en) werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die (kruising of splitsing van) weg(en) werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkwamen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Standpunten van de partijen

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het primair ten laste gelegde met als schuldvorm “een hoge mate van onvoorzichtig” zal bewezen verklaren. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat verdachte heeft gereden met een hogere snelheid dan was toegestaan en dat hij voordat hij ging inhalen onvoldoende heeft gekeken of dit op een veilige manier kon.

De verdediging heeft bepleit dat het hof verdachte integraal zal vrijspreken van het ten laste gelegde. Hiertoe heeft de raadsvrouwe aangevoerd dat niet blijkt dat verdachte te hard heeft gereden, verdachte zich er van heeft vergewist dat hij kon inhalen doordat hij in zijn spiegels heeft gekeken en dat verdachte niet kon en hoefde te verwachten dat de auto achter hem met zeer hoge snelheid naderde. De raadsvrouwe komt tot de conclusie dat er geen wettig, laat staan overtuigend bewijs voorhanden is dat verdachte enig verwijt kan worden gemaakt, in welke mate of in welke vorm dan ook.

Vrijspraak

Het hof stelt voorop dat uit bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het bij de beoordeling van de mate van schuld aan een verkeersongeval aankomt op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Niet valt in zijn algemeenheid aan te geven of één enkele verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van aanmerkelijke onoplettendheid en/of onachtzaamheid en zodoende van schuld ex artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Daarvoor zijn verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan evenmin worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Omtrent de snelheid waarmee verdachte zou hebben gereden over de Lage Kant te Breda overweegt het hof het navolgende. Verdachte heeft verklaard dat hij met 30 à 40 kilometer per uur reed. Het hof is – anders dan de rechtbank – van oordeel dat deze verklaring niet de conclusie rechtvaardigt dat verdachte met te hoge snelheid heeft gereden. Deze verklaring laat immers de mogelijkheid open dat verdachte 30 kilometer per uur, en derhalve de toegestane snelheid, heeft gereden. Hoewel de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] wel steun bieden voor de stelling dat verdachte te hard heeft gereden, acht het hof deze verklaringen echter onvoldoende om daaruit de overtuiging te kunnen bekomen dat verdachte te hard heeft gereden. Uit de overige verklaringen in het dossier volgt immers niet dat verdachte te hard heeft gereden.

Al met al is bij het hof twijfel blijven bestaan of verdachte daadwerkelijk te hard heeft gereden. Mitsdien is uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep voor het hof niet genoegzaam komen vast te staan dat verdachte op de Lage Kant met een hogere snelheid heeft gereden dan was toegestaan.

Voor het hof is komen vast te staan dat verdachte een inhaalmanoeuvre heeft ingezet op het moment dat hij zag dat de auto die voor hem reed vaart verminderde en naar rechts stuurde. Hierbij heeft hij wel in zijn spiegels gekeken, maar heeft nagelaten over zijn linker schouder te kijken. Hierdoor heeft hij niet waargenomen dat de Seat Ibiza die achter hem reed, reeds was begonnen met een inhaalmanoeuvre en daarbij al links naast verdachte reed. Doordat verdachte vervolgens de inhaalmanoeuvre inzette, heeft de medeverdachte, de bestuurder van de Seat zijn auto nog verder naar links gestuurd, waardoor de medeverdachte uiteindelijk een fietser, te weten [slachtoffer], frontaal heeft aangereden.

Naar het oordeel van het hof kan uit de enkele omstandigheid dat verdachte niet over zijn linker schouder heeft gekeken toen hij zijn inhaalmanoeuvre inzette en hierdoor niet heeft waargenomen dat de achter hem rijdende Seat reeds was begonnen met een inhaalmanoeuvre, hoewel deze voor hem waarneembaar moet zijn geweest en hij daarop zijn rijgedrag had moeten kunnen afstemmen, niet volgen dat verdachte zich in de voor bewezenverklaring ter zake van artikel 6 van de Wegenverkeerswet vereiste mate van schuld, te weten roekeloos, dan wel in hoge, althans aanzienlijke mate onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of onnadenkend en/of ondeskundig heeft gedragen. Gelet hierop kan naar ’s hofs oordeel bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs niet worden bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 28 mei 2010 te Breda als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Volkswagen), daarmede rijdende over de weg, de Lage Kant

-welke weg was gelegen in een als zodanig (door borden volgens model A1 van bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 met daarop het getal 30 en daarboven het woord ZONE) aangeduide zogenaamde 30 kilometer per uur zone, alwaar derhalve de maximumsnelheid ter plaatse 30 kilometer per uur bedroeg-

bij nadering van de kruising of splitsing van die weg met de weg, de Marterring, welke wegen van gelijke orde waren,

een vóór hem, verdachte, in gelijke richting als hij, verdachte, eveneens over die weg, die Lage Kant, rijdend motorrijtuig (personenauto), gezien zijn, verdachtes, rijrichting, "links", is gaan inhalen, op het moment dat een, in gelijke richting als hij, verdachte, eveneens over die weg, die Lage Kant, met aanzienlijke snelheid rijdend motorrijtuig (personenauto, Seat, bestuurd door [medeverdachte]), zich reeds "links naast", dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto, Volkswagen) bevond,

door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Op grond van de bovengenoemde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang en tijdsverband bezien, is voor het hof komen vast te staan dat verdachte alvorens hij zijn inhaalmanoeuvre inzette, heeft nagelaten om over zijn linker schouder te kijken. Het hof stelt voorop dat een bestuurder van een motorvoertuig zich er ten allen tijde van dient te vergewissen dat de bijzondere verrichting die hij wenst te verrichten, veilig kan geschieden. Hierbij behoort ook het controleren van de zogenaamde “dode hoek”, in casu het kijken over de linker schouder. Dit geldt temeer voor verdachte, nu hij had gezien dat er een auto met een hogere snelheid dan hemzelf achter hem reed. Naar ’s hofs oordeel had verdachte in het geval hij wel de “dode hoek” had gecontroleerd, kunnen waarnemen dat de medeverdachte [medeverdachte] reeds was begonnen met een inhaalmanoeuvre en al links naast de auto van verdachte reed. Doordat verdachte niet op de juiste wijze heeft gecontroleerd of hij de voorliggende auto veilig kon inhalen, heeft hij concreet gevaar veroorzaakt op de weg. Door verdachtes rijgedrag heeft de bestuurder van de Seat die reeds was begonnen aan een inhaalmanoeuvre, zijn auto nog verder naar links gestuurd, waardoor deze een fietser heeft aangereden. Het hof acht derhalve – anders dan de verdediging – het subsidiair ten laste gelegde bewezen. Het hof merkt hierbij nog op dat een fout die door een medeweggebruiker is gemaakt, niet in de weg hoeft te staan aan een veroordeling. Tot op zekere hoogte dient men namelijk rekening te houden met de fouten van anderen.

Het verweer van de verdediging wordt derhalve verworpen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn overigens geen feiten of omstandigheden aangevoerd of anderszins gebleken die zouden moeten leiden tot een ander oordeel dan hiervoor gegeven.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten nadele van verdachte houdt het hof bij het bepalen van de straffen in het bijzonder rekening met het ernstig letsel dat het slachtoffer [slachtoffer] heeft opgelopen door de aanrijding die mede is veroorzaakt door verdachte. [slachtoffer] is tot op heden nog volledig afhankelijk van zorg, kan niet lopen en praten en krijgt haar voeding door middel van een maagsonde. Volgens haar broer die namens haar de schriftelijke slachtofferverklaring heeft opgemaakt is [slachtoffer] kwaliteit van leven minimaal te noemen. Haar familie en haar twee zoontjes kampen nog dagelijks met de gevolgen hiervan.

Ten voordele van verdachte houdt het hof rekening met de omstandigheid dat verdachte blijkens het hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 8 december 2014 niet eerder met justitie in aanraking is gekomen voor verkeersfeiten.

Alles afwegende komt het hof tot de oplegging van een taakstraf van 60 uren en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden.

Met de oplegging van de voorwaardelijke rijontzegging wil het hof enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking brengen en anderzijds de strafoplegging dienstbaar maken aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Het hof merkt nog op dat bij de strafvervolging van verdachte de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, is geschonden. Verdachte is immers op 28 mei 2010 aangehouden en in verzekering gesteld en op 29 mei 2010 gehoord als verdachte, zijnde handelingen van de Staat waaraan verdachte in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat hij ter zake van een bepaald strafbaar feit zal worden vervolgd. Nu op 26 juni 2013 ter zake vonnis is gewezen en daarmee niet binnen 2 jaren na aanvang van de termijn, is er sprake van schending van de redelijke termijn. Nu het hof verdachte veroordeeld tot een taakstraf van minder dan 100 uren, volstaat het met de constatering van deze schending.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door:

mr. J. Platschorre, voorzitter,

mr. S.C. van Duijn en mr. M.I.A. Schlaghecke-Bouman, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. Tatters, griffier,

en op 30 januari 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. M.I.A. Schlaghecke-Bouman is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.