Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:3309

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-08-2015
Datum publicatie
24-12-2015
Zaaknummer
HD 200.138.321_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:2656
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voortzetting van ECLI:NL:GHSHE:2014:2656

Huur woonruimte. Duurzaam gemeenschappelijke huishouding. Uitvliegen 36-jarige zoon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.138.321/01

arrest van 25 augustus 2015

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

verder te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. C.C.W.G.M. Janssens te Bergen op Zoom,

tegen

Stichting [stichting] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

verder te noemen: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. D.H.J. Kochx te Etten-Leur,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 5 augustus 2014 in het hoger beroep van het door de kantonrechter in de rechtbank Zeeland-West Brabant, locatie Bergen op Zoom, onder zaaknummer 773968 CV EXPL 13-2234 gewezen vonnis van 6 november 2013.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 5 augustus 2014;

  • -

    de processen-verbaal van de enquêtes van 16 oktober 2014 en 19 januari 2015;

  • -

    de memorie na enquête van [appellant] ;

  • -

    de antwoordmemorie na enquête van [geïntimeerde] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6 De verdere beoordeling

6.1.

Bij genoemd tussenarrest is [appellant] toegelaten feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat hij met zijn ouders, dan wel zijn vader, op het adres [adres] te [plaats] een duurzame gemeenschappelijke huishouding in de zin van artikel 7:268 lid 2 BW heeft gevoerd.

6.2.

Het hof volhardt bij hetgeen werd overwogen en beslist in het tussenarrest.

6.3.

Ter voldoening aan de bewijsopdracht heeft [appellant] getuigen doen horen. Hij heeft zichzelf niet doen horen. Hij verwijst bovendien naar de schriftelijk verklaringen overgelegd bij dagvaarding in eerste aanleg.

6.4.

Zoals overwogen in het tussenarrest is voor toepassing van artikel 7:268 lid 2 BW vereist dat de samenwoner in het gehuurde zijn woonverblijf had en met de overleden huurders een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd. Of hiervan sprake is dient te worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval in onderling verband beschouwd.

Het onderhavige geval wordt hierdoor gekenmerkt dat [appellant] bij zijn ouders in het gehuurde is opgegroeid en ook na zijn meerderjarig worden (hij is geboren op [geboortedatum] 1976 en werd derhalve meerderjarig op [geboortedatum] 1994) in de woning is blijven wonen. In zo’n geval dient als uitgangspunt te worden genomen dat sprake is van een aflopende samenlevingssituatie (en derhalve niet van een duurzame, in de zin van een voor de toekomst bestendige, situatie). In de regel zal het zelfstandig geworden kind immers op enig moment na het meerderjarig worden uitvliegen.

Alleen onder bijzondere, door [appellant] te stellen en bij betwisting te bewijzen omstandigheden kan dit anders zijn. Anders gezegd: [appellant] dient aannemelijk te maken dat ten tijde van het overlijden van zijn moeder en vader (resp. 31 maart 2012 en 17 oktober 2012) er niet alleen een duurzame gemeenschappelijke huishouding bestond maar ook een, met het oog op de toekomst, bestendige en duurzame, op voortzetting gerichte samenlevingssituatie en gemeenschappelijke huishouding, een situatie waarbij ‘uitvliegen’ redelijkerwijs niet meer in de verwachting lag en er derhalve een samenleving bestond die onverminderd zou hebben voortgeduurd ware het niet dat zijn ouders/huurders overleden.

6.5.

Naar het oordeel van het hof is [appellant] niet geslaagd in het opgedragen bewijs. Daartoe wordt het volgende overwogen.

6.5.1.

Het hof neemt eerst de leeftijd van [appellant] ten tijde van het overlijden van zijn ouders, 35 jaar, in aanmerking. Hoewel de meeste kinderen op die leeftijd zijn uitgevlogen, vormt het feit dat dit voor [appellant] nog niet gold, niet een zodanig zwaarwegende aanwijzing om aan te kunnen nemen dat hij niet meer zou uitvliegen. Het hof kwalificeert de situatie aldus dat het er voor [appellant] kennelijk nog niet van was gekomen om uit te vliegen. [getuige 1] verklaart het volgende: Op uw vraag waarom hij nooit het huis uit is gegaan antwoord ik u dat ik dat niet weet, hij zal het wel naar zijn zin hebben gehad.

[appellant] had vaak geen werk (dat zou kunnen nopen tot verhuizen), hij leefde van een uitkering (inwonen bij ouders is dan goedkoop; zijn ouders stelden geen grote financiële eisen), hij genoot grote vrijheid (hij had een eigen zolderkamer met tv en internetaansluiting, waarop hij zich kon terugtrekken en waar hij kon roken), hij was vrijgezel en zijn ouders verbleven regelmatig in Marokko ( [appellant] ging dan niet altijd mee). Wellicht dat ook nog de sociale achtergrond een rol heeft gespeeld. [getuige 2] verklaarde: Op uw vraag waarom mijn broer nooit het huis is uitgegaan antwoord ik u dat we bij ons pas uitvliegen als we gaan trouwen en [appellant] is nooit getrouwd.

6.5.2.

Er bestaan wel aanwijzingen dat [appellant] uitvliegen in overweging heeft genomen. Zo staat in de toelichting op grief 2: [appellant] heeft duidelijk gemaakt dat hij voor een korte periode bij zijn broer heeft gewoond en enige tijd uit huis is geweest. Ook staat daar: Het is juist dat [appellant] een drietal malen heeft ingeschreven gestaan bij [geïntimeerde] (als woningzoekende). [getuige 2] , de broer, heeft verklaard dat [appellant] een tijdje in Denemarken had gewerkt. Dat (de inschrijving en het werken in Denemarken) duidt erop (daargelaten of [appellant] wel echt bij zijn broer heeft gewoond, wat hij later in de procedure ontkende) dat, als de gelegenheid zich zou hebben voorgedaan, [appellant] elders zou zijn gaan wonen. Een definitieve situatie (van thuis blijven wonen) had zich kennelijk nog niet gevormd.

6.5.3.

Ook het verzorgingsaspect (door [appellant] verleend aan zijn ouders) levert ontoereikende aanwijzingen voor een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Het ligt voor de hand dat een gezonde meerderjarige, vaak werkloze en inwonende zoon (die nog niet is uitgevlogen) voor zijn ouders en ziek geworden vader en moeder boodschappen doet, helpt in de huishouding (en innemen van pillen, aantrekken van steunkousen, enz.) en hen af en toe naar de dokter en het ziekenhuis brengt ( [appellant] had een auto, zijn ouders niet). Voor de meer complexere medische zorg had de moeder hulp van een verpleegkundige die elke ochtend en avond kwam. Bovendien zijn moeder en vader in een later stadium van hun ziekte gedurende meerdere maanden opgenomen geweest in een verpleeghuis en hospice. [appellant] is niet medisch geschoold.

Het hof neemt hierbij nog in overweging hetgeen getuige [getuige 3] heeft verklaard, namelijk: Waarom [appellant] nooit is uitgevlogen weet ik niet. Op een gegeven moment werden zijn ouders ziek en verzorgde hij hen, dan ga je niet meer zo snel weg.

Dit alles overziende en de (getuige)verklaringen in samenhang in overweging nemende, heeft het hof niet de overtuiging gekregen dat het onder één dak met zijn ouders wonen voor [appellant] ertoe strekte om een duurzame gemeenschappelijke huishouding te vormen met het oog op bestendige verzorging. Er was eerder sprake van een situatie, waarbij een zoon die in de regel zal uitvliegen. Dat het daarvan nog niet was gekomen hield mede ( [appellant] had het thuis naar z’n zin) verband met de verslechterende medische situatie van eerst zijn moeder (die kanker kreeg) en later zijn vader (die kort na zijn ziek worden werd opgenomen; zijn verzorging speelt vrijwel geen rol).

6.5.4.

In grief 3 keert [appellant] zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat in de overgelegde bankafschriften niets wijst op een gemeenschappelijke huishouding. [appellant] voert daartegen aan dat vergoedingen contant werden verrekend.

Naar het oordeel van het hof blijkt van niet meer dan dat [appellant] bijdroeg aan de kosten van de huishouding. Van een thuiswonend meerderjarig kind met een eigen inkomen bijdraagt aan deze kosten is niet ongebruikelijk. [appellant] geeft niet aan hoe uit zijn bijdragen aan de bestrijding van de kosten van onder meer de boodschappen kan worden afgeleid dat sprake is van een duurzame, dat wil zeggen blijvende gemeenschappelijke huishouding. Dat [appellant] Ziggo betaalde is evenmin een aanwijzing nu [appellant] internet gebruikte en zelf ook televisie keek.

Grief 3 kan mitsdien niet tot een ander oordeel leiden.

6.5.5.

Van bijzondere omstandigheden die voor de ouders van [appellant] noopten om met hun zoon een duurzame gemeenschappelijke huishouding te voeren is niet gebleken. Ook indien wordt aangenomen dat het positief gewaardeerd werd dat [appellant] nog thuis was en deelnam aan het huishouden en het gezinsleven (en zijn analfabete ouders kon helpen), blijkt uit niets dat ook de ouders beoogd hebben een verdergaande gemeenschappelijke huishouding te willen voeren dan dat welke bestaat tussen ouders en (uit te vliegen) zoon.

Voor zijn eigen welzijn of gezondheid hoefde [appellant] niet bij zijn ouders te wonen. Naar het oordeel van het hof zijn er ook geen omstandigheden die hem noopte tot het aangaan van een duurzame gemeenschappelijke huishouding die uitsteeg boven een ouder-kind-relatie, maar waren het genoemde bijkomende omstandigheden die [appellant] er kennelijk hebben doen besluiten om nog niet uit te vliegen. Onder deze omstandigheden heeft hij geen recht op de rechtsbescherming die artikel 7:268 lid 2 BW biedt.

6.6.

Nu [appellant] niet is geslaagd in het leveren van het verlangde bewijs falen de grieven en dient het vonnis waarvan beroep te worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen.

7 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op € 683,- aan verschotten en op € 2.235,- aan salaris advocaat (2½ punt tariefgroep II).

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, J.P. de Haan en R.J.M. Cremers en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 25 augustus 2015.

griffier rolraadsheer