Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:3307

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-08-2015
Datum publicatie
27-08-2015
Zaaknummer
HD 200.134.084_02
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

onverschuldigde betaling; zorgplicht klant van netbeheerder energie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.134.084/02

arrest van 25 augustus 2015

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. J.J.M. Heuvelmans te Simpelveld,

tegen

Stedin Netbeheer B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als Stedin,

advocaat: mr. A. Ester te Zwijndrecht,

op het bij exploot van dagvaarding van 29 juli 2013 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 15 mei 2013, gewezen tussen [appellant] als eiser en Stedin als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 354708 CV EXPL 12-5148)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven van 1 mei 2014 met één productie;

  • -

    de memorie van antwoord van 12 augustus 2014 met één productie;

  • -

    de akte van [appellant] van 9 september 2014;

  • -

    de antwoordakte van Stedin van 14 oktober 2014.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In deze zaak kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

3.1.1.

[appellant] is eigenaar en bewoner, met zijn echtgenote en volwassen zoon, van het woonhuis aan de [straatnaam][huisnummer 1] en van de loods aan de [straatnaam][huisnummer 2] te [woonplaats] . De loods is verhuurd aan een derde. In 2010 had [appellant] twee elektriciteitsaansluitingen via Stedin, netbeheerder in het bewuste gebied, voor het woonhuis met klantnr. [klantnummer 1] en voor de loods met klantnr. [klantnummer 2] . De meterkast voor beide aansluitingen bevindt zich in het woonhuis.

3.1.2.

Op grond van de toepasselijke algemene voorwaarden van Stedin is de contractant onder meer gehouden het redelijkerwijs mogelijke te doen om schade aan de aansluiting en de meetinrichting te voorkomen (art. 4 lid 3) en is het de contractant niet toegestaan de verzegelingen van de meters te verbreken (artikel 4, lid 6, aanhef en sub b) .

3.1.3.

Op 29 juni 2010 heeft Stedin, vergezeld van de politie, de beide aansluitingen afgesloten en de meters verwijderd. De meters zijn door de politie in beslag genomen. [appellant] en zijn zoon werden verdacht van diefstal van energie, aanbrengen van valse ijkzegels, vernieling en hennepteelt.

3.1.4.

Op 5 juli 2010 heeft Stedin aan [appellant] inzake beide aansluitingen een brief gezonden. Deze brieven houden het volgende in. Van de elektriciteitsmeters is een of meer ijkmerken zonder toestemming van Stedin verbroken waardoor deze vervangen dienen te worden. Stedin stelt [appellant] daarvoor aansprakelijk. Stedin heeft het energieverbruik van de meters herberekend naar een jaargemiddelde. Voor de woning is een herberekening gemaakt van niet geregistreerd energieverbruik van 54.722 kWh over de periode 6 januari 2007 t/m 29 juni 2010, te vermeerderen met transportkosten over de periode 6 januari 2007 t/m 31 december 2008. Voor het woonhuis was ten tijde van de brief reeds een bedrag van € 6.895,44 door [appellant] betaald en in de brief wordt geconstateerd dat heraansluiting daar op 1 juli 2010 al heeft plaatsgevonden. Voor de loods sommeert Stedin [appellant] in de brief van 5 juli 2010 tot betaling van € 8.789,53 binnen 7 dagen. Dit is gebaseerd op een herberekening van niet geregistreerd energieverbruik van 58.773 kWh over de periode 24 december 2006 t/m 29 juni 2010, te vermeerderen met transportkosten over de periode 24 december 2006 t/m 31 december 2008. Ook het bedrag van € 8.789,53 is door [appellant] betaald.

3.1.5.

Stedin heeft op 20 juli 2010 aangifte gedaan van diefstal van elektriciteit door [appellant] , en van het aanbrengen van een vals ijkmerk en vernieling of beschadiging van de meetinrichting.

3.1.6.

Bij brief van de officier van justitie van 9 mei 2011 is aan [appellant] bericht dat de strafzaak tegen hem is afgedaan omdat er onvoldoende bewijs was van enige betrokkenheid bij hennepteelt en diefstal van stroom. De strafzaak tegen de zoon van [appellant] is blijkens een brief van de officier van justitie van 31 maart 2011 afgedaan met als transactie: schadevergoeding, onder vermelding dat de schade van € 6.895,44 aan Stedin al was voldaan en dat aangezien alleen de diefstal van elektriciteit verweten zou kunnen worden en niet het aanwezig hebben van een hennepkwekerij, besloten is de zaak op deze wijze definitief af te doen. Bij beschikking van de raadkamer van de rechtbank Roermond van 18 oktober 2011 is aan [appellant] op grond van art. 591a Sv een vergoeding voor rechtsbijstand toegekend van € 851,45. Aan zijn zoon is bij beschikking van 26 juni 2012 een vergoeding voor rechtsbijstand toegekend van € 3.346,62.

3.2.1.

[appellant] heeft Stedin op 14 september 2012 gedagvaard en gevorderd:

1. de rechtshandeling die geleid heeft tot betalingen van € 6.895,44 en € 8.789,53 te vernietigen;

2. te bepalen dat Stedin de twee meters die op 29 juni 2010 zijn afgekoppeld, terugplaatst;

3. veroordeling van Stedin in de schade van [appellant] van 29 juni 2010 t/m 3 juli 2010 met rente;

4. aan eiser terug te betalen een bedrag van € 15.684,97 met rente;

5. te vermeerderen met buitengerechtelijke incassokosten volgens rapport Voorwerk II;

6. met veroordeling van Stedin in de proceskosten met rente en nakosten.

3.2.2.

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis van 15 mei 2013 de vordering afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld.

Daartoe overwoog de kantonrechter dat [appellant] niet heeft aangegeven welke rechtshandeling vernietigd zou moeten worden, zodat de gevorderde vernietiging wordt afgewezen. [appellant] heeft aangegeven dat de betalingen onverschuldigd zouden zijn gedaan. [appellant] heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat de verzegelingen van de meters verbroken waren. In zoverre rust een verantwoordelijkheid op de aangeslotenen. Daarmee heeft [appellant] zijn contractuele verplichtingen aan de netbeheerder geschonden en is hij schadeplichtig geworden. De betaling is dus niet onverschuldigd verricht. [appellant] heeft de gestelde onjuistheid van de schadeberekening niet concreet en onderbouwd aangegeven, zodat de kantonrechter daaraan voorbij gaat. Ook de gevorderde terugplaatsing van de meters is afgewezen. Nu Stedin mocht afsluiten is Stedin niet aansprakelijk voor kosten die [appellant] door de afsluiting heeft moeten maken. Tenslotte zijn ook de nevenvorderingen afgewezen.

4.1.

[appellant] heeft op 29 juli 2013 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 15 mei 2013. Hij heeft zijn eis gewijzigd en vordert thans, uitvoerbaar bij voorraad:

1. vernietiging van het vonnis waarvan beroep;

2. betaling door Stedin van een bedrag van € 15.684,97 met rente;

3. betaling door Stedin van een bedrag van € 663,45 wegens kosten van een generator, met rente;

4. veroordeling van Stedin in de proceskosten in beide instanties, met rente en nakosten.

4.2.

[appellant] heeft tegen het vonnis drie grieven aangevoerd. De eerste grief houdt in dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat op [appellant] onverkort een zorgplicht rust, dat hij zijn contractuele verplichting heeft geschonden, en dat hij schadeplichtig is. In de tweede grief stelt [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat de betaling van [appellant] niet onverschuldigd is. In de derde grief voert [appellant] aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellant] de onjuistheid van de uitgangspunten niet of onvoldoende heeft aangegeven. [appellant] heeft een rapport laten opstellen d.d. 17 augustus 2013 door ing. [deskundige] (verder: [deskundige] ), waarin volgens [appellant] onderbouwd wordt berekend dat Stedin veel meer in rekening heeft gebracht dan mogelijk en toegelaten is. De berekening van [deskundige] komt neer op een terugbetaling door Stedin aan [appellant] van € 9.129,09.

4.3.

Stedin heeft bij memorie van antwoord de grieven van [appellant] en het rapport van [deskundige] bestreden. [deskundige] is volgens Stedin niet deskundig en is van verkeerde uitgangspunten uitgegaan, waarmee onvoldoende is aangetoond dat de schatting van Stedin onjuist zou zijn. Stedin heeft als productie nog twee prints uit haar administratie overgelegd waaruit kan blijken dat de EAN-codes van de meters zijn gekoppeld aan het adres van [appellant] . Stedin doet tenslotte een bewijsaanbod.

4.4.

[appellant] heeft bij akte op de inhoud van de memorie van antwoord gereageerd, en stelt toegelaten te willen worden tot het leveren van bewijs. Stedin heeft een antwoordakte genomen, bezwaar gemaakt tegen de (inhoud van de) akte van [appellant] en is kort op die inhoud ingegaan.

5.1.

Het hof stelt vast dat [appellant] kennelijk zijn eis tot terugbetaling van een bedrag door Stedin bij memorie van grieven heeft verminderd tot € 9.129,09 met rente, naast de kosten van huur van een generator.

5.2.1.

Op [appellant] rust als contractant van Stedin een zorgplicht dat niet met de meter wordt gemanipuleerd zodat daaraan betrouwbaar afgelezen kan worden hoeveel energie er wordt verbruikt. Dit is bovendien expliciet opgenomen in art. 4 lid 3 van de toepasselijke algemene voorwaarden. De meter is immers voor een netbeheerder (en een leverancier) de enige mogelijkheid om de juiste hoeveelheid afgenomen energie aan de gebruiker in rekening te brengen. De meter berust onder de macht van de gebruiker; in het geval van [appellant] waren beide meters in zijn woonhuis aangebracht. Hij kon en behoorde er mitsdien op toe te zien dat niet alleen hijzelf, maar ook anderen de verzegeling van de meters intact zouden laten en daarmee niet zouden manipuleren. Het is dus niet van belang of [appellant] zelf de verzegelingen heeft verbroken of dat anderen dat hebben gedaan.

5.2.2.

[appellant] heeft zijn stelling dat niet vaststaat dat de oorspronkelijke fabriekszegels op de meters hebben gezeten, onvoldoende onderbouwd. Hij verwijst enkel naar het rapport van [deskundige] (sub 7, 8 en 9) waarin deze schrijft dat het “mogelijk zou kunnen zijn” dat de aangetroffen, gecorrodeerde zegels er vanaf het begin op zaten en dat het “zou kunnen zijn” dat de installateur destijds bij de installatie de zegels heeft verbroken en de aangetroffen zegels heeft geplaatst. Los van de onwaarschijnlijkheid van deze veronderstellingen is daarmee onvoldoende ingebracht tegen het met foto’s en een proces-verbaal van aangifte onderbouwde standpunt van Stedin. Deze wijst erop dat op de bij conclusie van antwoord overgelegde foto’s te zien is dat de éne meter van de fabrikant Landis & Gyr is en de andere van Schlumbergen, terwijl op beide meters dezelfde loodzegels zijn aangetroffen en deze bovendien onjuist zijn aangebracht, namelijk verkeerd om. In de aangifte is opgenomen dat geconstateerd is dat de verzegeling van het deksel van de hoofdaansluitkast verbroken was, dat de van fabriekswege aangebrachte verzegelingen aan het telwerkhuis van de elektriciteitsmeter verbroken en verwijderd waren, dat er verzegelingen waren aangebracht zonder indruk, terwijl er op elektriciteitsmeters alleen zegels van de fabrikant aanwezig mogen zijn. Bovendien is het, aldus Stedin, zeer onwaarschijnlijk dat er ernstige corrosie ontstaat aan loden zegels terwijl de elektriciteitsmeters bovendien in een droge ruimte waren gevestigd. Tenslotte stelt Stedin dat een bevoegd installateur nimmer aan de fabriekszegels zou zitten, en dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een installateur is geweest die werkzaamheden heeft verricht en de zegels heeft verbroken.

Grief 1 wordt verworpen.

5.2.3.

Het hof gaat er dus als vaststaand van uit dat de fabriekszegels van de aansluitingen waren verbroken. Feiten of omstandigheden op grond waarvan kan worden geoordeeld dat dit niet aan [appellant] kan worden toegerekend zijn niet gebleken. Daarmee staat vast dat [appellant] is tekortgeschoten in zijn zorgplicht, zoals ook omschreven in artikel 4, lid 6, aanhef en sub b van de toepasselijke algemene voorwaarden.

5.3.1.

De betaling door [appellant] is niet onverschuldigd voor zover deze betrekking heeft op een redelijke calculatie achteraf van het verbruik door [appellant] . Dat verbruik kon immers doordat met de meter was gemanipuleerd, niet meer betrouwbaar van de meters afgelezen worden. Stedin heeft dat verbruik als volgt naar schatting berekend.

Zij heeft het daadwerkelijke energieverbruik geschat door alle op 29 juni 2010 feitelijk aangetroffen apparatuur te waarderen op een bepaald (norm)elektriciteitsverbruik. Voor de loods kwam dat uit op 19.979 kWh per jaar, mitsdien over de periode 24 december 2006 tot 29 juni 2010 op 70.281 kWh. Voor het woonhuis kwam dat uit op 23.739 kWh per jaar, mitsdien over de periode 6 januari 2007 tot 29 juni 2010 op 82.503 kWh. Daarop is in mindering gebracht wat er daadwerkelijk door de energieleverancier in rekening was gebracht, uiteraard met verrekening van de voorschotten die [appellant] aan de leverancier had betaald. Dat resulteerde voor de loods in 11.508 kWh die per saldo was betaald – volgens Stedin is dit bedrag nog te hoog door haar berekend zodat zelfs nog te weinig aan [appellant] in rekening is gebracht - , zodat (70.281 – 11.508 is) 58.773 kWh onbetaald was gebleven. Voor het woonhuis was al 27.781 kWh betaald, zodat (82.503 – 27.781 is) 54.722 kWh onbetaald was gebleven. De kWh’s zijn in rekening gebracht tegen de gemiddelde elektriciteitsprijs in de bewuste periode, rekening houdend met zgn. graaddagen (warme en koude periodes).

Tegen de in rekening gebrachte transportkosten (€ 1.369,19 voor de loods en € 1.265,18 voor het woonhuis) heeft [appellant] geen bezwaar ingebracht.

5.3.2.

[appellant] heeft daar het rapport van [deskundige] tegenover gesteld en baseert daar zijn verweer tegen de berekeningswijze van Stedin op.

Het hof overweegt daaromtrent het volgende.

[deskundige] stelt dat de berekeningswijze die is gerelateerd aan de aangetroffen apparatuur en het verbruik daarvan, “in grote lijnen” klopt. Hij gaat er echter ten onrechte van uit dat het door Stedin gehanteerde jaarverbruik voor de loods van 19.979 kWh was gebaseerd op historische verbruiken. Dat aantal kWh’s is berekend naar het (norm)verbruik van de daadwerkelijk aangetroffen apparatuur.

Dat de “bedrijfsduur” in de loods – wat [appellant] daar dan ook onder verstaat – (veel) geringer van omvang zou zijn geweest dan door Stedin gesteld, is tegenover de beredeneerde schatting van het verbruik door Stedin door [appellant] in het geheel niet nader toegelicht of onderbouwd. Dat verweer moet dan ook worden verworpen.

Ook de hypothese van [deskundige] , door hem zelf al “theoretisch” genoemd, over enkele en dubbele telwerken en foute registraties als gevolg daarvan wordt door het hof als onjuist verworpen. Een enkel en een dubbel telwerk registreren dezelfde hoeveelheid energie, die bij een dubbel telwerk tegen verschillende tarieven wordt afgerekend.

Voor het overige behoeft het rapport van [deskundige] geen bespreking aangezien dat verder geen tegenwerping bevat tegen de door Stedin gehanteerde, en in uitgangspunt juiste, schatting van het daadwerkelijke verbruik.

Ook de grieven 2 en 3 falen daarmee.

[appellant] heeft geen stellingen naar voren gebracht die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, zodat het hof op zijn bewijsaanbiedingen niet ingaat.

5.4.

Het vonnis, waarvan beroep, zal worden bekrachtigd nu de daartegen gerichte grieven falen.

[appellant] vordert in hoger beroep opnieuw veroordeling van Stedin tot betaling van € 663,45 voor de kosten van een generator, maar hij heeft geen grief gericht tegen de afwijzing van die vordering door de kantonrechter.

Ten overvloede overweegt het hof dat de kantonrechter deze vordering terecht en op juiste gronden heeft afgewezen.

[appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep.

6 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 15 mei 2013, tussen partijen onder rolnr. 354708 CV EXPL 12-5148 gewezen;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, aan de zijde van Stedin gevallen en berekend op € 1.341,--voor salaris procureur en € 1.862,-- voor verschotten;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. Brandenburg, P.M.A. de Groot-van Dijken en R.J.M. Cremers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 25 augustus 2015.

griffier rolraadsheer