Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:3284

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-08-2015
Datum publicatie
23-09-2015
Zaaknummer
14-00398 tot en met 14-00420
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:1701, Overig
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:1213
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Belgische Bijzondere belastinginspectie heeft bij brief van 27 oktober 2000 spontaan inlichtingen verstrekt die betrekking hebben op afdrukken van microfiches. Aan de hand daarvan heeft de Inspecteur belanghebbende geïdentificeerd als rekeninghouder bij KB-Lux en navorderingsaanslagen met verhogen en verhogingen en boetes opgelegd. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur de uit België ontvangen afschriften van microfiches mag gebruiken. Het Hof acht daarbij bepalend de feiten en omstandigheden ten tijde van de verkrijging van de afschriften van de microfiches in november 2000, waarbij rekening moet worden gehouden met nadien vergaarde kennis daaromtrent. Belanghebbende heeft in dat verband niet gesteld dat de Nederlandse overheid reeds in november 2000 wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de gegevens door de Belgische autoriteiten op onrechtmatige wijze waren verkregen. Voorts is het Hof van oordeel dat de Inspecteur niet in strijd heeft gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (het zorgvuldigheidsbeginsel). Ten slotte is het Hof van oordeel dat de Inspecteur voldoende voortvarend heeft gehandeld bij het opleggen van de navorderingsaanslagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-2364
V-N Vandaag 2015/2058
V-N 2015/55.2.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerken: 14/00398 tot en met 14/00420

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 12 maart 2014, nummers AWB 12/7167 tot en met 12/7173, AWB 12/7175 tot en met 12/7184, AWB 12/7186 tot en met 12/7189 en AWB 12/7191 en 12/7192, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 1990 tot en met 2002 opgelegde belastingaanslagen in de inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen (hierna: de IB/PVV), en de voor de jaren 1991 tot en met 2000 opgelegde navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting (hierna: de VB) en de daarbij gegeven beschikkingen.

1Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 31 december 2002 navorderingsaanslagen in de IB/PVV en in de VB opgelegd. Die navorderingsaanslagen zijn opgelegd met een verhoging (hierna ook: boete). Tevens is bij beschikkingen heffingsrente in rekening gebracht. Het betreft de volgende navorderingsaanslagen en beschikkingen:

Belasting-

Soort

Jaar

Aanslag-

nummer

[aanslagnummer]

Kenmerk

Hof

IB/PVV

of VB

Boete

Heffings-

rente

IB/PVV

1990

H08

14/00398

f

9.018

9.018

4.232

VB

1991

K18

14/00411

f

3.696

3.696

1.733

1.2.

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 31 mei 2003 navorderingsaanslagen in de IB/PVV en de VB opgelegd. Die navorderingsaanslagen zijn opgelegd met een verhoging of boete (hierna ook: boete). Tevens is bij beschikkingen heffingsrente in rekening gebracht. Het betreft de volgende navorderingsaanslagen en beschikkingen:

Belasting-

Soort

Jaar

Aanslag-

nummer

[aanslagnummer]

Kenmerk

Hof

IB/PVV

of VB

Boete

Heffings-

rente

IB/PVV

1991

H18

14/00399

f

12.105

12.105

4.727

IB/PVV

1992

H28

14/00400

f

11.666

11.666

3.861

IB/PVV

1993

H38

14/00401

f

10.316

10.316

2.895

IB/PVV

1994

H48

14/00402

f

8.618

8.618

2.035

VB

1992

K28

14/00412

f

3.624

3.624

1.409

VB

1993

K38

14/00413

f

3.728

3.728

1.232

VB

1994

K48

14/00414

f

3.765

3.765

1.054

VB

1995

K58

14/00415

f

3.680

3.680

867

VB

1996

K68

14/00416

f

4.200

4.200

879

VB

1997

K78

14/00417

f

4.144

4.144

778

VB

1998

K88

14/00418

f

4.193

4.193

652

VB

1999

K98

14/00419

f

4.144

4.144

520

VB

2000

K07

14/00420

f

4.626

4.626

414

1.3.

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 6 juni 2003 navorderingsaanslagen in de IB/PVV opgelegd. Die navorderingsaanslagen zijn opgelegd met een verhoging of boete (hierna ook: boete). Tevens is bij beschikkingen heffingsrente in rekening gebracht. Het betreft de volgende navorderingsaanslagen en beschikkingen:

Belasting-

Soort

Jaar

Aanslag-

nummer

[aanslagnummer]

Kenmerk

Hof

IB/PVV

of VB

Boete

Heffings-

rente

IB/PVV

1996

H67

14/00404

f

18.944

8.595

1.754

IB/PVV

1997

H77

14/00405

f

18.907

8.637

1.633

IB/PVV

1998

H87

14/00406

f

20.100

9.320

1.460

IB/PVV

1999

H97

14/00407

f

20.601

9.687

1.227

IB/PVV

2000

H07

14/00408

f

23.212

11.104

1.004

1.4.

Aan belanghebbende is met dagtekening 17 juni 2003 een navorderingsaanslag in de IB/PVV opgelegd. De navorderingsaanslag is opgelegd met een verhoging (hierna ook: boete). Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Het betreft de volgende navorderingsaanslag en beschikking:

Belasting-

Soort

Jaar

Aanslag-

nummer

[aanslagnummer]

Kenmerk

Hof

IB/PVV

of VB

Boete

Heffings-

rente

IB/PVV

1995

H57

14/00403

f

18.907

8.550

1.807

1.5.

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 3 december 2004 aanslagen in de IB/PVV opgelegd. Tevens is bij beschikkingen een boete opgelegd en heffingsrente in rekening gebracht. Het betreft de volgende aanslagen en beschikkingen:

Belasting-

Soort

Jaar

Aanslag-

nummer

[aanslagnummer]

Kenmerk

Hof

IB/PVV

Boete

Heffings-

rente

IB/PVV

2001

H16

14/00409

f

25.184

9.061

833

IB/PVV

2002

H26

14/00410

12.381

4.077

248

1.6.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur met dagtekening 26 juli 2004, in één geschrift, uitspraak gedaan op de bezwaren tegen de in 1.1 tot en met 1.4 bedoelde belastingaanslagen en beschikkingen.

1.7.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft het beroep bij uitspraak van 10 december 2010 gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd en de zaak teruggewezen naar de Inspecteur.

1.8.

Belanghebbende heeft tegen de in 1.7 bedoelde uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep ongegrond verklaard.

1.9.

Met dagtekening 30 november 2012 heeft de Inspecteur in één geschrift inzake alle belastingaanslagen en beschikkingen uitspraken op bezwaar gedaan.

1.10.

Belanghebbende is van de in 1.9 bedoelde uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 42. De Rechtbank heeft het beroep, al dan niet gedeeltelijk, gegrond verklaard.

1.11.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het beroep met kenmerk 14/00398 heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 122. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.12.

Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd en de Inspecteur heeft schriftelijk gedupliceerd.

1.13.

De zitting heeft plaatsgehad op 11 maart 2015 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde, de heer [A] , advocaat te [plaats] , alsmede, namens de Inspecteur, de heren [B] , [C] en [D] .

1.14.

Belanghebbende heeft te dezer zitting een verzoek gedaan om wraking, als bedoeld in artikel 8:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), van mrs. Van der Vegt en Van Nispen tot Sevenaer, die belast zijn met de behandeling van het hoger beroep. In verband hiermede is het onderzoek ter zitting geschorst. Bij beslissing van de wrakingskamer van 11 maart 2015 is het verzoek om wraking afgewezen.

1.15.

Het onderzoek ter zitting is daarna op 11 maart 2015 op de nadere zitting hervat in de stand waarin het zich bevond voordat belanghebbende het wrakingsverzoek deed. Aan het slot van deze zitting heeft het Hof het onderzoek geschorst en bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat.

1.16.

Het Hof heeft partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en/of onder hen berustende stukken in te zenden, aan welk verzoek zij hebben voldaan.

1.17.

De nadere zitting heeft plaatsgehad op 18 juni 2015 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A] , als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, de heren [E] , [D] en [F] .

1.18.

Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.19.

Aan het slot van de laatste zitting heeft het Hof het onderzoek gesloten.

1.20.

Van de zittingen zijn processen-verbaal opgemaakt, die in afschrift aan partijen zijn verzonden.

2 Feiten

De Rechtbank heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt:

2.1.

Belanghebbende, geboren op [geboortedatum 1] , is gehuwd met [G] , geboren op [geboortedatum 2] .

2.2.

Bij brief van 27 oktober 2000 heeft de Belgische Bijzondere belastinginspectie (hierna: BBI) spontaan inlichtingen verstrekt die betrekking hebben op afdrukken van microfiches (hierna: de microfiches) van de KREDIETBANK LUXEMBOURG te Luxemburg (hierna: KBL).

2.3.

Op basis van de gegevens, verstrekt bij de brief van 27 oktober 2000 door de BBI, is een onderzoek ingesteld door de FIOD-ECD en de Belastingdienst, later bekend geworden als het Rekeningenproject.

2.4.

Op de microfiches stonden onder andere de volgende regels:

“JUSTIFICATIF DES SOLDES PAR RUBRIQUES IML AU 31/01/1994

(...)

[nummer 1] TER LDO [belanghebbende & G] 126.923,15

(…)

[nummer 2] VUE [belanghebbende & G] -13,14”.

2.5.

Door [H] is op 24 februari 2005 een proces-verbaal van ambtshandeling opgemaakt betreffende het onderzoek naar de identiteit van de rekeninghouder van de rekening bij de KBL. Uit de match van rekeninghouders komt slechts belanghebbende, gehuwd met [G] als enige rekeninghouder van de KBL-rekening [rekeningnummer] in aanmerking.

2.6.

De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 8 januari 2002 verzocht om informatie te verstrekken over in het buitenland aangehouden bankrekeningen. De gemachtigde van belanghebbende heeft bij brief van 10 januari 2002 geantwoord dat cliënt zich thans niet herinnert na 1 januari 1990 houder te zijn geweest van een bankrekening in het buitenland. Hierbij verzoekt gemachtigde om inzage van informatie.

2.7.

Nadat de inspecteur bij brief van 23 januari 2002 gerappelleerd heeft, heeft de gemachtigde bij brief van 25 januari 2002 een klacht ingediend vanwege de weigering om informatie te verstrekken.

2.8.

Bij brief van 5 april 2002 heeft de inspecteur belanghebbende onder verwijzing naar artikel 47, lid 1, letter a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) nogmaals verzocht de bij brief van 8 januari 2002 gevraagde informatie te verstrekken. Hierbij heeft de inspecteur gewezen op de omkering van de bewijslast bij het niet verstrekken van de gevraagde gegevens. In reactie hierop heeft de gemachtigde per brief van 8 mei 2002 een klacht ingediend omdat de inspecteur, in reactie op de brief van de gemachtigde van 23 januari 2002, nog geen WOB-besluit heeft genomen.

2.9.

Bij brief van 25 september 2002 heeft de inspecteur het voornemen geuit verschillende belastingaanslagen aan belanghebbende op te leggen. De gemachtigde heeft hierop bij brief van 1 oktober 2002 gereageerd.

2.10.

De inspecteur heeft vervolgens de navorderingsaanslagen IB/PVV 1990 en VB 1991 met boeten aangekondigd met kennisgevingen als bedoeld in de artikelen 67g en 67k van de AWR bij brieven van 28 november 2002 en 18 december 2012. De navorderingsaanslagen zijn op 31 december 2002, naar de in de brief van 28 november 2002 opgenomen na te vorderen bedragen, opgelegd.

2.11.

Nadat namens belanghebbende bij brief van 14 januari 2003 bezwaar is ingesteld tegen de navorderingsaanslagen, is het bezwaar bij brief van 20 februari 2003 gemotiveerd.

2.12.

De inspecteur heeft met dagtekeningen 31 mei 2003, 6 juni 2003 en 17 juni 2003 de (navorderings)aanslagen IB/PVV 1991 tot en met 2000 en VB 1992 tot en met 2000 met boeten opgelegd.

2.13.

Namens belanghebbende is bij brieven van 28 mei 2003, 5 juni 2003 en 16 juni 2003 tegen de onder 2.12 genoemde (navorderings) aanslagen en beschikkingen bezwaar gemaakt. In zijn bezwaarschriften heeft de gemachtigde aangegeven niet in te stemmen met het aanhouden van de bezwaren in afwachting van de onherroepelijke uitspraak van, onder andere, de procedure Nauta Dutilh.

2.14.

Bij brief van 16 januari 2004 heeft de inspecteur voor alle cliënten van de gemachtigde een aanspreekpunt aangewezen en een informatieset naar de gemachtigde verstuurd.

2.15.

In juni en juli 2004 hebben partijen over en weer schriftelijk en telefonisch contact gehad over de inhoudelijke motivering van de inspecteur en het eventueel te houden hoorgesprek tussen partijen. Op 26 juli 2004 heeft de inspecteur in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar gedaan over de IB/PVV 1990 tot en met 2000 en VB 1991 tot en met 2000.

2.16.

Bij brieven van 19 november 2004 heeft de inspecteur aangekondigd van de aangiften IB/PVV 2001 en IB/PVV 2002 af te wijken en een boete op te leggen. Deze aanslagen zijn met dagtekening 3 december 2004 opgelegd.

2.17.

Nadat het arrest van de Hoge Raad [Hof: zie 1.8] was gewezen, heeft de inspecteur belanghebbende op 20 juni 2012 gehoord en op 21 juni 2012 het verslag naar belanghebbende verzonden. De gemachtigde heeft op 18 juli 2012 op het verslag gereageerd. Bij brief van 30 november 2012, gevolgd door verminderingsbeschikkingen met dagtekening 15 december 2012, is inzake alle in 1.1 [Hof: in 1.1 tot en met 1.5] vermelde (navorderings)aanslagen uitspraak op bezwaar gedaan.

2.18.

In december 2013 hebben gesprekken plaatsgevonden tussen de inspecteur en de gemachtigde waarbij de gemachtigde heeft aangegeven dat belanghebbende openheid van zaken zou geven. Naar aanleiding van de hierna door belanghebbende overgelegde gegevens heeft de inspecteur nieuwe berekeningen van de (navorderings)aanslagen gemaakt en deze bij brief van 13 januari 2014 naar de gemachtigde verzonden. De nieuwe berekeningen resulteren in het volgende overzicht (in euro’s):.

Procedure

Jaar

[aanslagnummer]

(Nav)aanslag

Boete

Heffingsrente

12/7167

1990

H08

0

0

0

12/7168

1991

H18

0

0

0

12/7169

1992

H28

0

0

0

12/7170

1993

H38

1.296

933

364

12/7171

1994

H48

948

682

224

12/7172

1995

H57

1.041

750

218

12/7173

1996

H67

860

619

175

12/7175

1997

H77

674

485

127

12/7176

1998

H87

0

0

0

12/7177

1999

H97

0

0

0

12/7178

2000

H07

0

0

0

12/7179

2001

H16

0

0

0

12/7180

2002

H26

0

0

0

Procedure

Jaar

[aanslagnummer]

Navordering

Boete

Heffingsrente

12/7181

1991

K18

0

0

0

12/7182

1992

K28

0

0

0

12/7183

1993

K38

0

0

0

12/7184

1994

K48

450

324

126

12/7186

1995

K58

316

227

74

12/7187

1996

K68

247

177

52

12/7188

1997

K78

254

183

48

12/7189

1998

K88

0

0

0

12/7191

1999

K98

0

0

0

12/7192

2000

K07

0

0

0

In aanvulling op de door de Rechtbank vastgestelde feiten stelt het Hof op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast:

2.19.

In de bijlage bij de in 2.2 bedoelde brief is onder meer het volgende vermeld:

“1. VOORAFGAANDE OPMERKING

KB-Lux betwist de juridische geldigheid van de stukken in het gerechtelijk dossier als bewijsstuk. De Belgische fiscale administratie beschikt echter over de toelatingen tot consultatie van het betrokken gerechtelijk dossier. Deze toelating is rechtsgeldig verleend door de heer Procureur Generaal bij het Hof van beroep te Brussel en laat de inzage en afschriftname toe, evenals het gebruik van de stukken met inachtname van de

 Belgische fiscale wetgeving (…),

 beschikkingen van toepassing inzake overeenkomsten ondertekend door België en partnerlanden, ter voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van de uitwisseling van informatie.”

2.20.

Bij brief van 23 april 2003 heeft de Inspecteur belanghebbende in kennis gesteld van zijn voornemen navorderingsaanslagen IB/PVV 1991 tot en met IB/PVV 2000 en VB 1992 tot en met VB 2000 op te leggen met een verhoging of boete.

2.21.

Bij brief van 23 mei 2003 heeft de Inspecteur belanghebbende meegedeeld dat hij navorderingsaanslagen IB/PVV 1991 tot en met IB/PVV 2000 en VB 1992 tot en met VB 2000 met een verhoging of boete zal opleggen.

2.22.

Op 20 juni 2007 heeft de heer [K] als getuige ter zitting van het gerechtshof Amsterdam onder meer het volgende verklaard:

Vraagsteller: “3.4. In uw proces-verbaal schrijft u vanaf pagina 4 over uw contacten met buitenlandse collegae. Deze contacten dateren van april, mei 2001 alsmede januari 2002. Zijn deze gesprekken vastgelegd? (…)”.

[K] : “Ik heb daar notities van gemaakt, op basis daarvan heb ik een ambtshandeling gemaakt na afloop van het bezoek. Die notities heb ik niet meer.

Vraagsteller: “3.7. Is het juist dat de BBI (Bijzondere belastinginspectie) fiscaal strafrechtelijke onderzoeken verricht in België (m.a.w. de tegenhanger is van de FIOD in Nederland)?”.

[K] : “Voor zover ik weet wel.”.

Vraagsteller: “3.8. Verschillende Belgische ambtenaren, waaronder de heer [L] , hebben u geattendeerd op een politieman die nauw bij het onderzoek betrokken was, de heer [M] . Waarom heeft u hem nooit gesproken? Zijn er wel pogingen ondernomen hem te spreken?”.

[K] : “Ik had daar geen behoefte aan. Hij was niet meer werkzaam op het kantoor in Brussel waar ik toentertijd ben geweest. Op uw vraag waarom ik daar geen behoefte had, antwoord ik dat de personen met wie wel contact had, mij van voldoende informatie konden voorzien.”.

2.23.

Op 23 mei 2014 heeft de heer [L] als getuige ter zitting van de Rechtbank op vragen van de heer [A] onder meer het volgende verklaard:

[A] : “17. Herinnert u zich dat u, in het kader van KB-Lux op enig moment, met de heer [K] , ambtenaar van de Nederlandse Belastingdienst, hebt gesproken?”.

[L] : “Ja.”.

[A] : “18. Wanneer was dat? Als u geen herinnering aan een datum hebt, kunt u het gesprek met [K] plaatsen in het verloop van het KB-Lux onderzoek tot dan toe? Was er, toen u de heer [K] sprak, al gepubliceerd over de witwas van onrechtmatig verkregen bewijs?”.

[L] : “Dat was in 2001/2002.”.

[A] : “20. Hebt u hem telefonisch gesproken of hebt u hem ook ontmoet?”.

[L] : “Ik zal hem eerst wel telefonisch hebben gesproken en ik heb hem eenmalig ontmoet.”.

[A] : 21. “Wist u, vooraf, waarover hij met u wilde spreken?”.

[L] : “Hij was teamleider van Rekeningenproject en ik wist dat hij daarover wilde spreken.”.

[A] : “22. Hoe lang hebben die gesprekken ongeveer geduurd?”.

[L] : “Het was 1 gesprek en het duurde circa. 1 uur tot 1,5 uur.”.

[A] : 23. “Wat vroeg de heer [K] ?”.

[L] : “Hij had een aantal vragen over de stand van zaken over het strafrechtelijk onderzoek in België en over de discussie die er gaande was over de wijze waarop de documenten in handen waren gekomen van de Belgische justitie.”.

[A] : “24. Wat hebt u hem verteld?”.

[L] : “Ik kan mij niet precies herinneren wat wij hebben besproken.”.

[A] : “25. Hebt u de heer [K] geïnformeerd over het verloop van het KB-Lux-onderzoek tot dan toe? Wat hebt u hem daar over meegedeeld?”.

[L] : “Dat kan ik mij niet herinneren.”.

[A] : “26. Hebt u de heer [K] geïnformeerd over voornoemde ‘witwas’ van onrechtmatig verkregen bewijzen? Wat hebt u hem daar over meegedeeld?”

[L] : “nee de term witwassen is niet gevallen. Er is wel gesproken over de discussie die er was over de rechtmatigheid van het bewijs.”.

[A] : 27. “Hebt u, op enig moment, de heer [K] over de gang van zaken willen informeren en heeft de heer [K] gezegd: “Ik wil het niet weten”.?”.

[L] : “Dat kan ik mij niet herinneren.”.

[A] : “28. Zijn er andere punten die u over de besprekingen met de heer [K] wil zeggen?”.

[L] : “Nee.”.

[A] : “Is uw bekend dat er strafaangiften zijn gedaan tegen de onderzoeksrechter en een aantal van uw collega’s” en “was dat voor of na uw bespreking met de heer [K] ”.

[L] : “enkele jaren daarna”.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

  1. Is het gebruik van de door de Inspecteur verkregen inlichtingen rechtmatig?

  2. Heeft de Inspecteur de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden? Zo ja:

a. Leidt dat ertoe dat de belastingaanslagen, boete(s)(beschikkingen) en beschikkingen inzake heffingsrente moeten worden vernietigd?

b. Leidt dat ertoe dat belanghebbende recht heeft op een integrale vergoeding van proceskosten?

3. Heeft de Inspecteur voldoende voortvarend gehandeld bij het opleggen van de navorderingsaanslagen?

4. Zijn de boetes terecht en tot de juiste bedragen vastgesteld? Meer in het bijzonder is in geschil of de boetes dienen te worden vernietigd, omdat belanghebbende in 2013 onder dreiging van een dwangsom openheid van zaken heeft gegeven.

Belanghebbende is van mening dat de vragen 1, 3 en 4 ontkennend en de vragen 2, 2a en 2b bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar de van deze zittingen opgemaakte processen-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vernietiging van de belastingaanslagen en vernietiging van de beschikkingen. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Vooraf en ambtshalve

4.0.

De Rechtbank heeft de navorderingsaanslagen IB/PVV 1990 tot en met IB/PVV 1992, IB/PVV 1998 tot en met IB/PVV 2000, VB 1991 tot en met VB 1993, VB 1998 tot en met VB 2000 en de in verband daarmee opgelegde boetes en gegeven beschikkingen inzake heffingsrente vernietigd. Belanghebbende heeft derhalve geen belang bij het hoger beroep betreffende deze belastingaanslagen en beschikkingen. Mitsdien verklaart het Hof het hoger beroep van belanghebbende met kenmerken 14/00398 tot en met 14/00400, 14/00406 tot en met 14/00408, 14/00411 tot en met 14/00413 en 14/00418 tot en met 14/00420 niet-ontvankelijk.

Ten aanzien van het geschil

1. Is het gebruik van de door de Inspecteur verkregen inlichtingen rechtmatig?

4.1.1.

Belanghebbende stelt dat de uit België ontvangen afschriften van microfiches niet door de Inspecteur mogen worden gebruikt. Daartoe neemt belanghebbende de volgende standpunten in:

 de Belgische autoriteiten hebben niet vermeld dat de gegevens in België onder onrechtmatige omstandigheden zijn verkregen;

 de Belgische autoriteiten hebben zodanig onrechtmatig gehandeld dat de gegevens om die reden van bewijs moeten worden uitgesloten;

 de Inspecteur heeft geen kennis willen nemen van de onrechtmatige verkrijging van de gegevens in België en handelt daarmee in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur tegenover belanghebbende; en

 de Inspecteur heeft, tegen beter weten in, gesteld niet van de onrechtmatige verkrijging door de Belgische autoriteiten en de verstrekking van de gegevens in strijd met de goede trouw op de hoogte te zijn.

Belanghebbende heeft ter onderbouwing van zijn standpunten enkele artikelen uit publicaties overgelegd alsmede verklaringen van de heer [K] (zie onderdeel 2.22 hiervóór) en de heer [L] (zie onderdeel 2.23 hiervóór). De bewijsuitsluiting van de microfiches dient er volgens belanghebbende toe te leiden dat deze niet tot bewijs kunnen dienen.

4.1.2.

De Inspecteur heeft hiertegen in dupliek het volgende ingebracht:

 België heeft (wel) direct bij overdracht van de stukken in de aanbiedingsbrief al te kennen gegeven dat KBL de rechtmatigheid betwistte (zie onderdeel 2.19 hiervóór);

 de heer [K] heeft wel degelijk gerapporteerd over de inhoud van het gesprek met de heer [L] en het feit dat met [L] over de verkrijging en de juridische strijd in België is gesproken; en

 de Inspecteur heeft de voornoemde informatie wel degelijk aan het dossier toegevoegd.

4.1.3.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 1 juli 1992, nr. 26331, BNB 1992/306 (hierna: het arrest BNB 1992/306) een beoordelingskader gegeven voor het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen in een belastingzaak. In zijn arrest van 20 maart 2015, nr. 13/03959, ECLI:NL:HR:2015:643, V-N 2015/16.6 (hierna: het arrest V-N 2015/16.6) heeft de Hoge Raad te kennen gegeven dat hij niet is teruggekomen van het beoordelingskader uit het arrest BNB 1992/306. Dat beoordelingskader is in het arrest V-N 2015/16.6 als volgt weergegeven:

“2.3.1. In BNB 1992/306 is in de eerste plaats geoordeeld dat het gebruik van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen in een belastingzaak in ieder geval toelaatbaar is, indien de verkrijging van die bewijsmiddelen niet onrechtmatig was jegens de belanghebbende in die zaak.

2.3.2.

Voor het geval wel sprake is van jegens de belanghebbende op strafrechtelijk onrechtmatige wijze verkregen bewijsmiddelen, heeft de Hoge Raad in BNB 1992/306 als regel vooropgesteld dat die omstandigheid voor de inspecteur geen beletsel behoeft te zijn om van die bewijsmiddelen gebruik te maken. In een dergelijk geval zal met inachtneming van alle ter zake dienende omstandigheden nader moeten worden beoordeeld of de inspecteur handelt in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, en meer in het bijzonder met het zorgvuldigheidsbeginsel, door ter vaststelling of ter ondersteuning van een belastingaanslag van dit strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal gebruik te maken.

2.3.3.

Van strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur kan in het algemeen niet worden gesproken indien de inspecteur gebruik maakt van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen waarvan hij zonder wettelijke belemmering kennis had kunnen nemen, ook indien de onrechtmatige handelingen van de betrokken strafrechtelijke instantie(s) niet hadden plaatsgevonden. Het gebruik van zodanige bewijsmiddelen door de inspecteur is slechts dan niet toegestaan, indien zij zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht, aldus BNB 1992/306.”.

4.1.4.

Gelet op het in 4.1.3 weergegeven beoordelingskader acht het Hof beslissend of de Nederlandse overheid de afschriften van de microfiches heeft verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Bepalend zijn de feiten en omstandigheden ten tijde van de verkrijging van de afschriften van de microfiches. In dat verband moet rekening worden gehouden met nadien vergaarde kennis omtrent de feiten en omstandigheden ten tijde van de vorenbedoelde verkrijging. Uit de gedingstukken leidt het Hof af dat de Nederlandse overheid de afschriften van de microfiches heeft verkregen op 7 november 2000, zodat de feiten en omstandigheden betreffende deze datum bepalend zijn.

4.1.5.

Het gesprek tussen de heren [L] en [K] heeft plaatsgehad in mei 2001, derhalve na de verkrijging van de afschriften van de microfiches door de Nederlandse overheid. Belanghebbendes stellingen over (de inhoud van) dit gesprek hebben uitsluitend betrekking op de verkrijging van de afschriften van de microfiches door de Belgische overheid. Deze stellingen werpen echter geen ander licht op de feiten en omstandigheden rondom de verkrijging in november 2000 door de Nederlandse overheid. Belanghebbende heeft niet gesteld dat de Nederlandse overheid reeds in november 2000 wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de gegevens door de Belgische autoriteiten op onrechtmatige wijze waren verkregen. De omstandigheid dat achteraf bekend is geworden dat aan de verkrijging door de Belgische autoriteiten gebreken kleefden, maakt dat niet anders, omdat deze later bekend geworden informatie niets zegt over de vraag of de Nederlandse overheid ten tijde van de verkrijging van de gegevens uit België met die gebreken bekend was of had moeten zijn. Derhalve kunnen de door belanghebbende ingenomen stellingen niet tot het oordeel leiden dat het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen ontoelaatbaar is. Ook uit de vastgestelde feiten (zie 2.19) kan niet worden afgeleid dat de Nederlandse overheid wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de gegevens in België op onrechtmatige wijze waren verkregen.

4.1.6.

Voor zover belanghebbendes betoog aldus moet worden opgevat dat het handelen en/of nalaten van de heer [K] in verband met diens vorenbedoelde onderhoud met de heer [L] , afgezien van de hiervóór behandelde gegevensoverdracht door Belgische aan Nederlandse autoriteiten, een zodanige schending van rechtsbeginselen oplevert dat die gegevens deswege bewijsrechtelijk onbruikbaar zijn, overweegt het Hof als volgt.

4.1.7.

Belanghebbende stelt dat de Inspecteur heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel. Immers, zo stelt belanghebbende, de heer [K] heeft naar aanleiding van zijn gesprek met de heer [L] ten onrechte nagelaten omtrent de (vermeende) onrechtmatige verkrijging (i) informatie in te winnen, terwijl deze informatie hem wel ter beschikking stond of had kunnen staan en (ii) een verslag van zijn bevindingen te doen opmaken of op te maken. Belanghebbende heeft in dit verband wisselend stelling ingenomen ten aanzien van de beweerdelijke inhoud van het gesprek tussen de heren [K] en [L] . Zo heeft hij in zijn hoger beroepschrift (pagina 3) gesteld dat de heer [L] tegen de heer [K] heeft gezegd dat sprake is van onrechtmatige verkrijging en dat de heer [K] dat als “borrelpraat” heeft gekwalificeerd. Ter zitting heeft belanghebbende daarentegen gesteld dat de heer [L] tegen de heer [K] heeft gezegd dat sprake is van een rechtmatige verkrijging en dat de heer [L] heeft gezegd dat de discussie over de (vermeende) onrechtmatige verkrijging borrelpraat is. Verder heeft belanghebbende in zijn pleitnota gesteld dat ten tijde van het gesprek tussen de heren [L] en [K] een strafrechtelijk onderzoek liep tegen onderzoeksrechter [N] en andere Belgische ambtenaren. Ter zitting heeft belanghebbende deze stelling laten varen, nadat hij door de Inspecteur werd geconfronteerd met de verklaringen van [L] (zie onderdeel 2.23 hiervóór). Door deze wisselende stellingen van belanghebbende over de inhoud van het gesprek tussen de heren [L] en [K] en de daartegenover staande stellingname zijdens de Inspecteur, is het Hof van oordeel dat de inhoud van het gesprek in het ongewisse is gebleven. Reeds daarom is het Hof van oordeel dat belanghebbende niet de feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt voor het oordeel dat de Inspecteur heeft gehandeld op een zodanig tegen algemene beginselen van behoorlijke bestuur indruisende wijze dat de door belanghebbende gewenste sanctie van bewijsuitsluiting is aangewezen.

4.1.8.

Gelet op het vorenstaande beantwoordt het Hof vraag 1 bevestigend.

2. Is sprake van strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur?

4.2.

Gezien het onder 4.1.7 overwogene, dient vraag 2 ontkennend te worden beantwoord. Derhalve behoeven de vragen 2.a en 2.b geen beantwoording meer.

3. Heeft de Inspecteur voldoende voortvarend gehandeld bij het opleggen van de navorderingsaanslagen?

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat de te beoordelen periode aanvangt op 7 november 2000, de dag waarop de renseignementen werden ontvangen. Partijen gaan naar het oordeel van het Hof uit van een juiste rechtsopvatting (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2014, nr. 13/03554, ECLI:NL:HR:2014:689, BNB 2014/137; hierna: het arrest BNB 2014/137).

Onderzoeksfase (7 november 2000 tot 8 januari 2002)

4.3.1.

De onderzoeksfase van het project heeft geduurd van 7 november 2000 tot 8 januari 2002. Bij de beantwoording van de vraag of gedurende deze fase de belastingautoriteiten voldoende voortvarend hebben gehandeld, neemt het Hof het arrest BNB 2014/137 tot uitgangspunt. In dat arrest heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen:

“3.4.2. De Hoge Raad neemt bij de beoordeling van dit middelonderdeel tot uitgangspunt dat in een geval als het onderhavige, waarin gegevens over in het buitenland ondergebracht vermogen zijn verkregen die een groot aantal in Nederland wonende personen betreffen, de Belastingdienst over voldoende tijd moet kunnen beschikken om met voldoende mate van zekerheid vast te stellen om welke individuele belastingplichtigen het gaat en vervolgens ten aanzien van de betrokken belastingplichtigen te beoordelen of, en zo ja, voor welk bedrag belasting van hen kan worden nagevorderd. In gevallen als het onderhavige kan de Belastingdienst verder in redelijkheid tot het oordeel komen dat een landelijke coördinatie en een projectmatige aanpak geboden zijn. Indien daarvoor wordt gekozen moet tevens rekening worden gehouden met de tijd die met een zodanige aanpak en coördinatie gemoeid is, waaronder begrepen de tijd die benodigd is voor het ontwikkelen van beleid voor de behandeling van individuele gevallen, ook ten aanzien van het opleggen van boeten waartoe gelet op het bepaalde in (thans) Afdeling 5.4.1 Awb ook overleg met het openbaar ministerie geboden kan zijn. Met deze werkzaamheden, waarbij ook in het belang van de betrokken belastingplichtigen zorgvuldigheid moet worden betracht, kan geruime tijd gemoeid zijn.

3.4.3.

De belastingautoriteiten hebben beoordelingsvrijheid bij de organisatie en inrichting van al deze werkzaamheden. Die vrijheid is echter niet onbegrensd. Gelet op de eisen die voortvloeien uit het recht van de Europese Unie mogen de werkzaamheden niet worden georganiseerd en ingericht op een zodanige wijze dat een voortvarende behandeling onvoldoende gewaarborgd is.

3.4.4.

Opmerking verdient dat de vereiste voortvarendheid in ieder geval niet is betracht indien bij de werkzaamheden als vermeld in 3.4.2 een onverklaarbare vertraging is opgetreden van meer dan zes maanden (vgl. HR 27 september 2013, nr. 12/00738, ECLI:NL:HR:2013:717, BNB 2013/234).”.

Het arrest BNB 2014/137 heeft betrekking op het project Bank Zonder Naam. Echter, net als in dat project gaat het ook in het Rekeningenproject om gegevens over in het buitenland ondergebracht vermogen die een groot aantal in Nederland wonende personen betreffen, zodat het arrest ook in het onderhavige geval kan worden toegepast.

4.3.2.

Belanghebbende heeft gesteld dat de Inspecteur, gelet op hetgeen de Inspecteur over de opzet van het project heeft gesteld, onvoldoende voortvarend heeft gehandeld in de onderzoeksfase.

4.3.3.

De Inspecteur heeft in zijn verweerschrift in eerste aanleg vermeld dat in de onderzoeksperiode de volgende handelingen hebben plaatsgehad:

“De verkregen informatie betrof gegevens van duizenden rekeninghouders. De informatie was bovendien zeer summier. Gelet op de omvang van het aantal gegevens en de aard van de gegevens en zeker met het oog op een gelijke rechtstoepassing is in de loop van 2001 besloten tot een projectmatige aanpak.

De wijze van verkrijging van de informatie noopte bovendien tot een onderzoek of de informatie rechtmatig gebruikt kon worden. Ook dienden de op de verkregen microfiches voorkomende rekeninghouders te worden geïdentificeerd. Dit was een ingewikkeld proces. Als gevolg van de beperkte naamsomschrijving bleek het nodig daarvoor een bij de RDW aanwezig bestand te raadplegen. Daarvoor waren aanvullende maatregelen op het terrein van de automatisering nodig.

Vervolgens is in het laatste kwartaal van 2001 een pilot gestart waarna gekeken werd naar het effect van de gegevens. Het project is vervolgens in 2002 van start gegaan.”.

4.3.4.

Voorts blijkt uit het Draaiboek ten aanzien van de onderzoeksfase nog het volgende:

“1.2.5. Projectmatige aanpak

Door de Directies Particulieren (DPU), Ondernemingen Noord (DON), Ondernemingen Zuid (DOZ) en de FIOD-ECD is vooronderzoek gedaan op basis van een aantal van de beschikbaar gekomen gegevens. Daarbij bleek dat het vermogen en de opbrengsten van dit vermogen zo goed als zeker niet in de verschillende aangiftes zijn vermeld. Op basis hiervan is, na consultatie van de politieke leiding, besloten over te gaan tot een landelijke actie in ITO-verband (Intensief Toezicht en Opsporing) in het najaar van 2001 en de eerste maanden van 2002.

Voor de uitvoering van deze actie heeft de Directieraad op 29 augustus 2001 besloten een project te starten, waarin de FIOD, de DPU, DON, DOZ en het OM/EFF participeren.

De Directeuren van de DPU, DON, DOZ en FIOD-ECD zijn opdrachtgever voor dit Rekeningenproject. Namens deze opdrachtgevers is een Stuurgroep Rekeningenproject ingesteld (…).

Namens de directies is een Projectgroep Rekeningenproject ingesteld. Er zijn vier projectleiders aangesteld (…).

Voor de contacten met het OM/EFF is hieraan toegevoegd NN5. Zij zijn samen verantwoordelijk voor de uitvoering van het gehele rekeningenproject.”.

4.3.5.

Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur hiermee voldoende inzichtelijk heeft gemaakt welke werkzaamheden in de onderzoeksfase zijn verricht en dat in die periode voldoende voortvarend is gehandeld. De belastingautoriteiten hebben de grenzen van de hen toekomende vrijheid bij de organisatie en inrichting van de werkzaamheden niet overschreden. Het Hof is niet gebleken dat er een zodanige vertraging is opgetreden dat moet worden geoordeeld dat in deze periode niet de vereiste voortvarendheid in acht is genomen. Het Hof acht aannemelijk dat sprake is geweest van een continu proces, dat in ieder geval geen vertraging is opgetreden van meer dan zes maanden en dat ook overigens geen onaanvaardbare vertraging is opgetreden.

De aanslagregelende fase betreffende de in 1.1 bedoelde navorderingsaanslagen (periode van 8 januari 2002 tot en met 31 december 2002)

4.3.6.

De Inspecteur heeft wat betreft de invulling van de aanslagregelende fase verwezen naar de gevoerde correspondentie.

4.3.7.

Belanghebbende heeft hiertegen ingebracht dat deze correspondentie een zinloze herhaling van zetten betrof. Belanghebbende heeft immers steeds ontkend rekeninghouder te zijn. Bovendien had de Inspecteur reeds vóór januari 2002 de na te vorderen bedragen berekend en wijken de belastingaanslagen niet van deze bedragen af. Dit alles aldus belanghebbende.

4.3.8.

Gelet op de in 2.6 tot en met 2.10 vastgestelde feiten is het Hof van oordeel dat de Inspecteur in deze periode voldoende voortvarend heeft gehandeld. Belanghebbende stelt weliswaar, dat de correspondentie een zinloze herhaling van zetten betrof, maar het Hof verwerpt die stelling. In het kader van een zorgvuldige voorbereiding van de aanslag stond het de Inspecteur vrij met belanghebbende de gewraakte correspondentie te voeren. De omstandigheid dat de correspondentie, naar achteraf is komen vast te staan, geen (nader) resultaat heeft opgeleverd, maakt dat niet anders. Het tijdsverloop dat met zorgvuldig handelen gepaard gaat, is noodzakelijk in de zin van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 11 juni 2009, C-155/08 en C-157/08 (X en Passenheim-Van Schoot), BNB 2009/222. Anders dan belanghebbende betoogt, hoefde de Inspecteur, met inachtneming van normen van zorgvuldigheid, de in 1.1 bedoelde navorderingsaanslagen niet eerder op te leggen.

De aanslagregelende fase betreffende de in 2003 opgelegde belastingaanslagen (periode van 1 januari 2003 tot en met 17 juni 2003)

4.3.9.

Belanghebbende stelt dat de Inspecteur in deze periode onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Belanghebbende stelt dat de Inspecteur per ultimo 2002 niet mocht wachten met het opleggen van de in 1.2 tot en met 1.4 bedoelde belastingaanslagen. Het Hof is echter van oordeel dat de keuze van de Inspecteur om ultimo 2002 niet alle belastingaanslagen op te leggen, is gerechtvaardigd. Het Hof onderschrijft het desbetreffende oordeel van de Rechtbank:

“4.7. (…)

Tussen het moment waarop de eerste serie navorderingsaanslagen is opgelegd (dagtekening 31 december 2002) en het opleggen van de tweede serie navorderingsaanslagen (dagtekening 31 mei 2003, 6 en 17 juni 2003) zijn ongeveer vijf maanden verstreken. De inspecteur heeft dienaangaande gesteld dat, na het opleggen van de eerste serie navorderingsaanslagen eind 2002, uit zorgvuldigheidsoverwegingen is gewacht met het opleggen van de overige navorderingsaanslagen. De inspecteur had de hoop en de verwachting dat belanghebbende op een later tijdstip, in de bezwaarfase voor de eerste serie navorderingsaanslagen, wel met nadere gegevens zou komen over de in Luxemburg aangehouden bankrekening, waarna hij de aanslagen naar de juiste bedragen, dus niet schattenderwijs, zou kunnen vaststellen.

In dit verband heeft de inspecteur verder nog aangevoerd dat het hiernaast praktisch onmogelijk was om de resterende aanslagen tegelijkertijd met, of kort na, de eerste serie aanslagen op te leggen. Om de navorderingsaanslagen over de latere jaren gelijktijdig op te leggen hadden tienduizenden aanslagen extra handmatig opgelegd moeten worden. Dit was onuitvoerbaar. Indien de aanslagen in 2003 zouden worden opgelegd kon een deel daarvan, aldus de inspecteur, via de geautomatiseerde systemen worden opgelegd.

4.8.

Vanuit het oogpunt van de door de inspecteur in acht te nemen algemene beginselen van behoorlijk bestuur, is een dergelijke handelwijze - het zorgvuldig willen vaststellen van de navorderingsaanslagen - naar het oordeel van de rechtbank begrijpelijk. Gelet op de contacten tussen belanghebbende en de inspecteur én de tijd die gemoeid was met het opleggen van de navorderingsaanslagen acht de rechtbank de verstreken periode tot de dagtekening(en) van de navorderingsaanslagen niet onevenredig lang. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur voortvarend genoeg heeft gehandeld bij het opleggen van de navorderingsaanslagen IB/PVV 1993 tot en met IB/PVV 1997 en VB 1994 tot en met VB 1997.”.

4.3.10.

Het Hof overweegt voorts als volgt. Het Hof acht het handelen van de Inspecteur, zoals weergegeven in de uitspraak van de Rechtbank, passend binnen de hem toekomende vrijheid de werkzaamheden op basis van eigen prioritering in te richten. Naar ’s Hofs oordeel heeft de Inspecteur hiermee niet de grenzen van die vrijheid overschreden. Het Hof kan belanghebbende niet volgen in zijn stelling dat de in 2003 tussen hem en de Inspecteur gevoerde correspondentie een zinloze herhaling van zetten was en verwijst naar het in 4.3.8 overwogene.

4.3.11.

Gelet op het vorenoverwogene ziet het Hof in de omstandigheid dat niet alle belastingaanslagen reeds eind 2002 zijn opgelegd onvoldoende grond voor het oordeel dat de nadien opgelegde belastingaanslagen onvoldoende voortvarend zijn opgelegd.

4.3.12.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en op de in 2.12, 2.20 en 2.21 vastgestelde feiten is het Hof van oordeel dat het handelen van de Inspecteur in de aanslagregelende fase betreffende de in 2003 opgelegde belastingaanslagen bij het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, noodzakelijk was voor het met inachtneming van normen van zorgvuldigheid op voortvarende wijze opleggen van de belastingaanslagen.

4.3.13.

Het Hof is voorts van oordeel dat indien de hiervóór behandelde fasen gezamenlijk in ogenschouw worden genomen, voldoende voortvarend is gehandeld. Gelet op het hiervoor overwogene geldt dat alle navorderingsaanslagen voldoende voortvarend zijn opgelegd.

4.3.14.

Het Hof beantwoordt vraag 3 bevestigend.

4. Zijn de boetes terecht en tot de juiste bedragen vastgesteld?

4.4.1.

Belanghebbende stelt dat de Inspecteur hem heeft gesommeerd te verklaren of een buitenlandse bankrekening is aangehouden, dan wel nog wordt aangehouden onder dreiging van een (kort geding leidend tot opleggen van een) dwangsom. Volgens belanghebbende is hij naar aanleiding van de aanzegging van die dwangsom ingekeerd. Omdat dit in strijd is het met het verbod op zelf-incriminatie, is belanghebbende van mening dat de boetes dienen te worden vernietigd.

4.4.2.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat bankafschriften wilsonafhankelijk materiaal zijn en dat artikel 6 van het EVRM er niet aan in de weg staat dat in het kader van de boetes rekening wordt gehouden met de door belanghebbende verstrekte informatie.

4.4.3.

Het Hof overweegt als volgt. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 29 mei 2015, nr. 14/00584, ECLI:NL:HR:2015:1359, onder meer het volgende overwogen:

“2.3.1. Aangaande het nemo tenetur-beginsel heeft het Hof met verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 21 maart 2008, nr. 43050, ECLI:NL:HR:2008:BA8179, BNB 2008/159, en van 12 juli 2013, nr. 12/01880, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640, BNB 2014/101, geoordeeld dat de gegevens die belanghebbende ingevolge het vonnis van de voorzieningenrechter aan de Inspecteur heeft verstrekt – bankrekeningafschriften en portfolio-overzichten – zijn aan te merken als wilsonafhankelijk, en dat artikel 6 EVRM er niet aan in de weg staat dat in het kader van de verhogingen met die gegevens rekening wordt gehouden.

2.3.2.

Het eerste middel komt tegen dit oordeel op met een rechts- en een motiveringsklacht. De rechtsklacht luidt dat uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat het nemo tenetur-beginsel ook geldt voor bescheiden waarvan het overhandigen de erkenning van het bestaan ervan impliceert, zodat het Hof heeft miskend dat in deze zaak niet de vraag moet worden beantwoord of de door belanghebbende overgelegde bankstukken onafhankelijk van zijn wil bestaan, maar dient te worden beoordeeld of die stukken onafhankelijk van belanghebbendes wil in de procedure kunnen worden betrokken. De motiveringsklacht luidt dat het Hof niet heeft toegelicht waarom een tweetal door belanghebbende ingevulde verklaringen wilsonafhankelijk zouden zijn.

2.3.3.

In zijn uitspraak van 17 december 1996, no. 43/1994/490/572, NJ 1997/699, BNB 1997/254 (Saunders tegen het Verenigd Koninkrijk) heeft het EHRM overwogen dat het verbod op gedwongen zelfincriminatie samenhangt met het zwijgrecht, hetgeen meebrengt dat dit verbod zich niet uitstrekt tot het gebruik in strafzaken van bewijsmateriaal dat weliswaar onder dwang is verkregen, maar bestaat onafhankelijk van de wil van de verdachte. Uit latere rechtspraak blijkt niet dat het EHRM van deze regel is teruggekomen. Op die regel is voortgebouwd in de Nederlandse rechtspraak, vgl. HR 21 maart 2008, nr. 43050, ECLI:NL:HR:2008:BA8179, BNB 2008/159, HR 12 juli 2013, nr. 12/01880, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640, NJ 2013/435, en HR 8 augustus 2014, nr. 13/00933, ECLI:NL:HR:2014:2144, BNB 2014/206.

Met de regel van het arrest Saunders zou niet verenigbaar zijn dat – zoals belanghebbende stelt – het nemo tenetur-beginsel zich uitstrekt tot alle bescheiden waarvan het overhandigen erkenning van het bestaan ervan impliceert. In elke afgedwongen overhandiging van bescheiden ligt immers een zodanige erkenning besloten. Aanvaarding van het standpunt van belanghebbende zou derhalve meebrengen dat het onderscheid dat is gemaakt in het arrest Saunders zinledig is.

Bij bescheiden als de onderhavige, rekeningafschriften en door de bank opgestelde portfolio-overzichten die betrekking hebben op rekeningen waarvan de belanghebbende reeds als rekeninghouder was geïdentificeerd en van welke stukken de inspecteur derhalve het bestaan mag aannemen, staat buiten twijfel dat het gaat om materiaal dat onafhankelijk van de wil van de betrokkene bestaat (zie HR 21 maart 2008, nr. 43050, ECLI:NL:HR:2008:BA8179, BNB 2008/159).

De rechtsklacht faalt derhalve.

2.3.4.

De ter zitting in hoger beroep voorgedragen pleitaantekeningen van belanghebbende houden in:

“5.3 Van belang is vast te stellen dat belanghebbende is verzocht om een verklaring af te leggen. Bij de eerste brief is verzocht om een groot aantal vragen te beantwoorden. (…)

Wederom zou dat betekenen dat de van de wil afhankelijke erkenning en daarop gegeven toelichting moet worden uitgesloten.”

De Inspecteur heeft, blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal, ter zitting van het Hof verklaard:

“Paragraaf 5.3 van de pleitnota. Het renseignement was er en de bankrekening was bekend. Naast de verklaring wilde ik bescheiden zien. Ik heb inzage in de stukken gevraagd en die stukken bestaan niet los van de wil van belanghebbende. (…)

Paragraaf 5.7 van de pleitnota. Gemachtigde stelt dat de verstrekte gegevens niet mogen worden gebruikt. Maar als ik dat niet had gedaan, was ik uitgegaan van de gegevens in het renseignement en dan zou belanghebbende met hogere boeten zijn geconfronteerd.”

2.3.5.

Het hiervoor in onderdeel 2.3.1 samengevatte oordeel van het Hof gaat uit van de feitelijke vaststelling dat de door belanghebbende verstrekte gegevens bestaan uit bankafschriften en portfolio-overzichten. In het licht van de hiervoor in 2.3.4 weergegeven stellingen van partijen voor het Hof zal dit oordeel aldus moeten worden verstaan dat voor de beslissing aangaande de verhoging en het kwijtscheldingsbesluit alleen deze door de bank aan belanghebbende verstrekte bankafschriften en portfolio-overzichten van belang zijn geweest. Hierin ligt besloten het oordeel dat de (in een of meer documenten vervatte) verklaringen die belanghebbende heeft afgelegd geen zelfstandige betekenis hebben gehad voor die beslissing.

Zo verstaan heeft het Hof – anders dan de klacht veronderstelt – niet geoordeeld dat de door belanghebbende ingevulde verklaringen wilsonafhankelijk zijn. De klacht mist derhalve feitelijke grondslag.”.

4.4.4.

Gelet op het in 4.4.3 aangehaalde arrest beantwoordt het Hof vraag 4 bevestigend. Het Hof acht de opgelegde boetes overigens passend en geboden.

Slotsom

4.5.

De slotsom is dat het hoger beroep in de zaken met kenmerken 14/00398 tot en met 14/00400, 14/00406 tot en met 14/00408, 14/00411 tot en met 14/00413 en 14/00418 tot en met 14/00420 niet-ontvankelijk is, dat het hoger beroep in de overige zaken ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank in zoverre, met verbetering van gronden als hiervoor vermeld, dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.6.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.7.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep in de zaken met kenmerken 14/00398 tot en met 14/00400, 14/00406 tot en met 14/00408, 14/00411 tot en met 14/00413 en 14/00418 tot en met 14/00420 niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het hoger beroep in de zaken met kenmerken 14/00401 tot en met 14/00405, 14/00409, 14/00410 en 14/00414 tot en met 14/00417 ongegrond; en

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank in de laatstbedoelde zaken.

Aldus gedaan op 21 augustus 2015 door P.C. van der Vegt, voorzitter, V.M. van Daalen-Mannaerts en W.E.M. van Nispen tot Sevenaer, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.