Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:3248

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-08-2015
Datum publicatie
10-05-2016
Zaaknummer
HD 200.158.584_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

beëindiging huurovereenkomst in onderling overleg; vertegenwoordiging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.158.584/01

arrest van 18 augustus 2015

gewezen in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv

in de zaak van

Aspen International Europe B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat: mr. G.J.F.M. Linders te Valkenburg a/d Geul,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats], België,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat: mr. B.L.G. Moolhuijsen te Roermond,

op het bij exploot van dagvaarding van 2 oktober 2014 ingeleide hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen vonnis van 9 juli 2014 tussen appellante – Aspen – als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en geïntimeerde – [geïntimeerde] – als gedaagde in conventie, eiser in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 376695 \ CV EXPL 13-2496)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het daaraan voorafgegane vonnis van 9 oktober 2013.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    het arrest van dit hof van 16 december 2014 waarbij een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen op 19 januari 2015;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de incidentele memorie tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv tevens memorie van antwoord met producties van [geïntimeerde];

  • -

    de antwoordmemorie in het incident van Aspen.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

3. De beoordeling

In het incident

3.1.

Bij vonnis van 9 juli 2014 waarvan beroep is - voor zover hier van belang - Aspen in reconventie veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen (1) een bedrag van € 48.100,00 te vermeerderen met de wettelijke rente, (2) de resterende huurpenningen vanaf week 22 in 2013 tot en met het einde van de huurovereenkomst, te weten 28 februari 2014 en (3) de proceskosten. Het meer of anders gevorderde is afgewezen. In conventie zijn de vorderingen van Aspen afgewezen en is zij (eveneens) in de proceskosten veroordeeld. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.2.

[geïntimeerde] vordert Aspen bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, te bevelen om, door middel van het afgeven van een bankgarantie, of het storten van een bedrag in depot op de rekening derdengelden van HBS advocaten, zekerheid te stellen voor het verhaal van de proceskostenveroordeling in eerste aanleg en van een eventuele proceskostenveroordeling (griffierecht en kosten gemachtigde van [geïntimeerde]) in hoger beroep zulks tot het bedrag van in totaal € 2.672,00. [geïntimeerde] baseert deze vordering op artikel 223 Rv juncto artikel 353 Rv..

3.3.

[geïntimeerde] legt aan zijn incidentele vordering – kort samengevat – het volgende ten grondslag. Aan de veroordeling in reconventie en de veroordeling tot betaling van de

proceskosten in conventie en in reconventie heeft Aspen niet voldaan. Nadat de raadsman van [geïntimeerde] het bestreden vonnis aan een deurwaarder had toegezonden ter betekening en executie, werd van deze deurwaarder een brief d.d. 6 augustus 2014 ontvangen waaruit blijkt dat er geen activa of zaken van Aspen in Nederland zijn waarop [geïntimeerde] zijn vordering kan verhalen. Het aanvragen van het faillissement van Aspen is illusoir gebleken, nu er (na navraag bij diverse deurwaarders) geen steunvorderingen zijn te vinden. Het starten van een procedure in Thailand, om de bestuurder van Aspen, die aldaar woonachtig is, aan te spreken, moet als onrealistisch worden aangemerkt, aldus [geïntimeerde].

3.4.

Aspen stelt daartegenover dat het niet zo kan zijn dat artikel 224 Rv, waarin

zekerheidstelling voor proceskosten is geregeld, maar welk artikel in dit geval niet van toepassing is, kan worden omzeild door een beroep op het meer algemene artikel 223 Rv. Dit kan, zo stelt Aspen, nimmer de bedoeling van de wetgever zijn geweest. Aspen is dan ook van mening dat artikel 223 Rv geen grondslag biedt voor de incidentele vordering van [geïntimeerde]. Daarnaast wordt door Aspen ten stelligste betwist dat zij geen verhaal zou bieden. Subsidiair is Aspen derhalve van mening dat [geïntimeerde] de noodzaak tot het treffen van de gevorderde voorlopige voorziening onvoldoende heeft aangetoond.

3.5.

Het hof overweegt als volgt.

3.6.

Samengevat vordert [geïntimeerde] in dit incident zekerheidsstelling voor de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep. Aspen verweert zich terecht met de stelling dat de wettelijke regeling van artikel 224 Rv toepassing mist. Aangezien [geïntimeerde] haar vordering nadrukkelijk alleen baseert op artikel 223 Rv, dient deze in beginsel ook uitsluitend naar de daarvoor geldende maatstaf te worden beoordeeld.

3.7.

Op grond van artikel 223 lid 1 Rv kan [geïntimeerde] op zich een voorlopige voorziening vorderen voor de duur van het hoofdgeding. De gevorderde voorlopige voorziening heeft echter betrekking op de proceskosten van de procedure in hoger beroep. Op dit moment kan niet geoordeeld worden dat voldoende aannemelijk is dat het hof Aspen in de kosten van de procedure in hoger beroep zal veroordelen. Het hof mag daar op dit moment in beginsel niet met een prognose op vooruitlopen. Dat zou mogelijk anders zijn indien Aspen evident misbruik van procesrecht maakt door het rechtsmiddel van hoger beroep in te stellen, maar dat is gesteld noch gebleken. De provisionele vordering is al hierom niet toewijsbaar voor zover het de eventuele proceskosten in hoger beroep betreft.

3.8.

Voor zover de provisionele vordering ziet op de proceskosten in eerste aanleg en al kan worden geoordeeld dat de provisionele vordering in zoverre voldoende samenhangt met de hoofdvordering, is deze evenmin toewijsbaar. [geïntimeerde] heeft daarbij immers geen belang nu hij reeds over een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis beschikt waarin Aspen tot betaling van die kosten is veroordeeld. [geïntimeerde] heeft niet onderbouwd waarom hij belang zou hebben bij een tweede executoriale titel voor diezelfde kosten.

3.9.

De beslissing omtrent de kosten van het incident zal worden aangehouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak.

In de hoofdzaak

3.10.

De zaak wordt naar de rol verwezen voor partijberaad. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De beslissing

Het hof:

in het incident:

wijst de vordering af;

houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 1 september 2015 voor partijberaad;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, C.N.M. Antens en M.G.W.M. Stienissen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 augustus 2015.

griffier rolraadsheer