Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:3245

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-08-2015
Datum publicatie
19-08-2015
Zaaknummer
HD 200.132.745_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2013:2026
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bankrecht. Opzegging kredietrelatie op grond van artikel 35 ABV. Maatstaf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2015/333 met annotatie van prof. mr. T.H.D. Struycken en mr. B.W. Wijnstekers
JOR 2015/333 met annotatie van prof. mr. T.H.D. Struycken en mr. B.W. Wijnstekers
JONDR 2016/112
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.132.745/01

arrest van 18 augustus 2015

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. T. Spronk te Amsterdam,

tegen

F. van Lanschot Bankiers N.V.,

gevestigd te ’s-Hertogenbosch,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als Van Lanschot,

advocaat: mr. G.J.W. Verschuur te 's-Hertogenbosch,

op het bij exploot van dagvaarding van 8 augustus 2013 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 8 mei 2013, gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie, verweerder in reconventie en Van Lanschot als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/01/230107/HA ZA 11-826)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de door de rechtbank in het bestreden vonnis vastgestelde feiten. Voorts staan nog enkele andere feiten tussen partijen vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van de relevante feiten.

( i) [appellant] heeft sinds 2000 een tandartspraktijk in [woonplaats] .

(ii) Begin juli 2006 heeft [appellant] een kredietaanvraag bij Van Lanschot gedaan in verband met een door hem verlangde financiering en herfinanciering van elders lopende bankkredieten. Na overleg tussen partijen en verstrekking van financiële gegevens door [appellant] heeft Van Lanschot aan [appellant] een drietal offertes d.d. 13 juli 2006 toegezonden voor een financieringspakket van in totaal € 2.263.000,-, die door [appellant] zijn ondertekend.

(iii) Dit pakket bestond uit hypothecaire geldleningen van in totaal € 2.115.000,- voor de privéwoning en het praktijkpand van [appellant] en daarnaast een financiering van de tandartspraktijk van [appellant] , bestaande uit twee geldleningen van in totaal € 103.000,- en een krediet in rekening-courant van € 45.000,- (prod. 3, 4 en 5 conclusie van antwoord in conventie). In de kredietovereenkomst met betrekking tot de praktijkfinanciering (het rekening-courantkrediet) is als voorwaarde aan de beschikbaarstelling van deze kredietfaciliteit vermeld:

“dat u voor alle bancaire transacties en dergelijke uitsluitend van onze diensten gebruik zult maken

(iv) Op de betreffende overeenkomsten zijn onder meer de Algemene Voorwaarden opgesteld door de Nederlandse Vereniging van Banken (hierna: ABV) van toepassing.

Artikel 30 (thans artikel 35) van de ABV luidt als volgt:

Artikel 30. Opzegging van de relatie

De relatie tussen de cliënt en de bank kan zowel door de cliënt als door de bank worden opgezegd. Indien de bank de relatie opzegt, zal zij de cliënt desgevraagd de reden van die opzegging mededelen.

Na de opzegging van de relatie zullen de tussen de cliënt en de bank bestaande individuele overeenkomsten zo spoedig mogelijk worden afgewikkeld met inachtneming van de daarvoor geldende termijnen. (..)”

( v) Medio 2008 heeft [appellant] Van Lanschot verzocht om verruiming van het krediet in rekening-courant van € 45.000,- naar € 100.000,-. Van Lanschot is akkoord gegaan met deze kredietverhoging onder de voorwaarde dat de verruiming maandelijks met een bedrag van € 11.000,- zou worden verminderd tot de oorspronkelijke limiet van € 45.000,-- weer werd bereikt.

(vi) In 2009 heeft [appellant] een kredietovereenkomst gesloten met een derde partij voor een bedrag van € 175.000,- zonder Van Lanschot daarvan op de hoogte te stellen. Tevens heeft hij een tweetal rekeningfaciliteiten van in totaal € 150.000,- elders verkregen. Om deze redenen heeft Van Lanschot een nieuw verzoek van [appellant] tot verruiming van het krediet in rekening-courant bij brief van 4 augustus 2009 afgewezen (prod. 6 conclusie van antwoord in conventie).

(vii) Vanaf mei 2010 is er sprake van een overstand op het tot een bedrag van € 45.000,- gelimiteerde rekening-courantkrediet van [appellant] . In verband hiermee zijn in de periode van mei tot begin juli 2010 tussen [appellant] (en namens [appellant] mede door zijn belangenbehartiger mr. [belangenbehartiger] , hierna: mr. [belangenbehartiger] ) en de accountmanager van [appellant] bij Van Lanschot, [accountmanager 1] (hierna: [accountmanager 1] ) e-mailberichten gewisseld (prod. 2, bijlagen 1 t/m 10 inleidende dagvaarding en prod. 7a t/m 7r conclusie van antwoord in conventie).

(viii) Op 8 juli 2010 heeft tussen [accountmanager 1] enerzijds en [appellant] , mr. [belangenbehartiger] en financieel adviseur van [appellant] Jongma anderzijds een gesprek plaatsgevonden ter zake de overstand van het rekening-courantkrediet en de door [appellant] gewenste verhoging van de kredietlimiet van € 45.000,- tot € 150.000,-.Nadien, in de periode van 13 juli 2010 tot en met 4 augustus 2010, zijn tussen betrokkenen e-mailberichten gewisseld over het al dan niet toezeggen van de verhoging van de kredietlimiet, de omleiding van het betalingsverkeer door [appellant] en over het aanzuiveren van het debetsaldo van het rekening-courantkrediet (prod. 2, bijlagen 12 t/m 33 inleidende dagvaarding).

(ix) Bij brief van 10 augustus 2010 (prod. 2, bijlage 35 inleidende dagvaarding) heeft Van Lanschot aan [appellant] medegedeeld dat zij per heden alle europassen en creditcards van [appellant] heeft geblokkeerd en een algehele incassoblokkade op zijn rekeningen heeft opgevoerd, in verband met de overstanden op zijn rekeningen. In de brief is verder vermeld:

“Tevens hebben wij uw account overgeboekt naar de afdeling Bijzonder Beheer vanwege de aanhoudende overstanden, het niet nakomen van afspraken en het wegsluizen van omzet.”

( x) Bij brief van 13 augustus 2010 (met 35 bijlagen) heeft mr. [belangenbehartiger] namens [appellant] aan de Raad van Bestuur en de directie Van Lanschot onder meer het volgende medegedeeld (prod. 2 inleidende dagvaarding):

“(..) Na bestudering van het dossier heb ik behalve moeten constateren, aan den lijve ondervonden dat cliënt door de bank opzettelijk wordt benadeeld, althans de bank zich ongerechtvaardigd verrijkt, sprake is van misbruik van bevoegdheden en omstandigheden alsmede nalatigheid in haar zorgplicht (..).

Cliënt heeft een naar waarheidgrenzend vermoeden dat uw medewerker, de heer [accountmanager 1] , zijn mandaat heeft overschreden en zijn vermoedelijke misslagen op cliënt poogt af te wentelen om zijn eigen laantje schoon te vegen. Daarbij worden kredietaanvragen van cliënt onthouden op een wijze welke de professionaliteit van uw organisatie doet verbleken. (..)

Door cliënt economisch verantwoorde kredietaanvragen te ontzeggen maar wel risicovolle overstanden ongecontroleerd te fiatteren opdat cliënt het kind van de rekening is geworden om nadien cliënt schaamteloos (..) te verwijten wat door toedoen van de bank is veroorzaakt en tot slot, wanneer het de bank belieft cliënt herhaaldelijk de stuipen op het lijf jaagt door terugbetaling te sommeren van wat de bank dan noemt ‘ongeoorloofde overstanden’ om daags daarna weer overstanden te fiatteren is in strijd met al hetgeen cliënt van een bank mag verwachten. Het is derhalve naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de bank aan de wieg heeft gestaan van de huidige inefficiënte en kwetsbare schuldpositie van cliënt bij uw bank. (..)”

(xi) Bij brief van 25 augustus 2010 heeft Van Lanschot de bancaire relatie met [appellant] opgezegd per 31 december 2010 (prod. 3 inleidende dagvaarding). Deze brief houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“Hierbij bevestigen wij de ontvangst van uw schrijven van 13 dezer, voorzien van bijlagen, die wij beschouwen als een klacht, gedeponeerd door uw cliënt, omtrent de wijze waarop hij als relatie door F. van Lanschot Bankiers NV is behandeld. In uw inleiding gebruikt u hiervoor de uitdrukkingen: “opzettelijke benadeling, ongerechtvaardigde verrijking, misbruik van bevoegdheid en omstandigheden en nalatigheid in de zorgplicht”. (..)

Duidelijk is dat sinds 2008 de verhouding tussen uw cliënt en de accountmanagers, oorspronkelijk de heer [accountmanager 2] en vervolgens de heer [accountmanager 1] , niet optimaal was, hetgeen zich heeft gemanifesteerd in zeer uitgebreide correspondentie, voornamelijk per e-mail, waarin bij regelmaat verwijten van beide zijden werden geuit. Hierbij merken wij op dat –op uitdrukkelijk verzoek van uw cliënt- de heer [accountmanager 2] is vervangen door de heer [accountmanager 1] , aangezien een vertrouwensbasis tussen u beiden was komen te ontbreken. Wij constateren dat deze situatie zich thans herhaalt.

Bovendien constateren wij dat de verwachtingspatronen van beide zijden voortdurend en diepgaand uiteenlopen.

Van uw zijde wordt verondersteld dat een cliënt zonder meer rechten kan doen gelden op uitbreiding van oorspronkelijk overeengekomen kredietfaciliteiten (..), dat de bank hem moet verwittigen van overschrijdingen (..) en dat het niet toestaan van overstanden door de bank de facto onrechtmatig is als de bedrijfsvoering daardoor wordt gehinderd.

(..) Bij het toekennen van een kredietfaciliteit verplicht de bank zich niet automatisch tot het voorzien in een eventueel optredende aanvullende kredietbehoefte. Uitbreiding van kredietfaciliteiten kan slechts plaatsvinden indien de bank van mening is dat het kredietrisico overzienbaar is en de financiering past in de bedrijfsmatige ontwikkeling.

De stelling dat de bank de cliënt op de hoogte moet stellen van overstanden is ongerijmd. Bij de totstandkoming van het kredietarrangement worden afspraken gemaakt tussen de bank en de cliënt ten aanzien van de kredietlimiet. Overschrijding van deze limiet wordt niet veroorzaakt door de bank maar door de cliënt. In een normale relatie heeft de cliënt zicht op zijn inkomende en uitgaande geldstromen en indien de limiet dreigt te worden overschreden, pleegt hij tevoren de bank te waarschuwen en zo nodig een verzoek in te dienen om een overschrijding of een permanente kredietuitbreiding toe te staan. Tenslotte is het neerleggen van de schuld voor een liquiditeitsprobleem bij de bank indien de cliënt niet in staat is binnen het raamwerk van de bestaande afspraken te acteren, onzes inziens niet realistisch.

Met betrekking tot uw beschuldigingen ten aanzien van het niet nakomen van toezeggingen inzake het verstrekken van kredietuitbreidingen tot € 150.000,-- ontkennen wij met kracht dat dergelijke toezeggingen zijn gedaan. In uw mailbericht van 13 juli aan de heer [accountmanager 1] maakt u gewag van een “bevestiging” van de bank van een faciliteit van € 150.000,- maar die hebben wij in ons dossier niet aangetroffen en evenmin als bijlage bij uw correspondentie. Op 19 juli laat u uw collega mr Spronk per mail bevestigen dat er in het gesprek van 8 juli opnieuw een kredietfaciliteit zou zijn toegezegd van € 150.000,-, waarop van onze zijde terstond per mail een dergelijke toezegging is ontkend.

Het dossier overziende komen wij tot de conclusie dat de nu al jarenlang bij voortduring optredende fricties en de – naar onze opvatting – volstrekt ongerechtvaardigde verwachtingen van de zijde van uw cliënt geen basis meer vormen voor een zinvolle continuatie van de relatie. Het is derhalve onze uitdrukkelijke wens om de relatie in zijn geheel op zo kort mogelijke termijn te beëindigen. Deze brief dient dan ook gezien te worden als een motivering conform het gestelde in artikel 35 van de Algemene Voorwaarden. (..)

Met betrekking tot de brief die aan uw cliënt is toegezonden op 10 augustus verontschuldigen wij ons overigens voor de woordkeuze ten aanzien van het begrip “wegsluizen van omzet”, voor zover dit kan worden uitgelegd als een kwalificatie van frauduleus gedrag. Hoewel wij het “omleiden” van praktijkomzet beschouwen als een inbreuk op de afspraken die ten grondslag liggen aan het kredietarrangement en derhalve kunnen aanduiden als wanprestatie, is het niet onze bedoeling uw cliënt een verwijt te maken in de strafrechtelijke sfeer. (.)”

(xii) Nadien is er tussen partijen de nodige correspondentie gewisseld over de wijze van beëindiging van de lopende financieringen, de eventueel verschuldigde boeterentes verbonden aan de beëindiging van de hypothecaire leningen, en een eis van [appellant] tot het betalen van een schadevergoeding door Van Lanschot.

(xiii) Bij brief van 1 december 2010 (prod. 14 inleidende dagvaarding) heeft Van Lanschot mr. [belangenbehartiger] bericht dat zij bereid is de lopende financieringen vooralsnog voort te zetten voor 12 maanden, mits [appellant] de overstand op de rekening van zijn praktijk terugbrengt tot de geldende limiet van € 45.000,--. Op dit aanbod is [appellant] niet ingegaan.

(xiv) [appellant] heeft voor 31 december 2010 de (hypothecaire) leningen afgelost, waarop Van Lanschot de inschrijvingen op de betrokken panden heeft vrijgegeven. De praktijkfinanciering in rekening-courant is onafgelost gebleven. Door [appellant] is ter zake een bankgarantie aan Van Lanschot verstrekt.

3.2

Bij inleidende dagvaarding heeft [appellant] gevorderd een verklaring voor recht dat Van Lanschot door de opzegging van de relatie op 25 augustus 2010 jegens hem toerekenbaar tekort is geschoten, althans onrechtmatig heeft gehandeld. Verder heeft [appellant] gevorderd Van Lanschot te veroordelen tot betaling van de door [appellant] geleden schade van € 294.693,04 en tot vergoeding van de overige schade, nader op te maken bij staat.

3.3.

Van Lanschot heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij heeft in reconventie gevorderd [appellant] te veroordelen tot betaling van het debetsaldo van de rekening-courantrekening van € 111.263,18, vermeerderd met rente en kosten.

3.4

De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep geoordeeld dat Van Lanschot de relatie met [appellant] zonder onrechtmatig te handelen heeft kunnen opzeggen en in conventie de vorderingen van [appellant] afgewezen. Zij heeft in reconventie de vorderingen van Van Lanschot toegewezen.

3.5.

[appellant] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd, geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen in conventie, en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen in reconventie.

3.6.

Het gaat in deze zaak om de opzegging van een kredietrelatie op grond van een beding in de op de overeenkomsten toepasselijke algemene bankvoorwaarden (artikel 35 ABV), dat Van Lanschot de bevoegdheid geeft de relatie met de cliënt op te zeggen, en de maatstaf die bij de opzegging van een kredietrelatie als de onderhavige moet worden gehanteerd.

3.7.1

De rechtbank heeft als uitgangspunt vooropgesteld dat Van Lanschot een kredietrelatie als de onderhavige in beginsel kan opzeggen op grond van artikel 35 ABV. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat een bank dit niet naar willekeur mag doen en dat de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de concrete omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat opzegging slechts dan tot een rechtsgeldige beëindiging van de overeenkomst leidt, indien daartoe een voldoende zwaarwegende grond bestaat. Zij heeft voorts geoordeeld dat op de bank een zorgplicht rust, dat dat bij een kredietopzegging betekent dat deze in overeenstemming zal moeten zijn met eisen van proportionaliteit en subsidiariteit en dat de gehanteerde opzegtermijn daarbij een grote rol zal spelen.

3.7.2

[appellant] stelt in grief 1 dat de rechtbank een te beperkt toetsingskader heeft gehanteerd en dat dit moet worden aangevuld met de negen factoren die het hof Arnhem in zijn arrest van 18 februari 2003 (ECLI:NL:GHARN:2003:AF5233) heeft geformuleerd. Van Lanschot heeft betwist dat de rechtsgeldigheid van de opzegging van de kredietrelatie mede moet worden getoetst aan deze factoren.

3.7.3

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 10 oktober 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2929) geoordeeld dat indien een kredietverlener gebruik maakt van een overeengekomen bevoegdheid tot beëindiging van een kredietovereenkomst (op de voet van artikel 11.1 ABK), de rechtsgeldigheid daarvan beoordeeld moet worden aan de hand van de overeenkomst en de maatstaf van artikel 6:248 lid 2 BW. De Hoge Raad heeft voorts geoordeeld dat aan de in artikel 2 ABV neergelegde zorgplicht van de bank, inhoudende dat de bank naar beste vermogen met de belangen van de cliënt rekening zal houden, gewicht mag worden toegekend bij het oordeel aan de hand van de in artikel 6:248 lid 2 BW neergelegde maatstaf.

3.7.4

In het onderhavige geval heeft Van Lanschot de relatie met [appellant] bij brief van 25 augustus 2010 opgezegd op grond van artikel 35 ABV. Ook in het geval van opzegging van een kredietrelatie op grond van artikel 35 ABV zal evenals bij beëindiging van de kredietovereenkomst op grond van artikel 11.1 ABK de rechtsgeldigheid van de opzegging moeten worden beoordeeld aan de hand van de overeenkomst en de maatstaf van artikel 6:248 lid 2 BW. Dat laatste brengt mee dat de opzegging door Van Lanschot op grond van de in artikel 35 ABV overeengekomen bevoegdheid niet rechtsgeldig is indien gebruikmaking van die bevoegdheid, gelet op de omstandigheden van het geval, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Ook de rechtbank is kennelijk van deze maatstaf uitgegaan. Zij heeft immers geoordeeld dat Van Lanschot de kredietrelatie in beginsel kan opzeggen op grond van artikel 35 ABV, doch dat, zo begrijpt het hof het oordeel van de rechtbank, de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid, gelet op de omstandigheden van het geval, kan meebrengen dat de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar en daarmee niet rechtsgeldig is. De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat bij de opzegging de bank dient te handelen in overeenstemming met de op haar rustende zorgplicht, zoals ook is neergelegd in artikel 2 ABV. Dit betekent dat, gelijk de Hoge Raad in voormeld arrest heeft geoordeeld, aan deze zorgplicht gewicht mag worden toegekend bij het oordeel over artikel 6:248 lid 2 BW.

3.7.5

Anders dan [appellant] stelt, dient gelet op de maatstaf van artikel 6:248 lid 2 BW, de rechtsgeldigheid van de opzegging niet te worden getoetst aan de negen factoren die het hof Arnhem in voormeld arrest van 18 februari 2003 heeft opgesomd. Deze factoren kunnen wel een zekere richting geven bij de beantwoording van de vraag of de opzegging in de gegeven omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is maar zij vormen geen verplicht toetsingskader. De vraag of de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, komt naar het oordeel van het hof met name tot uitdrukking bij het vereiste van een gegronde reden voor de opzegging van de relatie, of de reden van opzegging desgevraagd is medegedeeld en de gehanteerde opzegtermijn. Daarnaast kunnen zich andere bijzondere omstandigheden voordoen die tot het oordeel kunnen leiden dat de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet rechtsgeldig is. Gelet op het vorenstaande faalt grief 1 dat de rechtbank een te beperkte en onjuiste maatstaf gehanteerd.

3.8.1

Grief 3 keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat Van Lanschot de relatie met [appellant] rechtsgeldig heeft opgezegd. Grief 2 richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat ook indien in de opzeggingsbrief bepaalde omstandigheden niet aan de opzegging ten grondslag zijn gelegd, die omstandigheden desalniettemin van belang zijn bij de beoordeling van de vraag of de opzegging rechtsgeldig is geweest

3.8.2

Van Lanschot heeft gesteld dat de directe aanleiding, of de spreekwoordelijke druppel, tot opzegging van de bancaire relatie met [appellant] was de brief van mr. [belangenbehartiger] van 13 augustus 2010 aan de Raad van Bestuur van Van Lanschot. Er was geen enkele vertrouwensbasis meer tussen [appellant] en Van Lanschot, hetgeen het voor Van Lanschot onmogelijk maakt om de relatie te continueren, aldus Van Lanschot.

3.8.3

Mr. [belangenbehartiger] heeft in deze brief van 13 augustus 2010 (zie rov. 3.1. sub (x)) zijn beklag gedaan over de wijze waarop de door [appellant] verzochte, en naar de mening van mr. [belangenbehartiger] verantwoorde en ook op 8 juli 2010 toegezegde, verhoging van de limiet van het rekening-courantkrediet van € 45.000,- tot € 150.000,- door [accountmanager 1] is behandeld. In deze brief zijn de tussen [appellant] en mr. [belangenbehartiger] enerzijds en [accountmanager 1] anderzijds gewisselde e-mailberichten in de periode van 15 juni 2010 en 4 augustus 2010 aangehaald en bijgesloten (35 bijlagen). Daarnaast maakt mr. [belangenbehartiger] in deze brief Van Lanschot het verwijt dat zij [appellant] opzettelijk heeft benadeeld, dat de bank zich ongerechtvaardigd heeft verrijkt, dat er sprake is van misbruik van bevoegdheden, dat de bank haar zorgplicht heeft geschonden en dat de bank schuldig is aan de huidige schuldpositie van [appellant] .

3.8.4

Van Lanschot heeft hierop in haar brief van 25 augustus 2010 (zie rov. 3.1. sub (xi)), onder verwijzing naar bovenvermelde brief van mr. [belangenbehartiger] en onder aanhaling van de door mr. [belangenbehartiger] gebezigde bewoordingen “opzettelijke benadeling, ongerechtvaardigde verrijking, misbruik van bevoegdheden en omstandigheden en nalatigheid in de zorgplicht” de bancaire relatie met [appellant] in zijn geheel opgezegd. Van Lanschot heeft in de brief als opzeggingsgrond vermeld: “Het dossier overziende komen wij tot de conclusie dat de nu al jarenlang bij voortduring optredende fricties en de – naar onze opvatting – volstrekt ongerechtvaardigde verwachtingen van de zijde van uw cliënt geen basis meer vormen voor een zinvolle continuatie van de relatie.” In deze brief wordt voorts ingegaan op de vertrouwensbreuk tussen [accountmanager 1] en [appellant] en de eerdere vertrouwensbreuk tussen de vorige accountmanager van [appellant] bij Van Lanschot, [accountmanager 2] , en [appellant] , op de beschuldigingen van mr. [belangenbehartiger] ter zake de niet-nakoming van de beweerde toezegging van de verhoging van het krediet, en het feit dat [appellant] wanprestatie heeft gepleegd door “het omleiden” van de betalingen van Famed.

3.8.5

Het standpunt van [appellant] dat Van Lanschot de gronden voor de opzegging van de bancaire relatie met [appellant] niet in de brief van 25 augustus 2010 heeft medegedeeld, doch eerst in haar conclusie van antwoord in conventie, deelt het hof niet. Gezien de verwijzing door Van Lanschot in haar brief van 25 augustus 2010 naar de brief van mr. [belangenbehartiger] van 13 augustus 2010 en de daarin aan Van Lanschot gemaakte verwijten, de constatering van Van Lanschot dat er wederom sprake is van een vertrouwensbreuk tussen een accountmanager van Van Lanschot en [appellant] , de weerspreking van de beweerdelijk door [accountmanager 1] toegezegde verhoging van de kredietlimiet en de in deze brief vermelde, door [appellant] na 2 juli 2010 omgeleide betalingen van Famed, is het hof van oordeel dat de aanleiding voor de opzegging van de kredietrelatie en de onder de noemer van “de nu al jarenlang bij voortduring optredende fricties en de () volstrekt ongerechtvaardigde verwachtingen van de zijde van uw cliënt” genoemde opzeggingsgrond voor [appellant] (en mr. [belangenbehartiger] ) duidelijk moet zijn geweest: een vertrouwensbreuk naar aanleiding van de beweerdelijk door [accountmanager 1] toegezegde verhoging van de kredietlimiet, de wanprestatie van [appellant] door het omleiden van het betalingsverkeer en de vervolgens in onaangename bewoordingen beschuldigen van de bank van, kort gezegd, onbetrouwbaar en onzorgvuldig handelen.

Grief 2 faalt reeds om die reden. Ten overvloede overweegt het hof dat het in het onderhavige geval niet gaat om een ontbindingsverklaring (zoals in het door [appellant] genoemde arrest van de Hoge Raad van 29 juni 2007, RvdW 2007, 634), doch om een contractueel toegestane opzegging van de relatie en de vraag of die opzegging al dan niet rechtsgeldig is.

3.8.6

[appellant] heeft terecht niet gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank dat het ontbreken van een vertrouwensbasis het continueren van een bancaire relatie in het algemeen bezwaarlijk maakt.

[appellant] stelt in hoger beroep dat hij nog wel vertrouwen had in Van Lanschot, maar alleen niet in [accountmanager 1] . Aan deze stelling wordt gelet op de hiervoor genoemde door mr. [belangenbehartiger] gedane uitlatingen omtrent het handelen van Van Lanschot in zijn brief van 13 augustus 2010 en in zijn daaraan voorafgaande e-mailberichten, en de uitlatingen van [appellant] zelf in zijn e-mailbericht aan [accountmanager 1] van 20 juli 2010 (prod. 2, bijlage 23 inleidende dagvaarding), waarin [appellant] de bank afschildert als een “uiterst onbetrouwbare partner”, voorbij gegaan.

3.8.7

Voor de beantwoording van de vraag of de opzegging van de bancaire relatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, is van belang of, zoals Van Lanschot stelt in haar opzeggtingsbrief,“de jarenlang bij voortduring optredende fricties” en “de volstrekt ongerechtvaardigde verwachtingen” zich daadwerkelijk hebben voorgedaan en daarnaast zijn veroorzaakt door handelingen of gedragingen van Van Lanschot of aan Van Lanschot kunnen worden toegerekend.

3.8.8

Het gaat hier dan allereerst om de overstanden (de overschrijding boven de kredietlimiet van € 45.000,- ) die Van Lanschot ( [accountmanager 1] ), volgens [appellant] , steeds en zonder meer zou hebben toegestaan en waardoor bepaalde verwachtingen zijn gecreëerd.

Vaststaat dat tot eind april 2010 de kredietlimiet van € 45.000,- niet werd overschreden en dat eerst in mei 2010 sprake was van een overschrijding van de limiet (de debetstand van de rekening-courantrekening was op 30 april 2010 € 36.728,74, op 31 mei 2010 € 77.469,53 en op 30 juni 2010 € 63.555,52). Nog daargelaten het feit dat, zoals Van Lanschot terecht stelt, het aan [appellant] is om zijn kredietlimiet te bewaken, blijkt uit de wederzijdse e-mailberichten van [accountmanager 1] en [appellant] in de periode van 20 mei 2010 tot en met 2 juli 2010 dat ook [accountmanager 1] de kredietlimiet nauwgezet in de gaten hield (prod. 2, bijlagen 1 en 2 inleidende dagvaarding en prod. 7b t/m 7o conclusie van antwoord in conventie).

Uit deze e-mailberichten blijkt dat [accountmanager 1] na overleg met [appellant] weliswaar een tijdelijke overstand toestond voor urgente betalingen, maar ook dat hij aandrong op het inlopen van de overstand en dat hij daarover met [appellant] afspraken maakte. Zo blijkt uit de e-mailberichten van [accountmanager 1] van 15 juni 2010 en van [appellant] van 16 juni 2010 dat [accountmanager 1] aan de hand van een door [appellant] verstrekte liquiditeitsplanning op 15 juni 2010 een voorlopige overstand toeliet, maar daaraan wel de voorwaarde verbond dat uiterlijk in week 27 (de week van 28 juni – 2 juli 2010, hof) het saldo weer binnen de limiet moest komen en dat dit volgens de liquiditeitsplanning ook zou gebeuren. Uit de e-mailberichten van 2 juli 2010 van [appellant] en [accountmanager 1] blijkt echter dat [appellant] in de liquiditeitsplanning geen rekening had gehouden met bepaalde kosten, dat op 2 juli 2010 de limiet verder was overschreden (de debetstand was volgens dit e-mailbericht van [accountmanager 1] op 2 juli 2010 € 88.760,96) en dat dat voor [accountmanager 1] aanleiding was om voorlopig geen betalingen meer goed te keuren. Gelet op het vorenstaande wordt aan de stelling van [appellant] , dat [accountmanager 1] steeds en zonder meer overstanden zou hebben toegestaan en dat hierdoor bij [appellant] bepaalde verwachtingen zijn ontstaan, verder voorbijgegaan.

3.8.9

Het gaat ten tweede over de beweerde toezegging van de door [appellant] verzochte hogere kredietlimiet en de omgeleide betalingen van Famed (de factoringmaatschappij aan wie [appellant] zijn vorderingen op debiteuren had gecedeerd).

Vaststaat dat naar aanleiding van het e-mailbericht van [accountmanager 1] van 2 juli 2010 dat voorlopig geen betalingen meer zouden worden gefiatteerd, op 8 juli 2010 tussen [accountmanager 1] en [appellant] , in aanwezigheid van mr. [belangenbehartiger] en Jongma, een gesprek heeft plaatsgevonden. In dit gesprek is onder meer gesproken over de door [appellant] verlangde hogere kredietlimiet van € 150.000,-.

3.8.10.

Naar aanleiding van dit gesprek zijn tussen mr. [belangenbehartiger] en [accountmanager 1] vele e-mailberichten gewisseld (zie prod. 2, bijlagen 13 t/m 29 inleidende dagvaarding).

Mr. [belangenbehartiger] stelde zich hierin op het standpunt dat reeds (in 2009) door [accountmanager 2] een kredietfaciliteit zou zijn toegezegd van € 150.000,- (e-mailberichten van 13 juli 2010) en dat (ook) in het gesprek van 8 juli 2010 door [accountmanager 1] zou zijn toegezegd dat de kredietlimiet zou worden verhoogd naar € 150.000,- (e-mailbericht van 19 juli 2010 van mr. Spronk namens mr. [belangenbehartiger] ). In het e-mailbericht van 19 juli 2010 schrijft mr. Spronk voorts dat nu [accountmanager 1] zijn toezegging niet is nagekomen de betaling van Famed naar een rekening bij een andere bank is overgemaakt en kondigt mr. Spronk aan: “Mocht de toegezegde verhoging van de kredietfaciliteit deze week uitblijven, dan zal al het betalingsverkeer niet meer via de rekening bij C&E [hof: een handelsnaam van Van Lanschot] lopen.” Bij e-mailbericht van 21 juli 2010 heeft mr. [belangenbehartiger] aangekondigd, zoals herhaald in zijn e-mailbericht van 29 juli 2010, dat indien de verruiming tot € 150.000,- niet uiterlijk 30 juli 2010 is geëffectueerd: “de rente en aflossingsverplichtingen voor 3 maanden (worden) opgeschort zolang de bank in gebreke blijft omdat alsdan sprake is van ongerechtvaardigde verrijking.”

[accountmanager 1] heeft in antwoord hierop bij e-mailberichten van 13 juli 2010 en 19 juli 2010 ontkend dat in 2009 en op 8 juli 2010 de verhoging van de kredietlimiet zou zijn toegezegd. [accountmanager 1] heeft mr. [belangenbehartiger] in een e-mailbericht van 19 juli 2010 voorts erop gewezen dat voorwaarde voor het verstrekken van een rekening-courantkrediet is dat de totale omzet bij de bank dient binnen te komen en dat nu [appellant] de gedeclareerde omzet bij Famed heeft omgeleid: “Wij (..) dan ook geen mogelijkheden (zien) onze positie verder uit te breiden” en “Wij geen verdere betalingen meer fiateren en (..) de heer [appellant] schriftelijk (zullen) verzoeken zijn ontstane debetpositie per omgaande aan te zuiveren.”

3.8.11

In de onderhavige procedure (par. 25 memorie van grieven) stelt [appellant] , anders dan in voormelde e-mailberichten van mr. [belangenbehartiger] , echter niet dat [accountmanager 1] zou hebben toegezegd dat de kredietlimiet zou worden verhoogd tot € 150.000,-, doch slechts dat tijdens het gesprek van 8 juli 2010: “ heeft toegezegd de procedure in gang te zetten voor verruiming van de kredietlimiet” en “hij ( [accountmanager 1] ) daarbij heeft gesteld dat deze verruiming gelet op de 10%-beleidslijn geen probleem zou zijn” en “ [accountmanager 1] (..) de bank niet (heeft) gebonden om [appellant] die limiet te verschaffen. [accountmanager 1] heeft de bank wel gebonden, daarbij zeggende dat daarbij geen problemen zouden zijn te verwachten, het nodige te ondernemen om die limiet ter realiseren (daarmee gerechtvaardigd vertrouwen wekkend) – en dat is niet nagekomen.”

3.8.12

Het hof merkt op dat juist de stellige mededelingen van mr. [belangenbehartiger] in voormelde in e-mailberichten (dat er wel degelijk een toezegging was gedaan door [accountmanager 1] tot verhoging van de kredietlimiet en dat zolang de toezegging niet gestand werd gedaan het betalingsverkeer zou worden omgeleid en de aflossingsverplichtingen zouden worden opgeschort), zo volgt uit de brief van Van Lanschot van 25 augustus 2010, mede hebben geleid tot de opzegging van de relatie. In zoverre is het dus aan de belangenbehartiger van [appellant] en daarmee aan [appellant] te wijten dat er ter zake de kredietverhoging een conflict is ontstaan.

3.8.13

Tussen partijen is niet in geschil dat [accountmanager 1] namens de bank op 8 juli 2010 heeft toegezegd de mogelijkheid van een blijvend hogere kredietlimiet te zullen onderzoeken. Veronderstellenderwijs aannemende dat [accountmanager 1] in dit gesprek aan [appellant] eveneens zou hebben meegedeeld dat de gewenste verhoging van de kredietlimiet, gezien de bij bank geldende beleidslijn geen probleem zou zijn, rijst de vraag of Van Lanschot door deze uitlatingen gerechtvaardigde verwachtingen heeft gewekt.

In het bestreden vonnis (rov. 4.7.) heeft de rechtbank vastgesteld dat de raadsman van [appellant] tijdens het pleidooi heeft verklaard dat “omdat op 2 juli 2010 door de bank werd medegedeeld dat zij geen betalingen meer zou fiatteren en er een grote kostenpost kwam van € 8.000, besloten is de situatie veilig te stellen (..) door de betalingen van Famed bij een andere bank te laten binnenkomen”. Dat dit omleiden van die betalingen aan [accountmanager 1] is verzwegen in het gesprek van 8 juli 2010 blijkt onder meer uit zijn e-mailbericht aan mr. [belangenbehartiger] van 14 juli 2010: “Wat overigens opvalt is dat de binnenkomende betaling van Famed, zoals door de heer [appellant] in ons gesprek is aangegeven, niet is binnengekomen. Wellicht kunt u hem even naar de reden hiervan vragen.”, het e-mailbericht van 19 juli 2010 van [accountmanager 1] en het antwoord daarop van mr. [belangenbehartiger] van 19 juli 2010.

Het hof deelt het standpunt van Van Lanschot dat het omleiden van het betalingsverkeer in strijd is met de bepaling in de kredietovereenkomst “dat u voor alle bancaire transacties en dergelijke uitsluitend van onze diensten gebruik zult maken” en daarom wanprestatie oplevert van [appellant] jegens Van Lanschot. Het omleiden van de betalingen van Famed heeft, zoals Van Lanschot stelt (blz. 16 memorie van antwoord), ook ertoe geleid dat Van Lanschot niet meer genegen was de mogelijkheden voor uitbreiding van het krediet te onderzoeken. In voormeld e-mailbericht van 19 juli 2010 schrijft [accountmanager 1] immers “De heer [appellant] heeft de omzet naar onze bevindingen dus omgeleid naar een andere bank. Wij zien dan ook geen mogelijkheden onze positie verder uit te breiden.” Voor zover door Van Lanschot al verwachtingen zijn gewekt dat de verhoging van de kredietlimiet geen probleem zou zijn, mocht [appellant] , gelijk Van Lanschot ook heeft gesteld, aan deze verwachtingen geen rechten meer ontlenen vanaf het moment dat hij het betalingsverkeer heeft omgeleid.

[appellant] stelt dat aangezien Van Lanschot op 2 juli 2010 de geldkraan had dichtgedraaid hij de betalingen van Famed wel moest omleiden omdat hij anders failliet zou zijn gegaan, althans de continuïteit van zijn bedrijf in gevaar zou zijn gekomen. Dit laat onverlet dat [appellant] in strijd met de bepalingen van de kredietovereenkomst heeft gehandeld. Bovendien heeft hij ondanks het feit dat [accountmanager 1] in het gesprek van 8 juli 2010 heeft toegezegd de uitbreiding van het krediet te onderzoeken en urgente betalingen te fiatteren (en op 9 juli 2010 ook heeft gefiatteerd), verzwegen dat hij het betalingsverkeer had omgeleid.

3.8.14

Het standpunt van [appellant] dat Van Lanschot met hem een spel heeft gespeeld en nooit invulling heeft willen geven aan de toezegging dat de mogelijkheid van kredietverruiming zou worden onderzocht, en dat Van Lanschot daarmee zelf het conflict heeft opgeroepen, deelt het hof niet. Uit het e-mailbericht van [accountmanager 1] van 14 juli 2010 blijkt dat [accountmanager 1] de aanvraag voor een tijdelijke uitbreiding van de kredietfaciliteit op dat moment al heeft afgerond en op korte termijn een antwoord op de aanvraag verwacht. Zoals hiervoor is weergegeven, heeft het feit dat [appellant] de omzet heeft omgeleid naar een andere bank ertoe geleid dat Van Lanschot, zoals blijkt uit voormeld e-mailbericht van [accountmanager 1] van 19 juli 2010, op dat moment niet meer bereid was de aanvraag voor de gewenste verhoging van de limiet of tijdelijke uitbreiding van de kredietfaciliteit in behandeling te nemen. Dit laat onverlet dat, zoals onder meer volgt uit de e-mailberichten van [accountmanager 1] aan mr. [belangenbehartiger] van 20 juli en 28 juli 2010, Van Lanschot in verband met de overschrijding van de limiet en ter afdekking van de bestaande overstand kennelijk wederom de mogelijkheden van een tijdelijk verhoogde limiet wilde onderzoeken, [accountmanager 1] daartoe heeft verzocht om nadere informatie en daarnaast als voorwaarde stelde dat de betalingen van Famed weer op de rekening bij Van Lanschot zouden binnenkomen, aan welke verzoeken [appellant] geen gehoor heeft gegeven.

3.8.15

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de opzegging Van Lanschot van de kredietrelatie met [appellant] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is. Het door [appellant] onterecht opgeroepen conflict over de gewenste uitbreiding van de kredietfaciliteit, de wanprestatie van [appellant] door het omleiden van het betalingsverkeer, het vervolgens in onaangename bewoordingen beschuldigen van Van Lanschot van onbetrouwbaarheid en de tussen partijen ontstane vertrouwensbreuk, leiden het hof tot de conclusie dat de bank de relatie rechtsgeldig heeft opgezegd.

3.8.16

Anders dan [appellant] stelt, was Van Lanschot bevoegd de gehele kredietfaciliteit op te zeggen. Het conflict en de vertrouwensbreuk is weliswaar ontstaan met betrekking tot het zakelijke krediet van [appellant] , doch mr. [belangenbehartiger] heeft namens [appellant] in zijn e-mailberichten van 21 juli en 29 juli 2010 waarin hij dreigt ook de rente- en aflossingsverplichtingen van de leningen op te schorten indien de uitbreiding van het krediet niet wordt geëffectueerd, ook de andere onderdelen van de kredietfaciliteit in het conflict betrokken. Bovendien kan, gelijk Van Lanschot stelt, er gelet op de vertrouwensbreuk met [appellant] bezwaarlijk een onderscheid worden gemaakt tussen de persoon [appellant] als privérelatie en de persoon [appellant] als zakelijke relatie.

3.8.17

Het hof heeft bij de beoordeling van de rechtsgeldigheid van de opzegging mede in aanmerking genomen dat de bank, gelet op de omstandigheden van het geval, een redelijke opzegtermijn heeft gehanteerd van 4 maanden en dat Van Lanschot blijkens haar brief van 1 december 2010 (zie rov. 3.1. sub (xiii)) onder voorwaarden bereid was de financiering nog 12 maanden voort te zetten. Het hof heeft voorts in aanmerking genomen dat Van Lanschot geen aanspraak heeft gemaakt op betaling van boeterente wegens het voortijdig aflossen van de hypothecaire leningen door [appellant] . Verder heeft het hof in aanmerking genomen dat Van Lanschot [appellant] , althans mr. [belangenbehartiger] , vanaf 19 juli 2010 met een zekere regelmaat heeft gemaand de voorwaarden van de kredietovereenkomst na te komen en het debetsaldo aan te zuiveren (zie e-mailberichten van [accountmanager 1] van 19 juli 2010, 20 juli 2010, 28 juli 2010, 2 augustus 2010 en 3 augustus 2010 en de brieven van Van Lanschot van 9 augustus 2010), aan welke verzoeken [appellant] niet heeft voldaan.

3.8.18

Het standpunt van [appellant] dat hij eerst in gebreke had moeten worden gesteld alvorens de relatie rechtsgeldig kon worden opgezegd, is onjuist. Bij de gebruikmaking van een contractuele bevoegdheid tot opzegging van een bancaire relatie (mede leidende tot beëindiging van de kredietfaciliteit), behoeft anders dan in het geval van een ontbinding van de overeenkomst, de schuldenaar niet eerst in verzuim te zijn (gebracht). Ook het feit dat, zoals [appellant] stelt en Van Lanschot betwist, Van Lanschot de klachtenprocedure niet heeft gevolgd en daarmee in strijd met de Wft zou hebben gehandeld, betekent niet dat Van Lanschot niet gerechtigd was tot opzegging van de relatie op grond van artikel 35 ABV. Grief 3 faalt dus.

3.9.

Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank in conventie de vorderingen van [appellant] terecht en op goede gronden heeft afgewezen. [appellant] heeft geen grief gericht tegen het oordeel en de overwegingen van de rechtbank dat de vordering van Lanschot in reconventie geheel toewijsbaar is. Het vonnis waarvan beroep zal derhalve worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van Van Lanschot worden begroot op € 4.961,- aan verschotten en op € 3.263,- aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.Th. Begheyn, S. Riemens en C.W.T. Vriezen, en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 augustus 2015.

griffier rolraadsheer