Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:3244

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-08-2015
Datum publicatie
19-08-2015
Zaaknummer
HD 200.131.439_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2013:10387
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wegenwet, wegenlegger. Vordering dat weg niet op wegenlegger voorkomt.

Wetsverwijzingen
Wegenwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.131.439/01

arrest van 18 augustus 2015

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. N.P.H. Vissers te Leusden,

tegen

de provincie Limburg,

zetelend te Maastricht,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als de Provincie,

advocaat: mrs. G.J.H. Houtzagers en R.S.I. Lawant te 's-Gravenhage,

op het bij exploot van dagvaarding van 21 mei 2013 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, d.d. 13 maart 2013, gewezen tussen [appellant] als eiser en de Provincie als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/04/115161/HA ZA 12-110)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het daaraan voorafgaande comparitievonnis van 8 augustus 2012.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven (met producties);

  • -

    de memorie van antwoord (met producties);

  • -

    de akte van [appellant] d.d. 18 februari 2014;

  • -

    de antwoordakte van de Provincie d.d. 18 maart 2014.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. [appellant] is eigenaar van 4 percelen grond in de gemeente [plaats 1] , kadastraal bekend als percelen [perceel 1] , [perceel 2] , [perceel 3] en [perceel 4] . Op deze percelen exploiteert [appellant] een camping.

  2. Tussen de percelen [perceel 1] en [perceel 2] enerzijds en de percelen [perceel 3] en [perceel 5] anderzijds ligt een smal kadastraal perceel genummerd [perceel 6] (zie uittreksel kadastrale kaart, productie 4 bij dagvaarding in eerste aanleg).
    Tussen genoemde percelen van [appellant] en over perceel [perceel 6] loopt een weg, genaamd " [straatnaam 1] ". Deze weg is deels gelegen op de percelen die eigendom zijn van [appellant] en deels op het perceel dat eigendom is van (thans) de gemeente [plaats 1] .

  3. Door de toenmalige gemeenteraad van de gemeente [plaats 2] (thans opgegaan in de gemeente [plaats 1] ) is op 19 december 2002 de wegenlegger 2002 van de gemeente [plaats 2] vastgesteld (deels overgelegd als productie 7 bij dagvaarding in eerste aanleg). Door de Provincie was bij besluit van 11 augustus 1998 de bevoegdheid tot het vaststellen van de desbetreffende wegenlegger aan de gemeenteraad overgedragen.

  4. Op blad 17 van deze wegenlegger is een beschrijving opgenomen van [straatnaam 1] . De weg draagt het nummer 114 en wordt op dit blad beschreven in de regels 2084 tot en met 2108. Op iedere regel wordt een gedeelte van de weg beschreven, met onder andere eindpunten en richting van (dat deel van) de weg, aard van de verharding, onderhoudsplichtige(n) en kadastrale eigendomsverhoudingen.
    Op de (inleidende) regel 2084 is opgenomen dat de totale lengte van [straatnaam 1] 1115 meter bedraagt en dat de weg loopt in zuidwestelijke richting van de weg met nummer 118A tot de weg met nummer 113.

  5. Op regel 2102 is opgenomen:
    – als eindpunten en richting van de weg: "v.000-375mInrit hsno25" (op regel 2103 wordt dit nader toegelicht als volgt: "= adres [straatnaam 2] . [huisnummer] ");
    – als aard van de verharding: "Stol + zw. asbegr.";
    – als onderhoudsplichtige: de gemeente [plaats 2] ;
    – als kadastrale eigendomsverhoudingen: "Gem. [perceel 6] / Part. [perceel 7] ".

3.2

In de onderhavige procedure vordert [appellant] primair te verklaren voor recht dat
– [straatnaam 1] niet openbaar is;
– althans voor zover gelegen tussen de percelen van [appellant] niet openbaar is;
– althans niet openbaar is voor zover gelegen tussen die percelen en tevens eigendom van [appellant] ;
subsidiair te oordelen dat de wegenlegger door de Provincie wordt gewijzigd aldus dat hij niet meer aangeeft dat die weg geheel dan wel gedeeltelijk openbaar is alles zoals in de primaire vordering omschreven;
primair en subsidiair de Provincie te veroordelen in de buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met wettelijke rente en in de kosten van het geding.

Aan deze vordering heeft [appellant] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

In de wegenlegger wordt als punt op [straatnaam 1] genoemd "inrit hsno25=adres [straatnaam 2] [huisnummer] ", waarmee kennelijk wordt bedoeld [straatnaam 2] [huisnummer] . Daaruit vloeit voort dat de weg niet tussen de percelen van [appellant] is gelegen. Ook is er geen sprake van verharding van de weg die tussen de percelen van [appellant] door loopt. Derhalve moet worden geconcludeerd dat de weg die tussen de percelen van [appellant] door loopt niet op de wegenlegger voorkomt en niet openbaar is.
Subsidiair stelt [appellant] dat, voor zover de weg ooit als openbaar is aangemerkt, de weg niet meer wordt gebruikt dan wel enige tijd afgesloten is geweest zodat de weg niet langer kan worden aangemerkt als openbaar.

De Provincie heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.3

De rechtbank heeft de vordering van [appellant] afgewezen met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
Zij heeft daartoe overwogen dat in de eerste plaats moet worden beoordeeld of de weg al dan niet op de wegenlegger is opgenomen. Volgens de rechtbank is dat het geval gelet op de omschrijving in de wegenlegger en het in de wegenlegger vermelde aantal strekkende meters per weggedeelte, waaruit blijkt dat dat gedeelte van de weg loopt vanaf iets voor de kruising met de [straatnaam 3] tussen de percelen van [appellant] door en verder in zuidwestelijke richting. Dat kennelijk abusievelijk een verwijzing naar het adres [straatnaam 2] [huisnummer] is opgenomen leidt niet tot een ander oordeel; de omschrijving van het wegverloop laat overigens aan duidelijkheid niets te wensen over.
De rechtbank heeft ook het subsidiaire standpunt van [appellant] verworpen. De weg is niet door het bevoegd gezag aan het openbaar verkeer onttrokken en de weg is ook niet gedurende 30 achtereenvolgende jaren niet voor ieder toegankelijk geweest. Ook als van de weg slechts sporadisch gebruik wordt gemaakt leidt dat er niet toe dat de weg niet meer openbaar is.

3.4

[appellant] heeft in hoger beroep 5 grieven aangevoerd. Hij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen.
Alvorens in te gaan op de grieven overweegt het hof als volgt.
In zijn primaire vordering gaat [appellant] ervan uit dat de weg die tussen zijn percelen door voert niet op de wegenlegger voorkomt en vordert hij vaststelling dat dat het geval is.
De Wegenwet verklaart zowel de bestuursrechter als de civiele rechter bevoegd te beslissen inzake een geschil inzake de wegenlegger (HR 23 april 2004, NJ 2004/600, rechtsoverweging 3.7). De Wegenwet regelt geen procedure inzake de door [appellant] gevorderde verklaring voor recht dat de door hem bedoelde weg niet in de wegenlegger is opgenomen. De burgerlijke rechter is (al dan niet als restrechter) bevoegd over deze vordering te oordelen.
In zijn subsidiaire vordering gaat [appellant] er kennelijk van uit dat [straatnaam 1] voor zover gelegen tussen zijn percelen wel op de wegenlegger staat, maar vordert hij wijziging van de wegenlegger aldus dat dat gedeelte van de weg niet openbaar is. Die vordering moet beoordeeld worden op grond van de in de Wegenwet neergelegde procedures.
De grieven 1 tot en met 4 hebben betrekking op de primaire vordering, grief 5 heeft betrekking op de subsidiaire vordering.
Het hof gaat er hierna van uit dat waar in de stukken wordt gesproken over " [straatnaam 2] " of " [straatnaam 2] " wordt gedoeld op de – ongeveer parallel aan [straatnaam 1] lopende – [straatnaam 2] .

De primaire vordering van [appellant]

3.5

Grief 1 houdt in dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat met betrekking tot [straatnaam 1] , althans dat deel dat eigendom is van [appellant] , in de wegenlegger niets is opgenomen waaruit zou kunnen blijken dat die weg openbaar is.
De grief voert aan dat het in regel 2102 genoemde punt "inrit hsno25= adres [straatnaam 2] [huisnummer] " zeker niet is gelegen ter plaatse van een van de percelen van [appellant] . De omschrijving van dit punt duidt er volgens [appellant] op dat de weg na de bajonetkruising weer terugloopt en dan in noordelijke richting gaat, en dan loopt de weg niet langs de percelen van [appellant] .
Subsidiair kan de wegenlegger zo gelezen worden dat de regel 2102-2103 op een verkeerde plaats staat, en ook dan gaat de weg niet tussen de percelen van [appellant] door.

3.6

De grief faalt. Het hof verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en voegt daar nog het volgende aan toe.

3.6.1

In de dagvaarding in eerste aanleg voert [appellant] in § 3 zelf aan dat de weg die tussen zijn percelen door voert als naam heeft [straatnaam 1] . Dat dit een andere weg zou zijn dan [straatnaam 1] die wordt beschreven in de wegenlegger is hoogst onaannemelijk.

3.6.2

In de wegenlegger wordt [straatnaam 1] aangeduid als weg 114. Volgens de tekening die [appellant] als eerste blad van productie 7 heeft overgelegd (naar het hof begrijpt een deel van de kaart die hoort bij de wegenlegger van de gemeente [plaats 2] 2002) loopt weg 114 vanaf het noordelijke beginpunt bij weg 118A naar het zuiden, ongeveer parallel aan de [rivier] , tot het eindpunt bij weg 113. Dit strookt met de beschrijving van weg 114 op blad 17 van de wegenlegger: de weg begint bij de weg met nummer 118A en loopt in zuidwestelijke richting naar de weg met nummer 113 (zie regel 2084 en 2085). Het beginpunt bij weg 118A ligt ten noorden van de percelen van [appellant] ; het eindpunt bij weg 113 ligt ten zuiden van de percelen van [appellant] . Volgens deze beschrijving passeert weg 114 dus de percelen van [appellant] , en blijft die niet ten noorden van deze percelen.

3.6.3

Dat – zoals [appellant] in de grief aanvoert – de weg na de bajonetkruising weer terug zou lopen, en dan in noordelijke richting zou gaan naar het adres [straatnaam 2] [huisnummer] , is volstrekt onaannemelijk. Niet alleen strookt dit niet met het feit dat de weg volgens de wegenlegger steeds in zuidelijke richting voert, maar bovendien is er geen alternatieve weg (anders dan weg 114) die van de bajonetkruising naar het punt bij de inrit van [straatnaam 2] [huisnummer] voert. Dat hetzelfde stuk van de weg twee keer wordt beschreven in de wegenlegger strookt niet met het stelsel van de wegenlegger.

3.6.4

[appellant] acht het oordeel van de rechtbank dat het aantal strekkende meters overeen komt met het verloop van de weg onvoldoende gemotiveerd nu de rechtbank zelf niet ter plaatse is geweest, maar ook zonder ter plaatse te zijn geweest kan daarover een oordeel worden gegeven. [appellant] laat ook na te stellen dat (en waar) het aantal strekkende meters niet overeenkomt.

3.6.5

Ook de alternatieve lezing van [appellant] , waarbij – naar het hof begrijpt – zowel het beginpunt als het eindpunt van de weg elders ligt dan op de kaart en op de wegenlegger aangegeven, dit omdat er een fout is gemaakt, is onaannemelijk. Volgens [appellant] zou de regel dan op regel 2092 – 2093 in de wegenlegger hebben moeten staan. Uit de door [appellant] als productie 2 bij de memorie van grieven overgelegde tekening van dit alternatief blijkt echter dat ook in dit alternatief de weg met een scherpe bocht naar het noorden gaat, hetgeen in strijd is met de tekst van de wegenlegger en ook niet strookt met eerdergenoemde tekening waarop weg 114 naar het zuiden loopt.

3.6.6

[appellant] stelt voorts dat ter plaatse van zijn percelen de weg geen drie meter breed is, dat geen sprake is van verharding, en dat de gemeente de weg niet heeft onderhouden. De Provincie heeft dit alles bestreden. [appellant] heeft bewijs aangeboden maar zich in de eerste plaats beroepen op de als productie 3 bij de dagvaarding overgelegde foto's.
Naar het oordeel van het hof kan uit deze foto's echter geenszins afgeleid worden dat de weg zo smal is als door [appellant] gesteld. Uit de foto's blijkt immers dat het een (land)weg is met een dubbel spoor, zodat wagens of auto's over die weg kunnen rijden; gelet op de gebruikelijke breedte van auto's en wagens moet die weg dan ten minste twee en een halve meter breed zijn. Ook verwerpt het hof, gelet op de overgelegde foto's, de stelling dat geen sprake was van verharding. Uit die foto's blijkt wel degelijk van een vorm van verharding (in de zin zoals omschreven in de wegenlegger, te weten een verharding met stol en – naar het hof begrijpt – zwarte as met begroeiing).

3.6.7

Gelet op al het voorgaande gaat het hof voorbij aan het bewijsaanbod van [appellant] .
Het enkele feit dat de gemeente de weg niet zou onderhouden – hetgeen overigens door de Provincie wordt bestreden – maakt dit alles niet anders, omdat in de wegenlegger alleen wordt aangegeven wie onderhoudsplichtig is, en de vraag of de weg door de onderhoudsplichtige daadwerkelijk wordt onderhouden staat daar los van.

3.7

Gelet op hetgeen inzake grief 1 is overwogen faalt ook grief 2. Voor zover [appellant] opnieuw de kwestie van [straatnaam 2] [huisnummer] aan de orde stelt verwijst het hof naar hetgeen het heeft overwogen in de voorgaande rechtsoverweging.
Wat betreft het feit dat de weg deels over de percelen (het eigendom) van [appellant] loopt overweegt het hof als volgt.
Uit de als productie 4 overgelegde kadastrale tekening kan worden opgemaakt dat [straatnaam 1] gedeeltelijk gelegen is op de kadastrale percelen [perceel 8] en [perceel 6] , welk laatste perceel een smalle strook van variërende breedte is die begint bij perceel [perceel 8] en tussen de percelen van [appellant] door doorloopt tot perceel [perceel 9] . De percelen [perceel 8] en [perceel 6] zijn (zoals ook [appellant] aanneemt) kennelijk eigendom van de gemeente. Uit de wegenlegger blijkt ook dat dit gedeelte van [straatnaam 1] over deze percelen loopt, en dat perceel [perceel 8] eigendom is van de (toenmalige) gemeente [plaats 2] en perceel [perceel 6] van de (toenmalige) gemeente [woonplaats] . Voor zover bedoelde percelen smaller zijn dan [straatnaam 1] zelf ligt deze weg dan op percelen van [appellant] . Voor zover een op een wegenlegger opgenomen weg over particulier eigendom loopt doet dat niet af aan het feit dat sprake is van een weg in de zin van die wet.
Gelet op artikel 49 van de Wegenwet is een in de wegenlegger opgenomen weg (in beginsel) openbaar. Gelet op artikel 14 van de Wegenwet heeft de rechthebbende op een (gedeelte van een) weg te dulden dat het verkeer van die weg gebruik maakt. Het feit dat er van particuliere eigendom sprake is doet daaraan niet af. Ook kan een op de wegenlegger opgenomen weg niet – zoals [appellant] aanvoert – worden opgesplitst in een deel dat wel en een deel dat niet kan worden gebruikt, afhankelijk van de eigendom van de ondergrond van die weg. Een dergelijke splitsing is onverenigbaar met de Wegenwet, die een dergelijke splitsing niet kent.
Dit betekent dat ook grief 4 faalt, waarin [appellant] zich keert tegen overweging 4.6 van het bestreden vonnis. De rechtbank heeft daarin overwogen dat het standpunt van [appellant] dat alleen de strook van ongeveer 85 cm breed die eigendom is van de gemeente een openbare weg vormt niet houdbaar is.

3.8

[appellant] heeft voorts aangevoerd dat in de laatste kolom van regel 2102 van de wegenlegger de eigendom van [appellant] niet wordt vermeld, hetgeen zijn inziens een aanwijzing vormt dat aldaar een andere weg is bedoeld (punt 6 memorie van grieven), en dat in het kadaster geen beperkingen op de percelen van [appellant] zijn vermeld, terwijl dit zijns inziens wel het geval zou moeten zijn indien de weg openbaar zou zijn (punt 9 memorie van grieven).
De Provincie heeft onbestreden aangevoerd dat onduidelijk is hoe de eigendomssituatie daar ter plaatse precies is, en overigens staat een mogelijk onjuiste aanduiding niet in de weg aan hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen.

3.9

Grief 3 is een herhaling van de eerdere grieven en faalt dus eveneens.

3.10

[appellant] heeft zich er voorts nog op beroepen dat hem de vaststelling van de wegenlegger niet is meegedeeld. Bij zijn primaire vordering gaat [appellant] er echter van uit dat de weg die tussen zijn percelen door voert niet is opgenomen in de wegenlegger. Wat deze primaire vordering betreft gaat dit beroep dan ook niet op. In dat betoog is immers de wijze waarop de wegenlegger is vastgesteld niet relevant.

3.11

De slotsom is dat de rechtbank de primaire vordering terecht heeft afgewezen.
De subsidiaire vordering van [appellant]

3.12

In diens subsidiaire vordering gaat [appellant] er kennelijk van uit dat [straatnaam 1] ook voor zover deze tussen zijn percelen door voert wèl is opgenomen op de wegenlegger.
Ook wat betreft deze vordering kan het feit dat aan [appellant] de (procedure tot) vaststelling van de wegenlegger niet zou zijn meegedeeld hem niet baten, omdat het bij deze vordering gaat om wijziging van eerder vastgestelde wegenlegger en niet om de vaststelling van die wegenlegger zelf.

3.13

Grief 5 keert zich tegen de afwijzing van de subsidiaire vordering van [appellant] . Ook in dit geval heeft de rechtbank terecht overwogen dat hetgeen [appellant] heeft gesteld onvoldoende is voor toewijzing van diens vordering. Uit de stellingen van [appellant] zelf vloeit immers voort dat er wel degelijk gebruik werd gemaakt van [straatnaam 1] , zij het in beperkte mate. Ook bij een dergelijk beperkt gebruik van een weg is – gelet op artikel 7 Wegenwet, welke bepaling anders dan [appellant] stelt wel de hier toe te passen maatstaf bevat – sprake van openbaarheid.

Daar komt bij dat volgens artikel 47 Wegenwet de rechtsvordering tot wijziging van de wegenlegger als bedoeld in artikel 43 vervalt (en niet slechts verjaart) wanneer de rechtsvordering niet binnen een jaar na vaststelling van de wegenlegger wordt ingesteld (zie opnieuw HR 23 april 2004, NJ 2004/600, rechtsoverweging 3.7). Dat is in dit geval niet gebeurd. De wegenlegger is in 2002 vastgesteld. Niet is gebleken is dat [appellant] na vaststelling binnen een jaar een vordering heeft ingesteld. De vordering is dus te laat ingesteld en moet ook op die grond worden afgewezen.

De grief faalt.

3.14

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat alle grieven falen. Het vonnis zal worden bekrachtigd. Als in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 13 maart 2013;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Provincie begroot op € 683 voor verschotten en € 1.341 voor salaris advocaat vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 14 dagen na heden;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de proceskostenbeslissing betreft.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.Th. Begheyn, J.C.J. van Craaikamp en J.J. Janssen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 augustus 2015.

griffier rolraadsheer