Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:3219

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-08-2015
Datum publicatie
14-08-2015
Zaaknummer
F 200.170.320_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:1587
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Grievenstelsel, artikel 359 jo. artikel 278 Rv. Appellanten wensen geen andere beslissing dat die de rechtbank in eerste aanleg heeft gegeven. Het appel richt zich tegen een overweging van de rechtbank. Geen rechtens te respecteren belang bij het door appellanten ingestelde hoger beroep. Niet-ontvankelijkheid.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 359
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 278
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2015/126
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 13 augustus 2015

Zaaknummer : F 200.170.320/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/03/200273 / FA RK 14-4134

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

en

[appellante] ,

echtelieden, beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna te noemen: de ouders,

advocaat: mr. N. Geradts,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie Maastricht,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna te noemen: de stichting);

- de heer en mevrouw [pleegouders] (hierna te noemen: de pleegouders), advocaat mr. M.J.M. ten Voorde.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 26 februari 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 mei 2015, hebben de ouders verzocht voormelde beschikking:

  • -

    primair te bekrachtigen onder verbetering van de gronden waarvan beroep;

  • -

    subsidiair gedeeltelijk te vernietigen ter zake het oordeel dat het gezag uiteindelijk bij de pleegouders zal komen te liggen en dat thans sprake is van een tussenstap, en voor het overige te bekrachtigen;

  • -

    meer subsidiair te vernietigen en onder verbetering van de gronden waarvan beroep en opnieuw rechtdoende bij beschikking te bepalen dat de ouders van het ouderlijk gezag over de minderjarige [dochter] worden ontheven en de stichting wordt benoemd tot voogdes.

2.2.

Bij verweerschrift met één productie, ingekomen ter griffie op 11 juni 2015, hebben de pleegouders verzocht het verzoek van de ouders af te wijzen en voormelde beschikking in stand te laten.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 juli 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de ouders, bijgestaan door mr. Geradts;

- de raad, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de stichting, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de stichting] .

2.3.1.

De pleegouders zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van de ter zitting door mr. Geradts overgelegde stukken, waaronder het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 5 februari 2015.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de relatie van ouders is op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] [dochter] (hierna te noemen: [dochter] ) geboren.

Nadien zijn de ouders gehuwd.

De ouders waren tot aan de bestreden beschikking met het ouderlijk gezag over [dochter] belast.

3.2.

[dochter] staat sinds 21 augustus 2007 onder toezicht. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 5 augustus 2015.

[dochter] is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds oktober 2008 uit huis geplaatst in het huidige, perspectief biedende pleeggezin.

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de ouders ontheven van het gezag over [dochter] en de stichting tot voogdes benoemd.

De rechtbank heeft daarbij, voor zover thans van belang, het volgende overwogen:

“5.6. De rechtbank overweegt dat de raad niet heeft verzocht de pleegouders tot voogd te benoemen, ondanks de wens hiertoe van de pleegouders. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, namelijk dat het voor [dochter] van groot belang is dat zij duidelijkheid heeft over haar perspectief en wie voor haar de lijnen uitzet, ligt het in de rede dat de pleegouders (uiteindelijk) de voogden van [dochter] zullen worden. De rechtbank begrijpt het aldus dat thans sprake is van een tussenstap, waarbij, in het belang van [dochter] en onder verantwoordelijkheid van een professionele voogd, getracht zal worden te komen tot een duidelijke en werkbare verhouding tussen de direct bij [dochter] betrokken volwassenen (ouders en pleegouders). Tegelijk met de uit te spreken ontheffing van het gezag van de ouders zal de rechtbank dus [de stichting] tot voogdes benoemen, nu deze zich bereid heeft verklaard de voogdij op zich te nemen.”

3.4.

De ouders kunnen zich met deze beslissing niet verenigen voor zover het de hiervoor geciteerde overweging betreft en zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De ouders voeren in het beroepschrift – kort samengevat – het volgende aan.

De rechtbank is met de overweging dat het in de rede ligt dat de pleegouders (uiteindelijk) de voogden van [dochter] zullen worden, buiten de rechtsstrijd getreden. De ouders zijn tekort gedaan in hun recht om zich daartegen naar behoren te kunnen verdedigen.

Voorts blijkt uit de stukken en het verhandelde ter zitting in eerste aanleg dat de raad, Rubicon Jeugdzorg en de ouders van mening zijn dat het in het belang van [dochter] is om niet de pleegouders, maar een neutrale instantie met de voogdij te belasten, gelet op de strijd, het gebrek aan vertrouwen en de zeer moeizame samenwerkingsrelatie tussen de pleegouders en de ouders. Bovendien zitten de pleegouders niet altijd op een lijn met Buro [vestigingsplaats], Rubicon Jeugdzorg en Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg. Nu de pleegouders hun eigen koers varen, maken de ouders zich zorgen over het welzijn van [dochter] bij de pleegouders.

De rechtbank had tevens niet op voorhand de raad en de stichting buitenspel mogen zetten door vooruit te lopen op de situatie in de toekomst. Bovendien wordt afbreuk gedaan aan de voor [dochter] gewenste duidelijkheid, door beslissingen te nemen die niet worden onderbouwd door de betrokken instanties.

3.5.1.

Ter zitting van het hof hebben de ouders hierop aangevuld dat zij het eens zijn met de door de rechtbank uitgesproken ontheffing en dat zij geen andere beslissing wensen dan de beslissing van de rechtbank in het dictum van de bestreden beschikking. Hoewel zij strikt genomen om die reden in hun verzoek in hoger beroep niet-ontvankelijk zouden moeten worden verklaard, hebben de ouders er toch voor gekozen om van die beschikking in hoger beroep te komen om in de toekomst te kunnen aantonen dat zij het met meergenoemde overweging van de rechtbank in die beschikking niet eens waren c.q. zijn.

3.6.

De pleegouders hebben in hun verweerschrift – kort samengevat – het volgende aangevoerd.

Volgens de pleegouders vraagt het belang van [dochter] dat gekeken wordt naar de mogelijkheid dat de pleegouders in de toekomst met de voogdij over [dochter] worden belast.

De rechtbank is geenszins buiten de rechtsstrijd getreden, nu de vraag of de pleegouders of een voogdijinstelling de voogdij op zich zou moeten nemen, in het raadsrapport is besproken en beantwoord. Bovendien is de rechtbank, gelet op het bepaalde in artikel 3 IVRK, gehouden om wat betreft het belang van het kind steeds een eigen afweging te maken.

De rechtbank is met genoemde overweging niet vooruitgelopen op de toekomst, maar heeft enkel overwogen dat er goede redenen zijn om de pleegouders met de voogdij te belasten. Van een beslissing op dat punt is echter geen sprake.

3.9.

Het hof overweegt het volgende.

3.9.1.

Het hof dient vooreerst de ontvankelijkheid van de ouders in hun verzoek in hoger beroep te beoordelen.

3.9.2.

Op grond van artikel 359 juncto artikel 278 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient het verzoekschrift in hoger beroep een duidelijke omschrijving van het verzoek te bevatten, alsmede de gronden waarop het berust. De omschrijving van het verzoek dient daaruit te bestaan dat vernietiging van de bestreden beschikking wordt verzocht en voorts wordt aangegeven welke andere beslissing van de rechter in hoger beroep wordt verwacht.

3.9.3.

Het hof is van oordeel dat het appelschrift van de ouders niet voldoet aan de vereisten van voormelde artikelen. Immers, de ouders hebben niet om de vernietiging van de bestreden beschikking verzocht.
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is als onbetwist komen vast te staan dat alle partijen, ook de ouders, het thans eens zijn met ontheffing van de ouders van het gezag over [dochter] en met de benoeming van de stichting tot voogdes over [dochter] . De ouders hebben dit ter zitting expliciet bevestigd. In zoverre wensen de ouders geen andere beslissing dan die de rechtbank in eerste aanleg heeft gegeven.

2.9.4.

Het beroep richt zich tegen de overweging van de rechtbank dat – kernachtig weergegeven – het in de rede ligt dat de pleegouders (uiteindelijk) met de voogdij zullen worden belast en dat aldus sprake is van een tussenstap. Voornoemde overweging of een daarvan in het verlengde liggende beslissing is echter niet opgenomen in het dictum van de bestreden beschikking. De situatie waarvoor de ouders bevreesd zijn, ligt derhalve thans niet ter beoordeling aan het hof voor.

3.10.

Het voorgaande leidt het hof tot het oordeel dat de ouders geen rechtens te respecteren belang hebben bij het door hen ingestelde beroep en dat de ouders daarin niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Dit betekent dat het hof aan de behandeling van het beroep van de ouders niet toekomt.

4 De beslissing

Het hof:

verklaart de ouders niet-ontvankelijk in het door hen ingestelde hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 26 februari 2015, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A.M. Scheij, C.A.R.M. van Leuven en A.J. van de Rakt en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2015.